donderdag 13 oktober 2022

Schoon & haaks [afl. 41]

SCHOON & HAAKS [AFL. 41]

 In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de eenenveertigste aflevering (2022, nr. 4) staan recensies van de volgende boeken:


·        Arie van der Ent (vert.), Vermoorde dichters almanak. Onvrijwillig gestorven 1919-1944. Rotterdam: Woord in blik, 2022.

·        Lina Kostenko, Cipressen branden. Zestig gedichten (vert. Arie van der Ent). Rotterdam: Woord in blik, 2022.

·        J.J.C. Dee, Verdwijnen in een woord. Dichter en gedicht in de poëzie van C.O. Jellema. Nijmegen: Flanor, 2022.

·        Vladimir Majakovski, Conclusie. Middelburg: De Roofprint Pers, 2022.

·        Kester Freriks, De grachtengordel revisited. Woubrugge: Avalon Pers, 2022.

·        Alex Roeka, Tutto l’infuriare del mondo. Vert. Patrizia Filia. Roma: Edizioni Ensemble, 2022. 

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 27 (2022), nr. 4, pp. 70-75.

dinsdag 27 september 2022

J.H. Speenhoff: Zeven dagen oorlog (Recensie)

BOMMEN, SNERT EN DIJEN: OORLOGSDAGBOEK VAN J.H. SPEENHOFF

Dichter-zanger en tekenaar J.H. Speenhoff (1869-1945) was ooit een beroemdheid zoals ons land geen tweede had: straatvolk sprak de ras-Rotterdammer aan met ‘Ome Koos’. Schade leed zijn naam tijdens de bezetting door opportunistische opmerkingen over ‘vijanden van ons zuiver Diets Volk’ in zijn memoires Daar komen de schutters! (1943) en de deelname van zijn dochter Ceesje Speenhoff (1909-2004) aan het met de nazi’s flirtende Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter. Hiervan distantieerde Speenhoff zich in een ingezonden brief: radioluisteraars dachten immers dat Ceesje alias Juffrouw Klessebes zijn vrouw Caesarine was. Vlak voor het einde van de oorlog kwam Speenhoff om bij het bombardement op het Bezuidenhout: door bommen van Engelsen aan wie hij sinds de Boerenoorlog meer de pest had dan aan Duitsers. De laatste heruitgave van zijn gedichten verscheen in 1980 bij uitgeverij BZZTôh met een voorwoord van Willem Wilmink. Sindsdien lijkt Speenhoff enigszins verdwenen: een moderne biografie bestaat niet.

    De Statenhofpers verrast met Zeven dagen oorlog, een ongepubliceerd dagboek bezorgd door Jacques Klöters waarin Speenhoff de oorlogsdagen van mei 1940 registreert. Speenhoff, als theaterman op z’n retour en vooral nog actief door bijdragen aan het Rotterdamsch Nieuwsblad, woont dan met vrouw en schoonmoeder op Seinpostduin 26, Scheveningen. Speenhoffs stijl laveert tussen subtiel en verbluffend direct: ‘Ik ben op en blut.’ Klöters denkt niet ten onrechte aan Elsschot en Nescio. Het dagboek leest als een rechtstreekse rapportage, vol verwarring van het moment. Speenhoff laat geruchten staan waarvan hij wist, bij voltooiing van de definitieve versie op 2 juni 1940, dat ze niet waar waren geweest: prins Bernhard gewond of gevangen genomen, 50.000 gesneuvelden, de Engelsen die te hulp komen enz.  Het dagboek begint met een absurdistische anticlimax: een drogist die op de ochtend van 10 mei aanbelt om een rekening te innen. Vanuit zijn raam ziet Speenhoff weldra vliegtuigen en oorlogsschepen in actie komen: hakenkruizen kan hij in de lucht zien. De Duitsers ontzien Scheveningen volgens hem omdat ze de huizen nodig hebben voor ‘de eigen gewonden’.

Speenhoff is die 10de mei tot tranen geroerd door het Wilhelmus op de radio en beseft dat tijden definitief zijn veranderd: ‘Bij dat lied was het of we een oneindigheid ingingen. Of we afscheid namen.’ Hij schetst hoe de toestand hem op scherp zet, extra wilskracht geeft: hij gaat messen slijpen en poetsen en continu koken. Speenhoff heeft steeds trek op z’n Hollands, frequenteert de haringkar, verlangt naar gestoomde makreel en gaat in een ‘vakherbergje om er een glas bier uit de pomp te drinken’. Het dagboek is een ode aan de pannenkoek: ‘Ik houd van pannenkoeken met spek en stroop’. ’s Avonds is er verduistering, maar overdag gaat tijdens de oorlogsdagen het leven gewoon door. Dit altijd fascinerende fenomeen schildert Speenhoff messcherp. Hij neemt een ‘taksie’ naar de oorarts en verkent het centrum: ‘Ik zag de tram heel gewoon rijden en ik stapte in lijn 8’. Hij drinkt ‘in Riche een kopje koffie’, terwijl de weg erheen vol loopgraven is. Het avondblad komt trouw in de bus. Speenhoff hoopt ondertussen dat de oorlog ‘een einde zal maken aan de jasmuziek’. Dat vertrouwt hij de Duitsers kennelijk wel toe.

Speenhoff blijft in vrouwelijk schoon geïnteresseerd, ook als hij acuut moet schuilen. Van onbeschaamdheid en opschepperij maakt hij een erezaak, tot aan het enigszins seniele toe: ‘Daar ik onder aan de trap stond en die twee jonge meisjes boven, had ik de gelegenheid om opziende hunne benen tot aan de dijen te bewonderen. Ze zagen dat ik dit onverschrokken deed en dat ook alle mannen er toe overgingen. Ik zag mijn geslachtsgenoten knipogen en vermenigvuldiglust krijgen en het waren inderdaad vier prachtbenen. Telkens zag ik weer onzedig brutaal naar boven en veroorloofde me de dames in gedachten verder te ontkleden. Dat men aan zo iets ook nog dacht in doodsgevaar had ik nog niet medegemaakt. Ik heb duizenden vrouwen bemind zoals alle gezonde mannen dat doen en deden maar dat ging altijd romantisch, doch nu daar op die trap van IJsselstenen en met stalen leuningen was het wel bijzonder.’ Speenhoff weet de scène zelfs in een breder kader te brengen: ‘Als men een verleden rijk is als het mijne, heeft elke vrouw het recht om aan de standvastigheid des mans te twijfelen en ze moesten het eens weten die trouwe en lieve wijfjes hoe verrukkelijk het is door tegenstelling bij een andere vrouw herboren liefde te vinden bij de eigen schat.’ Zijn vrouw had hem op het toneel steeds met zang bijgestaan. Maar of vrouwen dan kunnen zingen? ‘In Holland ken ik er niet een.’ Ware emotie reserveert Speenhoff niet voor vrouw en dochters, maar voor zijn gemobiliseerde zoon Coos, wiens dood hij vreest totdat hij hem na de capitulatie eindelijk aan de lijn krijgt,

Alles is die meidagen anders dan verwacht, voor de lezer van nu, maar ook voor Speenhoff. De A.N.P.-radiostem klinkt ongepast gewoon. Zijn briljante reactie is van een actualiteit die direct navoelbaar is: ‘Die bekende stem. Wie was dat ook weer? Wat een vaderlijk geluid. Hij sprak of hij Beursberichten doorgaf. Twee honderd vliegtuigen neergeschoten door de Hollanders. Dat kón niet. Dat was overdreven. Die man zei maar wat. We luisterden beter... het waren er máár honderd. De vliegvelden Iepenburg en Ockenburg heroverd. Waren die dan bezet? Hoe?’ Het vertrek van HM naar Engeland bezorgt Oranjeklant Speenhoff een ‘hartslag van woede’. Later volgt begrip.

Speenhoffs schildering van de capitulatie geeft een ontluisterend beeld. Iedereen stormt jubelend naar buiten: ‘De pot met snert lieten we staan en we snelden de straat op. De mensen  dansten in het rond. […] We mochten weer in de avond gaan wandelen. We waren weer…. vrij VRIJ? Een leger van een half miljoen man gaf zich zo over!’ De indruk van de Duitsers, die zich vanuit Speenhoffs perspectief niet erg triomfantelijk gedragen, is vrij positief: ‘gezonde en roodgebruinde jongemannen die helemaal niet bloeddorstig keken. […] Ze zwegen en gehoorzaamden zonder bevolen te zijn’. Oude haat tegen de Engelsen steekt weer op: ‘Indien echter de Engelsen onze overwinnaars waren geweest, dan zou me dat hebben tegengestaan.’

            Uniek en aangrijpend is Speenhoffs verslag van zijn bezoek aan Rotterdam op 16 mei, een paar dagen na het bombardement. Alsof niets is gebeurd, rijdt het boemeltje naar Hofplein. Uit het raam ziet hij nog een soort idyllische Anton Pieck-wereld: ‘ik zag de vliet waar ik schaatsen reed als jonkman met eenzame en verlaten meisjes. Daar dronken we slem en aten we janhagelkoeken. Daar had je de kerk en de herberg’.  Half Rotterdam blijkt vervolgens kapot: ‘Dit was een drama in steen. Dit was té erg. Dit kón niet. Dit mocht niet.’ Het gebouw van zijn krant ligt in as, de Statendam, ‘waarmede we in 1929 naar New York  voeren’, smeult. Zijn populariteit overdrijft Speenhoff, zijn bekendheid waarschijnlijk niet: iedereen herkent hem wel hem met zijn markante artiestenkop.

Uiteindelijk vraagt Speenhoff, ondanks alle bewuste oppervlakkigheid in zijn relaas, aandacht voor ‘al wat er dieper in is’. Als chroniqueur van zijn tijd schetst hij menig raak beeld van Nederland, inclusief het draagvlak voor collaboratie dat zich meteen aftekent. Niet iedereen lijkt de oorlog helemaal serieus te nemen. Na de capitulatie gedragen soldaten zich ‘of ze met vakantie waren’: ‘Twaalf uur na onze vernedering waren we alweer de zakelijke, nadenkende en overwegende Hollanders van 5000 jaar geleden’. Met nadruk schildert Speenhoff het beeld van een opportunistische, omkoopbare Nederlandse vrouw die spoorslags geïnteresseerd is in de Duitsers: ‘Al wat vrouw was keek en zag en rangschikte’. Onder vrouwen ziet hij ‘niet één vijandelijke blik’. Zijn half Jiddisch, half Duits sprekende Joodse bakker maant Speenhoff ondertussen tot rust: ‘het zal wel los lopen. Rustig blijven, werken en gehoorzamen’. Het pleit voor Speenhoff dat hij zichzelf vervolgens corrigeert. Gevaar ‘kwam drie dagen later... misschien. De oude man ging heen en heel het Joodse Volk zag ik in hem. Zou er een pogrom mogelijk zijn als...’

 ‘’t Was anders’ is de lijfspreuk van Speenhoff, wiens verspreid verschenen prozaschetsen ook op herontdekking wachten. De keerzijde der dingen tonen, is zijn gave: dat maakt de diepere laag van dit boek uit, bij al zijn subjectiviteit en brallerige legendevorming over zichzelf. Speenhoff is een goudmijn voor onderzoekers van ‘Nederland’s geestesmerk’. Hij laat met zwijnenhumor zien wie ‘de’ ouderwetse Nederlandse man is: bot, oubollig, gulzig, te gauw onbezorgd en vakantie vierend, trouw en laks tegelijk, voor Indië en Oranje. Uiteraard draagt Ome Koos zijn werk netjes op aan zijn vrouw. Hij heeft à la Elsschot last van ‘weemoedigheid, die niemand kan verklaren’ en gaat verder ongestoord zijn gang. Zelfs in smeulend Rotterdam portretteert hij zichzelf in gezelschap van een ‘bekende hoer’.

            Ondertussen bestaat in het buitenland al langer belangstelling voor Speenhoff. Giorgio Faggin (1939), docent Nederlands in Triëst, vertaalt in het bundeltje Neerlandica gedichten van Speenhoff in het dialect van Friuli en van daaruit in het Italiaans. Ook voegt hij volgens hetzelfde procedé aforismen toe van Gentenaar Julien De Valckenaere (1898-1958), bij ons onbekend, maar volgens hem ‘een van de belangrijkste Europese aforismenschrijvers van zijn tijd.’ Onvoorspelbare smaak heeft Faggin al langer: in 1993 publiceert hij in het Friulaans een vertaling van de novelle Gymnasium en liefde (1936) van C.C.S. Crone.

 J.H. Speenhoff, Zeven dagen oorlog. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2021. 117 pp. 100 ex. € 69,50 (www.statenhofpers.nl) | Giorgio Faggin, Neerlandica. J.H. Speenhoff e J. de Valckenaere. Vicenza: Tipografia Editrice Esca, 2018. 106 pp. € 11,40 (info@tipografiaesca.it)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 26 (2021), nr. 4, pp. 71-75.

woensdag 3 augustus 2022

Sven-Onno Tromp: Natuurlijk hou ik van Amsterdam

OP STAP MET HARRY MULISCH

Ooit was ik in de Athenaeum Boekhandel en zag om de hoek van het gangpad twee verfijnde bruine herenhandschoenen luchtig een boek doorbladeren. De persoon die erbij hoorde, zag ik niet. Ik dacht: ‘Dat moet Harry Mulisch zijn.’ Even later bleek: het was Harry Mulisch. In Leiden of Maastricht had ik dat niet gedacht, maar daar was het ook niet gebeurd. Wat is roem? Zo’n sterk imago hebben dat je ook onzichtbaar aanwezig bent. In Amsterdam kon dat, waar Mulisch (1927-2010) verder uitgesproken zichtbaar was. Het fenomeen Mulisch was ondenkbaar zonder de dekking van een grootstedelijke omgeving: de hele stad was zijn decor. Sven-Onno Tromp loodst ons in Natuurlijk hou ik van Amsterdam langs cruciale plaatsen voor Mulisch, van zijn huurhuis aan de Leidsekade tot de restaurants waar de Herenclub (‘Deftig Links’) bijeenkwam. Café Américain (‘Telefoon voor de heer Mulisch’) en de Stadsschouwburg, waar hij decennia op het Boekenbal de Nederlandse schrijverswereld in audiëntie ontving, zal geen wandelaar missen. Het rijke fotomateriaal maakt het boek een geschiedenis van een halve eeuw Amsterdam aan de hand van Mulisch. Als het een beetje links is, is Cuba-pelgrim Mulisch erbij: de opera Reconstructie, de Notenkraker-discussie in Hotel Krasnapolsky, manifestaties van het Medisch Comité Nederland-Vietnam en van een comité tégen de boycot van de Olympische Spelen in Moskou in 1980: Harry zit nogal gedateerd achter de tafel in Hotel American met Freek de Jonge, piepjonge Felix Rottenberg en langharige kapperszoon Ad Melkert (nog namens de PPR!). Tegelijkertijd ogen Juliana en glunderende Beatrix vereerd om Mulisch op het Boekenbal of de filmpremière van De aanslag in Tuschinski de hand te mogen drukken. Met Bernhard rookt hij ontspannen een pijp bij Hajenius. Mulisch was bij leven dan ook de koning van Amsterdam, zelfbenoemd.

Sven-Onno Tromp, Natuurlijk hou ik van Amsterdam. Een literaire wandeling door het Amsterdam van Harry Mulisch. Amsterdam: Tromedia, 2021. 80 pp. € 19,99.

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 26 (2021), nr. 3, pp. 73-74.

P.B. Schuman: P.J. Meertens 1899-1985. Een documentatie (Recensie)

PIET MEERTENS ALS SLEUTELFIGUUR

P.B. Schuman publiceert P.J Meertens 1899-1985, een documentatie over de Zeeuwse volks- en letterkundige Piet Meertens die zijn naam gaf aan het volkskundebureau van de KNAW en als Anton Beerta is geportretteerd door J.J. Voskuil (1926-2008) in zijn 7-delige cultroman Het Bureau (1996-2000). Selectief zijn brieven van Meertens’ moeder, collega-taalkundige Jo Daan en anderen opgenomen, maar het dagboek van Meertens, bewaard bij Bijzondere Collecties van de UVA, is veruit de voornaamste bron. Hierdoor ontstaat vooral een zelfportret dat per definitie niet helemaal zal lijken.

Meertens komt als Beerta in Het Bureau over als een slimme, autoritaire, vergaderzieke, kameleontische en roddelende figuur voor wie het volkskundige werk deels als rookgordijn fungeert voor andere activiteiten. Het dagboek toont Meertens vooral in zijn neiging extreem veel over zichzelf vast te leggen. We volgen Meertens in zijn geboortestad Middelburg, het Utrecht van zijn studie en vervolgens in Amsterdam. Een bijzonder detail: in het najaar van 1940 zijn de dagboeken in beslag genomen als bewijs in een strafzaak vanwege ontucht, waarvoor Meertens enige tijd gevangen zat. Hij kreeg ze pas na de oorlog terug. Meertens, die als Beerta in Het Bureau de waarheid vooral uit de weg gaat, zal in zijn dagboek ondanks al zijn dwang tot verslaglegging veel verzwegen hebben, of zoals Schuman het uitdrukt: ‘wat Meertens niet in zijn dagboeken schreef, wilde hij ook niet geopenbaard zien.’ Tijdens zijn verhoor verklaart hij dat hij ‘bi-sexueel en homo-erotisch’, maar niet ‘homo-sexueel’ is. De meest intieme passages in het dagboek gaan niettemin over vluchtige ontmoetingen in de homosfeer (vooral op reis, zoals met een 18-jarige Pool in Hamburg). Binding aan zijn moeder en Middelburg zijn andere hoofdmotieven in dit dagboek: ‘Ik kom van geen van beiden ooit los. Moeder, ik moest niet hier geboren zijn in deze stad, vol van melancholie…’

Als teksteditie is deze uitgave nogal ongewoon. De dagboeknotities zijn gedateerd op jaren, maar vrijwel niet op maanden en dagen, zodat nauwelijks exact is vast te stellen wanneer iets gebeurt. Schuman vat de inhoud vaak samen, zonder dat duidelijk is wat hij weglaat. De dertienhonderd bladzijden zijn op veel plaatsen ongehoord monotoon. Aldus geeft Schuman een vakantiereisje van de jonge Meertens naar familie in Rotterdam weer: ‘Vrijdagmorgen maakte Meertens met zijn familie een fietstocht naar Oud-Beijerland. Vrijdagavond schreef Meertens een brief aan zijn moeder. Op zondagmiddag bracht hij een bezoek aan zijn oom Adriaan. Dinsdagmiddag maakte hij een boottocht door de havens. Woensdagmiddag reed Meertens op de fiets naar Katendrecht om het geboortehuis van zijn moeder opnieuw te bezoeken. Na de lunch reed hij naar Pernis en Rhoon.’ Wat is hier de informatie?

Sommige zaken komen steeds terug: in welke kerk of aula en bij welke dominee Meertens zondagochtend ‘onder het Woord’ is, de veilingen van antiquariaat Burgersdijk & Niermans in Leiden, de Matthäus Passion in Naarden, Amsterdamse promoties en inaugurele redes en vergaderingen van ontelbare commissies en redacties. Kleinigheden krijgen haast iets bijzonders: ‘Na het avondeten sloeg Meertens de NRC op.’ Zo’n bericht kan een anticlimax als toegift krijgen die hilarisch werkt: ‘Daarna nam Meertens in de Provinciale Zeeuwse Courant de overlijdensadvertenties door. Er stonden geen bekenden bij.’ Het kan alledaagser: ‘Op de laatste dag van het jaar, een donderdag, ging Meertens naar zijn kapper.’ Na afloop van een vergadering heet het: ‘De notulen van de vorige vergadering werden goedgekeurd’. Werden ze wel eens afgekeurd?

Honderden personen voert Meertens op. Veel notities vinden we over dichter en journalist Leo van Breen (‘Ik had direct zijn anders-zijn door’), de Utrechtse keltoloog Ton van Hamel (net als Meertens om een zedenmisdrijf in conflict met justitie), de bizarre Nijmeegse taalkundige pater Jacques van Ginneken en Jef Last. Kees Lekkerkerker is een jarenlange vriend. Ook duiken Adriaan Morriën, Johan Polak, Jef Suys, Bert Haanstra, Theun de Vries, Martinus Nijhoff, Jan Romein, Friso Wiegersma en Geert van Oorschot op. Over Gerrit Achterberg (kandidaat voor een functie op het Bureau!) en Lucebert (via brieven van Simon Vinkenoog uit Parijs) bevat het dagboek menig curieus gegeven. In 1952 heeft hij een ‘onderhoud met Raymond Westerling, bij Sam de Wolff aan huis’. Wat is besproken? Dat staat er dan weer niet bij.

De oorlogsjaren, waarin Meertens voor de bezetter boeken op ‘Deutschfeindlichkeit’ doorpluist, leveren de interessantste, zij het soms ook ontluisterende lectuur op. Tegenover zijn dagboek stoomt Meertens zich meteen klaar voor collaboratie, niet als naïeve jongeman, maar als calculerende veertiger: ‘ik wens niets vuriger dan dat het Nederlandsche volk in lotsgemeenschap samen optrekt met het Duitsche, het volk van dichters en denkers, waarvoor ik een grote toekomst zie weggelegd.’ Hij luistert welwillend naar Seyss-Inquart bij de installatie van de Kultuurraad en heeft begrip voor de executie van Henk Sneevliet: de Duitsers kónden niet anders. De jodenster vindt Meertens pijnlijker voor Duitsers dan voor joden, namelijk ‘een belediging van […] de Germaansche eer.’ Hij draait later wat bij, maar heeft er na de oorlog geen moeite mee om te gaan met iemand die, aldus zijn dagboek, joden en Canadezen aan de Duitsers had verraden. Ook logeert de van zijn leerstoel beroofde pro-Duitse en elders verstoten germanist Jan de Vries bij hem op de Prinsengracht. Ondertussen heeft Meertens jarenlang veel contact met een brandschone vaderlander als neerlandicus Klaas Heeroma die hij kende uit het christelijke literaire circuit dat lange tijd ook zijn eigen uitvalsbasis was. Talent voor vriendschap heeft Meertens zeker: mensen laten hem niet gauw vallen. Na de oorlog sluit Meertens zich spoorslags aan bij het linkse blad De Vlam, mogelijk uit opportunisme. Meertens is ook niet te beroerd om na de bevrijding bij de minister van justitie op audiëntie te gaan om tegen de invoering van de doodstraf voor landverraders te pleiten.

            Menig biograaf kan moeilijk meer om Meertens heen, hoe karig de informatie hier soms ook is. Ik voel het, bijvoorbeeld, als een gemis dat ik niet wist dat Meertens slavist Nicolaas van Wijk in zijn dagboek noemt. Twee verwijzingen had ik zeker gebruikt in mijn biografie over Van Wijk. Een daarvan geeft bovendien de bron voor de waardevolle opmerking van Beerta over Van Wijk in Het Bureau. Zonder Voskuil was deze uitgave er waarschijnlijk ook niet gekomen. Het boek is duidelijk opgezet als pendant tot Het Bureau: het eindigt in 1956 omdat in 1957 Voskuil op het Bureau komt. Nog voordat de handeling in Het Bureau begint, hebben we al Jo Daan (Dé Haan), Dick Blok (Jaap Balk) en Maartje Draak (Kaatje Kater) meegemaakt. Daan, zo blijkt, was belangrijk voor Meertens tijdens de oorlog: zij steunde hem onvoorwaardelijk tijdens zijn gevangenschap en kookte later voor hem. Van honger is geen sprake. Het volgende deel voert ongetwijfeld naar de bron van veel meer scènes in Het Bureau.

Schuman levert geen commentaar of voetnoten, maar voegt aan de tekst een uitvoerige literatuurlijst en register van persoonsnamen toe. Paginaverwijzingen ontbreken. Veel lezers zullen het boek evenwel niet openslaan voor Meertens, maar voor andere personen. Ik wil Schuman oproepen dit register in het slotdeel alsnog af te maken. Alleen zo krijgt zijn boek de status van onmisbaar naslagwerk. Zelfs Het Bureau heeft registers met paginanummers. Ook een register op commissies, redacties en verenigingen zou nuttig zijn. Waar anders staat iets over de Wereld Federalisten Bond, de Pastorale Commissie voor het Werk onder Buitenkerkelijken, de Commissie van Advies voor de Volksdans of de Commissie voor Nieuwe Vormen van Geestelijke Weerbaarheid?

Rasopportunist Meertens was de belichaming van vergaderend en verzuild Nederland, waarin ook een Rijkscommissie van Advies inzake Subsidies aan Letterkundigen onder voorzitterschap van Anton van Duinkerken regelmatig bijeenkwam om te beslissen wie geld kreeg en wie niet. Meertens zat, natuurlijk, ook hier aan en noteerde de namen van de afgewezenen trouw. Eigenlijk had hij zelf schrijver willen worden. Maar hij bleef vooral een wetenschapper en publicist, ‘zoals alles wat ik zo dolgraag wil, nooit gebeurt.’ Dit is het ‘literair tekort’ dat subtiel in de ondertitel staat. Postuum positioneert Meertens zich als schrijver van een dagboek dat ondanks monotonie, overbodigheden en weglatingen, veel zegt over ons letterkundige en intellectuele leven in de vorige eeuw. Meertens is een sleutelfiguur.

P.B. Schuman, P.J. Meertens 1899-1985. Een documentatie. 1899-1956. Het literair tekort. Amsterdam: Van Soeren & Co., 2020. 1308 pp. € 49,50 (info@bataafscheleeuw.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' De Parelduiker 26 (2021), nr. 3, pp. 69-72.

dinsdag 2 augustus 2022

Schoon & haaks [afl. 40]

 SCHOON & HAAKS [AFL. 40]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de veertigste aflevering (2022, nr. 3) staan recensies van de volgende boeken:

·    Aad van Maanen, Een wandeling langs Leidse boekhandels. Leiden: Antiquariaat Klikspaan, 2022. 2de druk.

·    Jack van der Weide (red.), Dossier Tristan. Nijmegen 2022.

·    Salvador Espríu, Kerkhof van Sinera. Vert. Maarten Asscher. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2022.

·    Michail Koezmin, Dagboek 1934. Vert. Jan Paul Hinrichs. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2022.

·    Piet Wackie Eysten, Stefan Zweig en Klaus Mann. Een vaderlijke vriendschap. Leiden: Fragment, 2022.

·    L.H. Wiener, Open brief aan Arnon Grunberg. Utrecht: Hinderickx & Winderickx, 2022.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 27 (2022), nr. 3, pp. 71-76.

dinsdag 21 juni 2022

Alexander Poesjkin en Grieks Odessa (artikel verschenen)

 ALEXANDER POESJKIN EN GRIEKS ODESSA (ARTIKEL VERSCHENEN)

Zojuist verscheen in Lychnari een artikel over Grieks Odessa, en met name de plaats daarvan in het werk van Poesjkin.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, '"Onder vijf Grieken praatte alleen ik als een Griek". Alexander Poesjkin en Grieks Odessa', Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu 36 (2022), nr. 2, pp. 38-41.

zondag 5 juni 2022

Michail Koezmin: Dagboek 1934 (vertaling verschenen)

MICHAIL KOEZMIN: DAGBOEK 1934 (VERTALING VERSCHENEN)

Zojuist verscheen bij de Statenhofpers de vertaling van Dagboek 1934 van Michail Koezmin (1872-1936). De oplage bedraagt honderd genummerde exemplaren.

Michail Koezmin,
Dagboek 1934
(Statenhofpers, 2022).


| Zie verder: Michail Koezmin, Dagboek 1934. Vert. en nawoord van Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2022. 48 pp. (Saldencahiers; 9). 

Informatie over deze uitgave op de website van de uitgever:


"De Russische dichter, prozaschrijver en vertaler Michail Koezmin (1872-1936) is een enigszins vergeten klassieker uit de Russische literatuur. Door zijn openlijke homoseksuele én flamboyante levenshouding gold hij tot lang na zijn dood als een onmogelijke figuur in de puriteinse Sovjet-Unie. Voor de stalinistische terreur van 1937 en 1938 sterft Koezmin te vroeg. Maar in het vizier van de geheime politie is hij al jaren. Zijn Dagboek 1934 is door een wonder bewaard gebleven en verscheen pas in 1998 in het Russisch. Het dagboek gaat terug op het verblijf in 1934 in een sanatorium buten Leningrad. Van artsen heeft hij te horen gekregen dat zijn hartkwaal niet meer te genezen is en dat hij nog twee jaar te leven heeft. Naast aantekeningen over dagelijkse zaken en jeugdherinneringen bevat het dagboek van titels voorziene aantekeningen die overkomen als prozaminiaturen die op zichzelf staan. Uit deze miniaturen is voor deze uitgave door Jan Paul Hinrichs een ruime keuze gemaakt. Hij tekent ook voor vertaling en nawoord.

Koezmin voelt zich al half vertrokken uit het leven: ‘Ik ben in een toestand alsof ik er niet ben’. Het dagboek leest als het werk van iemand die in de ‘extra tijd’ leeft: hij heeft een spoedige dood aanvaard. Stoïcijns kijkt hij naar de Sovjet-wereld, die ondertussen steeds grimmiger wordt: juist in 1934 treden in de Sovjet-Unie anti-homowetten in werking. Het dagboek ademt een sfeer van onthechting, van observaties tussen leven en dood. Triest of wanhopig is Koezmin nooit, hoogstens licht melancholiek. Koezmin is een man van de goede, nadrukkelijk Europese smaak en cultuur. Eigenlijk verbaast hij zich erover dat veel oude esthetiek nog kan bestaan binnen een totaal overhoop gegooide maatschappij. Subtiel legt het dagboek de cultuurverschillen met de tsaristische tijd vast. Waar hij zelf staat, is duidelijk. Het dagboek bewijst dat Koezmin onafhankelijkheid en geestelijke vrijheid weet te behouden, onder uiterst moeilijke omstandigheden: ‘Een fascistische orde heb ik niet aanvaard, en tegen mijn eigen principes zal ik niet ingaan’."