donderdag 22 september 2016

'Kampgedichten' van Jan de Vries (Recensie)

'KAMPGEDICHTEN' VAN JAN DE VRIES ONTDEKT
Oudgermanist Jan de Vries (1890-1964) staat geboekt als collaborateur ‘op niveau’. Het tribunaal dat hem in 1948 tot internering voor de duur van zijn voorarrest veroordeelde, trok evenwel zijn persoonlijke integriteit niet in twijfel. In in eigen beheer uitgegeven geschriften heeft de Groningse oudgermanist A.D. Kylstra (1920-2009) zich intensief met deze omstreden figuur beziggehouden. Postuum verschijnt nu van Kylstra een onvoltooide biografie van De Vries in de Cahiers uit het Noorden (zie De Parelduiker 2014/2): een op A-4 formaat in minieme oplage op het kopieerapparaat geproduceerde reeks bronnenstudies. Ze worden zonder enige reclame uitgegeven door een collega van Kylstra, de Groningse oud-hoogleraar geschiedenis A.H. Huussen jr. De ondertitel ‘met een reproductie van zijn Kampgedichten’ wekt bevreemding. Deze term, door De Vries zelf gebezigd, lijkt gereserveerd voor gevangenen van de nazi’s. Zelf zat hij in Duitsland en Vught in kampen, maar na de oorlog en in het gezelschap van andere collaborateurs. Kylstra slaat een grimmige toon aan tegen vakgenoten die De Vries onheus zouden hebben behandeld of niet begrepen. In zijn inleiding vereffent Huussen op zijn beurt een rekening met jonge vakbroeders die Kylstra voor vermeende pogingen De Vries te rehabiliteren ‘als een kwajongen’ behandelden. Het voorwoord van Kylstra bevat een dramatische passage: ‘In 1961 ben ik in Utrecht gepromoveerd […]. Toen na het steekspel de hooggeleerde opponenten zich terugtrokken om zich te beraden, draaide ik mij om; ik keek naar het publiek en zag De Vries zitten, uiteraard geïsoleerd, zoals hij ook in de bus werd gemeden. Naast De Vries kon men niet plaatsnemen. Ik stevende op hem af en zei: “Professor, wat vind ik dat fijn, dat U bent gekomen”. Dat heeft mijn naam geen goed gedaan.’ Een schitterende scène: ook de opponenten zullen hebben begrepen wie in de zaal zat. Maar of zij hem wilden zien? Na zijn ontslag als Leids hoogleraar en gevangenschap was De Vries in 1948 in Oostburg als leraar aan de slag gegaan en in totaal isolement beland. Met mannenmoed schreef hij verder aan een internationaal gezaghebbend oeuvre. In Nederland werd hij geboycot maar in 1962 gaf hij nog een gastcollege in Oxford. Weinig bekend is dat Propria Cures in 1913 gedichten van De Vries plaatste. Daarna publiceerde hij schijnbaar geen poëzie meer.  Zijn tot dusverre onbekende, in gevangenschap geschreven gedichten, die Huussen in 2013 als manuscript in een antiquariaat kocht, staan als bijlage in Kylstra’s biografie. Oprecht gemis spreekt uit het gedicht ‘Aan Machteld’, geschreven in 1947 bij het huwelijk van zijn dochter dat hij als gevangene niet kon bijwonen: ‘De bruiloftsdisch was toebereid. / De bruid kwam aangeloopen, / Maar aan den ingang stond zij stil: / Twee plaatsen stonden open. [...] Haar ouderhuis bestond niet meer: / Daarom die plaatsen open.’ Veel gedichten gaan over gevangenschap en dingen in de buitenwereld die herinneren aan ‘’t wonder van het vrije  leven’: pinksterklokken die luiden in de verte, een trein met wuivende mensen die het kamp voorbijrijdt waarin ‘Als raadloos voor een vreemde poort’ gevangenen staan. Reflecties op eigen gemis gaan zelden gepaard met politieke inkeer, al roept De Vries eens uit: ‘Wat hebben wij aan dwaasheid fel beleden!’ Als op het sportveld in het kamp een zelfbewuste jongeman opduikt, kennelijk een Duitser, ontwaakt een Dietse bard in De Vries: ‘Niets is hem meer gebleven / Dan stoere, ijzren wil in zijn stoeren kop.’ Er volgt een bezwerend woord aan Duitsland: ‘Vertwijfel niet, o volk! Te midden van Uw leed / En onderworpenheid aan vreemde wereldmachten / Schrijdt in het vol besef van mannelijke krachten / Het jong geslacht, met schouders sterk en breed’ (Recklinghausen, 12 oktober 1947). Of het vers voor publicatie was bestemd?

 A.D. Kylstra, Jan P.M.L. de Vries (1890-1964): bijdragen tot een biografie met een reproductie van zijn Kampgedichten. Oegstgeest 2014 (Cahiers uit het Noorden; 29). 222 +  98 p. € 10 (Rustenborchdreef 108, 2341 AS Oegstgeest).

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 20 (2015), nr. 4,  pp. 187-188.