maandag 16 oktober 2023

Vermoorde dichters almanak (Recensie)

OEKRAÏENSE POËZIE VERTAALD

Achteraf lijken de arrestatie van oppositieleider Aleksej Navalny in begin 2021 en het vernietigen van de laatste vrije media in Rusland te passen in een lange planmatige voorbereiding van het Kremlin op een oorlog. Deze kon alleen worden gevoerd als de staatspropaganda ongestoord kon liegen. Poetin verkocht de inval in Oekraïne die hij op 24 februari 2022 ontketende aanvankelijk als antwoord op een vermeende navo-dreiging. Even fictieve verhalen over biologische wapenlaboratoria, genocide van de Russische Donbass-bevolking en een naziregime in Kyiv kwamen daar bovenop. De ware reden lag in Poetins paranoïde obsessie met Oekraïne: het bestaan van een zelfstandige Oekraïense natie erkent hij niet. Het doel van de Russische operatie was simpel: vernietiging van alles wat Oekraïens is en het hele land inpikken. Bibliotheken, scholen, monumenten, kerken en musea waren nadrukkelijk doelwit. Dat staat in een lange traditie. Onder Stalin speelde in de jaren 1932-1933 de holodomor, de genocide door uithongering van de Oekraïense bevolking. Enkele jaren later werd een groot deel van de Oekraïense intellectuelen doodgeschoten, onder wie veel schrijvers. In het Westen vormde deze literatuur vrijwel alleen een onderwerp voor Oekraïense emigranten aan universiteiten in de Verenigde Staten en Canada. In Nederland was Oekraïens op geen enkele universiteit een vak. Vertalers waren er lange tijd dan ook niet. Eigenlijk leek Oekraïne niet helemaal serieus vergeleken bij ‘grote broer’ Rusland: een fatale narratief die Poetin ook gebruikt.

            Arie van der Ent (1956), woonachtig in Oekraïne, heeft zijn langdurige carrière als vertaler van Russische literatuur op een laag pitje gezet en stort zich nu op de tot voor kort ook voor hem onbekende Oekraïense literatuur. De Vermoorde dichters almanak bevat vertalingen uit het werk van ruim twintig Oekraïense dichters uit de periode 1919-1944. Slachtoffers van de Witten tijdens de Russische burgeroorlog en van de Nazi’s ontbreken niet, maar de meeste dichters stierven in 1937, het hoogtepunt van Stalins terreur die een levendig Oekraïens literair leven smoorde. De bekendste dichter is Mychajl Semenko (1892-1937): ‘Op 26.04.1936 gearresteerd (“actieve contrarevolutionaire activiteit”). Hij was gebroken en bekende alles. Een dag voor executie ter dood veroordeeld, met beslaglegging op al zijn eigendommen. Pas vanaf 1985 wordt hij heruitgegeven. Icoon van de Doodgeschoten Renaissance.’ De Oekraïense hoofdstad is onderwerp van het mooie liefdesgedicht ‘Kyiv op een lenteavond’ (1928) van Mykola Zerov (1890-1937) dat na de recente Russische bombardementen nog altijd actueel klinkt: ‘Al was je in de greep van veel vandalen/ en heersten architecten zonder smaak,/ loopt overal het spoor van brand en braak –/ je ligt er vrolijk bij en zelfs te stralen.’

            De bloemlezing maakt duidelijk welke enorme impact Stalins terreur op de Oekraïense literatuur had. Het boek is, als zoveel bloemlezingen, te weinig omvangrijk om individuele dichters dusdanig te introduceren dat de lezer werkelijk een beeld van ze krijgt. Daarom is het goed dat Van der Ent in Cypressen branden, deel 2 in de Oekraïense Bibliotheek van uitgeverij Woord in Blik van Joop Steenkamer, een ruime keuze publiceert uit de poëzie van Lina Kostenko (1930), de nationale dichteres van Oekraïne. Zij biedt allereerst een loyale stem met moreel gewicht: tijdens de Sovjettijd werd haar werk lange tijd niet uitgegeven vanwege een weinig partijvriendelijke houding. Kostenko’s gedichten doen aanvankelijk wat ouderwets aan: bespiegelingen rond begrippen als ziel, tijd, leven en vrijheid. Ze moedigt de lezer nadrukkelijk aan om dingen te accepteren en optimistisch te blijven, woorden die momenteel nodig zullen zijn: ‘Je kunt de dingen maar het best verwerken,/ want elke finish is een nieuwe start./ Het leven moet. Je moet gewoon maar leven./ Gebruik je ervaring en zet door, volhard./ Je moet jezelf geen loze voorpret geven,/ bespaar je die, en achteraf je smart.’ In vertaling komt Kostenko beter uit de verf als ze iets minder duidelijk en dubbelzinniger opereert. Dat levert ook mooie liefdesgedichten op. Een fraai gedicht heeft Kostenko over Tsjernobyl waar de natuur de woonomgeving overwoekert: ‘Maar kleine boompjes groeien voor de deuren./ Men woonde boven Pripjat – nu niet meer./ Waar gifzwammen het bos nog roder kleuren,/ daar waart de Dood – die ene plukmeneer.’ De titel Cipressen branden verwijst naar een schilderij van Van Gogh: een obligaat thema onder dichters uit de voormalige Sovjet-Unie. Samen met de Vermoorde dichters almanak levert Kostenko’s bundel een tweeluik op dat een actueel en overtuigend antwoord op Poetins agressie vormt: Oekraïense poëzie bestaat! Juist de aangenaam praktische houding van Kostenko zal men zelden bij een Russisch dichter aantreffen.

 

Arie van der Ent (vert.), Vermoorde dichters almanak. Onvrijwillig gestorven 1919-1944. 2022. 143 p. € 21,99 | Lina Kostenko, Cipressen branden. Zestig gedichten (vert. Arie van der Ent). 2022. 79 p. € 15,99 (uitgaven van Woord in Blik, Rotterdam info@woordinblik.nl

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 27 (2022), nr. 4, pp. 70-72.

vrijdag 13 oktober 2023

Schoon & haaks [afl. 46]

 SCHOON & HAAKS [AFL. 46]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zesenveertigste aflevering (2023, nr. 4) staan recensies van de volgende boeken:

 

·        Ronald Spoor & Herman Verhaar (red.), De onzekeren. E. du Perrons ‘onvoltooide’ in 95 ontwerpen. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2023.

·        Boudewijn van Houten, Hitler en ik. Nijmegen: Flanor, 2023.

·        Louis Ferron, De laatste stelling. Verspreide teksten. Nijmegen: Flanor, 2023.

·        Joost Veerkamp, Tekenleed. Haarlem: De Korenmaat, 2023.

·        Rondom Sonja Prins. Amsterdam: GO, 2023.

 

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 28 (2023), nr. 4, pp. 71-76.