ARNOLD HOUBRAKEN EN JACOB VAN RUISDAEL
De schrijver en schilder Arnold Houbraken (1660-1719) publiceerde
met De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en
schilderessen (1718-1721) een
naslagwerk dat nog altijd cruciaal is voor biografisch onderzoek van onze
schilders uit de Gouden Eeuw. Ook literair blijft het interessant: de soepele, kleurrijke
taal en de subtiele roddeltoon, waarmee Houbraken soms de indruk wekt meer te
weten dan hij loslaat, dragen bij aan het effect van zijn woorden. De Groote Schouburgh bevat meer dan
zeshonderd biografieën. Een korte, eeuwenlang steeds opnieuw geïnterpreteerde levensschets
is die van Jacob van Ruisdael (1628/1629-1682), gepubliceerd in 1721 in het postuum
verschenen derde deel van de Schouburgh.
Met weglating van enkele regels over Ruisdaels
schilderijen luidt Houbrakens tekst in moderne vertaling als volgt: ‘Jacob van
Ruisdael, een groot vriend van N. Berchem, was Haarlemmer van geboorte, maar
heeft de meeste van zijn levensjaren in Amsterdam doorgebracht. Zijn vader, die
een ebbenhouten lijsten-maker was, had hem in zijn jeugd de Latijnse taal laten
leren en verder in de wetenschap der medicijnen doen oefenen, waarin hij zo ver
gekomen was, dat hij verscheidene manuele
operaties in Amsterdam met veel roem gedaan heeft. Doch hij is te Haarlem
gestorven in het jaar 1681, en begraven op 16 november, zoals mij uit een der
begrafenisbriefjes gebleken is. […] Zo behoorde hij in […] schilderen tot de
besten. Echter heb ik niet kunnen bemerken dat hij het geluk tot zijn vriendin
gehad heeft. Hij bleef tot het einde van zijn leven ongetrouwd; men zei, om zo
veel meer zijn oude vader van dienst te kunnen zijn. Zijn broer Salomon van
Ruysdael, voor hem al in het jaar 1670 gestorven, was ook een braaf
landschapsschilder.’[1]Vóór Houbraken was er schijnbaar niets over Ruisdael gepubliceerd. Wat was het lot van zijn luttele regels door de eeuwen heen en in hoeverre bepalen ze, direct of indirect, nog altijd het beeld van een van onze grootste kunstenaars?
Schilder in Rome
Het eerste commentaar op Houbrakens Ruisdael-biografie komt
van Jacob Campo Weyerman. In zijn schildersboek van 1729, waarin hij veel aan
Houbraken ontleent, laat hij de opmerkingen over de Amsterdamse operaties (‘dat
wy al zo maklijk konnen gelooven, als gaan onderzoeken’) voor rekening van de
schrijver. Ook verklaart hij Ruisdaels geboorte- en sterfjaar niet te kennen,
waarmee hij aangeeft het door Houbraken opgegeven sterfjaar 1681 niet op
voorhand te vertrouwen.[2] De uitspraak
van de Amerikaanse kunsthistoricus Seymour Slive, auteur van de meest
gezaghebbende studies over Ruisdael, dat Weyerman slechts ‘schaamteloos’
plagieerde, behoeft op dit punt dus wel aanvulling.[3]
Houbraken maakt verder school. A.J. Dézallier d’Argenville,
nu vooral nog bekend om zijn werk over tuinarchitectuur, publiceert in Houbrakens biografie wordt ook overgenomen door J.B. Dechamps in het in 1760 gepubliceerde derde deel van zijn schildersnaslagwerk. Deze voegt wel een kritische noot toe: de vrienden Berchem en Ruisdael hebben altijd in de omgeving van Amsterdam gewerkt en nooit hun land verlaten, hoewel sommige, door hem niet met naam genoemde auteurs – in ieder geval dus Dézallier d’Argenville en Burgess - beweerden dat ze in Rome zijn geweest.[7] Nieuwe zienswijzen op de schilder blijven voorlopig uit, al duiken steeds wisselende geboortejaren op. In 1816 gaat Goethe in zijn opstel ‘Ruysdael als Dichter’ uit van 1635 als het jaar waarin de schilder het levenslicht zag.[8]
Oom Salomon
en neef Jacob
Biografische mededelingen over Ruisdael bleven zo een eeuw
lang vrijwel rechtstreekse overschrijvingen, al dan niet met aanvullingen, van Houbrakens
tekst. Een nieuwe fase in de beeldvorming begint met de Londense kunsthandelaar
John Smith, die voor zijn catalogus van de Nederlandse schilderkunst gebruikmaakt
van dateringen op schilderijen. Voor het eerst speelt onderzoek een zekere rol.
In zijn in 1835 gepubliceerde levensschets betwijfelt Smith of Ruisdael wel geboren
is in 1635, want dat jaartal valt niet te rijmen met in 1645 gedateerde
schilderijen: die kon hij niet op zo’n jonge leeftijd hebben gemaakt. Hij gaat
uit van een geboortejaar rond 1630. Ook trekt hij Houbrakens verhaal over
Ruisdaels medische studie in twijfel: gelet op zijn vele vroege schilderijen
had Ruisdael niet tegelijk schilder en student medicijnen kunnen zijn. In een
variant op Houbraken gaat Smith ervan uit dat Berchem zijn leraar was, al had
een genie als Ruisdael volgens hem weinig instructie nodig.[9]
Het
naslagwerk over Nederlandse kunstenaars van de dichter en boekhandelaar Johannes
Immerzeel uit 1843 bevat in het lemma over Ruisdael een belangrijke toevoeging.
Het bewijs voor Ruisdaels door Houbraken aangevoerde medische activiteiten
vindt Immerzeel in een in In de loop der negentiende eeuw gaat archiefonderzoek een rol spelen. Zou Houbrakens tekst hiertegen bestand blijken? De Navorscher komt in 1863 met opzienbarende gegevens over een huwelijk en kinderen van Ruisdael, die sinds Houbraken als vrijgezel was opgevoerd.[11] Deze gegevens vinden we meteen weer elders terug, zoals in het nog altijd veel geciteerde biografische woordenboek van Van der Aa.[12]
In 1870 is er met de publicatie van het boek Les artistes de Harlem van de medicus A. van der Willigen voor het eerst sprake van een wetenschappelijke studie van Ruisdaels leven. Op grond van documenten van het Haarlemse schildersgilde komt Van der Willigen met een primeur: Jacob van Ruisdael was de zoon van Isaac van Ruisdael; Salomon van Ruysdael was niet zijn broer maar zijn oom. Ook vermeldt Van der Willigen 1682 als sterfjaar van Ruisdael en beweert hij dat diens neef en naamgenoot Jacob van Ruysdael, zoon van Salomon, dezelfde is als degene die Houbraken abusievelijk in 1681 liet sterven. De archiefvondsten over de getrouwde Ruisdael die via De Navorscher wereldkundig werden gemaakt, hadden op deze neef betrekking. Zo kreeg Ruisdael zijn door Houbraken verleende vrijgezellenstatus terug. Wel meent Van der Willigen dat Ruisdael in oktober 1681 op aandringen van Amsterdamse vrienden in het armenhuis in Haarlem was opgenomen.[13]
Tegelijk met Van der Willigen deed de Amsterdamse archivaris P. Scheltema onderzoek naar Ruisdael en diens familie. Houbrakens mededelingen over Ruisdaels medische activiteiten trekt hij in twijfel, omdat zijn naam niet voorkomt in de registers van de chirurgijngilden van Haarlem en Amsterdam. Immerzeels idee van reizen in Duitsland en Zwitserland verwerpt hij, maar hij gaat er wel van uit dat Ruisdael in de grensplaats Bentheim is geweest, aangezien het kasteel van Bentheim op zijn schilderijen voorkomt. Scheltema volgt Houbraken in diens opmerking dat Ruisdael niet erg gelukkig is geweest. Hiermee verbindt hij dan ook diens opname in het armenhuis.[14] Het geboortejaar van Ruisdael bleef een raadsel, totdat in dezelfde tijd Bredius een notariële acte vond, waaruit opgemaakt kon worden dat Ruisdael in 1628 of 1629 geboren moest zijn.[15]
Promotie in
Caen
In Nederland is het onderzoek hiermee voorlopig
afgesloten. Ondertussen krijgt Ruisdael een relatief grote buitenlandse bekendheid
en komt hij vooral in Frankrijk terecht in de sfeer van de publicistiek. Eugène
Fromentin publiceert in 1876
in Les maîtres
d’autrefois een fameus portret van Ruisdael, dat vooral gebaseerd is op
indrukken van zijn schilderijen.[16] De biografische
gegevens gaan deels terug op Van der Willigen, wiens verhaal over Ruisdaels
opname in het armenhuis stof levert voor de beeldvorming van een miskende
kunstenaar. Dit klinkt door in boekpublicaties van Marie de Besneray, Émile
Michel en George Riat, die rond 1900 verschijnen.[17] Geen
van deze Parijse boeken heeft iets aan de studie van Ruisdael kunnen toevoegen.
Maar in Nederland werden vooralsnog geen boeken over de schilder geschreven.
De internationale Ruisdael-literatuur verplaatst zich
eind jaren twintig van Parijs naar Berlijn en krijgt nu een wetenschappelijk
karakter. Kurt Erich Simon promoveert in 1927 op Ruisdaels ontwikkeling als
schilder. In een korte biografie weegt hij alle tot dusverre gepubliceerde
gegevens. Houbrakens opmerking over Ruisdaels grote vriendschap met Berchem –
die zoveel gevolgen had – relativeert Simon: misschien had Houbraken dat alleen
gezegd omdat hij wist dat Berchem schilderijen van Ruisdael stoffeerde. Ook bagatelliseert
hij Houbrakens al eeuwen doorwerkende opmerking dat Ruisdael het geluk niet tot
zijn vriendin had gehad: het zou een algemene weeklacht over de miskenning van
grote kunstenaars kunnen zijn.[18]Simon was niet de enige in Berlijn met belangstelling voor Ruisdael. Een jaar later verschijnt van Jakob Rosenberg een catalogus van Ruisdaels oeuvre. Nieuwe biografische gegevens staan er niet in, maar op grond van dateringen van schilderijen introduceert Rosenberg het begrip ‘Wanderjahre’, waarmee Ruisdaels reizen naar het Nederlands-Duitse grensgebied rond Bentheim worden bedoeld. Hij plaatst deze periode in de jaren 1650-1655, maar geeft ook aan dat ‘Wanderjahre’ een relatief begrip is, omdat Ruisdael in deze tijd volgens hem in Haarlem bleef wonen.[19] Toch is dit begrip, ter aanduiding van reizen waarover we niets weten, een eigen leven gaan leiden, tot op de dag van vandaag.[20]
Uiteindelijk komt de belangrijkste biografische studie over Ruisdael uit Nederland. De jurist H.F. Wijnman publiceert in 1932 het best gedocumenteerde artikel over Ruisdael en zijn familie waarover we beschikken. Weer speelt archiefonderzoek een beslissende rol. Wijnman toont aan dat Ruisdael redelijk bemiddeld was en dat niet hij, maar zijn gelijknamige neef in het armenhuis in Haarlem is gestorven. De mythe van de arme schilder, die in vele sinds Van der Willigen verschenen publicaties opduikt, blijkt dus nergens op gebaseerd. Houbrakens opmerking over Ruisdaels gebrek aan geluk is na twee eeuwen uitgewerkt. Tegelijkertijd bezorgt Wijnman Houbraken een onverwachte en spectaculaire rehabilitatie. Hij accepteert diens uitlatingen over medische activiteiten en vindt een bron die dat ondersteunt: de inschrijving in een Amsterdamse naamlijst van geneesheren door ene ‘Jacob Ruijsdael’ die in
Tentoonstellingen
Ruisdael was in Nederland al lang met talloze straatnamen
verbonden voordat er een tentoonstelling aan hem werd gewijd. Dat gebeurde in 1981 in het Mauritshuis. De
catalogus vormt – drie eeuwen na zijn dood – de eerste echte boekpublicatie in ons
land over Ruisdael. De tekst is grotendeels geschreven door Seymour Slive, een leerling
van Jakob Rosenberg, door wiens emigratie het zwaartepunt van de
Ruisdael-studie verhuisde van Berlijn naar de Verenigde Staten. Nieuwe biografische
gegevens ontbreken.[23] Hetzelfde
geldt voor een catalogus van Ruisdaels complete oeuvre, als vervanging van
Rosenbergs catalogus uit 1928, die Slive in 2001 publiceerde.[24] Slive neemt
Wijnmans materiaal over, inclusief Rosenbergs romantische concept van de
‘Wanderjahre’, maar geeft over de medische kwestie geen definitief oordeel. Nieuwe
Ruisdael-tentoonstellingen veranderen weinig aan de situatie: ondanks de toename
in aandacht voor Ruisdaels oeuvre ligt de studie van zijn leven sinds Wijnmans
artikel uit 1932 feitelijk stil. [25]
Een bron voor Ruisdaels biografie vormen incidenteel zijn
schilderijen, etsen en tekeningen, vooral voor zover ze gedateerd zijn, topografische
kenmerken hebben of door anderen zijn gestoffeerd. Zo mogen we aannemen dat hij
behalve Haarlem en Amsterdam onder andere Alkmaar, Muiderberg, Egmond aan Zee
en Rhenen kende. Nog in 1979 werd Ootmarsum op een schilderij herkend.[26] De biografisch
gezien meest ingrijpende identificatie van een door Ruisdael geschilderde
plaats blijft die van het kasteel van Bentheim. De datering 1651 op een van de
schilderijen geeft een indicatie voor het tijdstip van een reis daarheen. De
gedetailleerdheid van zijn schilderijen sluit elke twijfel uit. Deze reis is vaak
in verband gebracht met Berchems tekening van het kasteel uit 1650.[27]
Houbrakens opmerking over de vriendschap tussen Ruisdael en Berchem werkt hier onverminderd
door, hoewel er geen bewijs is dat Ruisdael en Berchem samen in Bentheim zijn
geweest. Tegelijkertijd gaat niemand er nog van uit, zoals in de negentiende eeuw gebeurde, dat Ruisdael in Noorwegen of Zweden is geweest. De talloze watervallen die hij schilderde, worden in de vakliteratuur gezien als nawerking van schilderijen van Allart van Everdingen, die wel aantoonbaar in Scandinavië is geweest.[28] Stilistische oordelen fungeren hier als de fragiele vervanging voor afwezige biografische gegevens.
Besluit
Het ontbreken van enige andere gezaghebbende bron lijkt er
de oorzaak van te zijn dat Houbrakens schijnbaar losjes opgeschreven biografie
tot op de dag van vandaag zo’n unieke rol speelt. Ontdoet men zijn tekst, in
het begin geciteerd, van alles wat niet onomstotelijk vaststaat, dan blijft volgens
de huidige stand van zaken deze biografie over: ‘Ruisdael is in Haarlem geboren
als zoon van een lijstenmaker. Hij heeft in Haarlem en Amsterdam gewerkt. Hij
bleef vrijgezel en is begraven in Haarlem.’
Veel verder zijn we nog altijd niet. Daarom blijft
Houbrakens tekst, ondanks aantoonbare onjuistheden en alle verwarring die erdoor
is veroorzaakt, nog steeds een uitgangspunt voor verdere studie. Voor een volwaardige
biografie is er geen materiaal. Zo is nooit achterhaald wanneer Ruisdael geboren
is, wie zijn moeder was, bij wie hij in de leer was, wanneer hij uit Haarlem
naar Amsterdam is verhuisd en waar hij is gestorven. Geen brief, portret of
zelfportret is boven water gekomen, noch beschikken we over uitlatingen over de
schilder en zijn werk die tijdens zijn leven door derden zijn gedaan. Vrijwel
alle informatie over Ruisdael stamt uit gemeentelijke en notariële akten die,
mede doordat hij nooit trouwde en kinderen kreeg, spaarzaam voorhanden zijn en
weinig informatie over hem zelf bieden. Over de persoon die hij was, valt nog
altijd vrijwel niets te zeggen zonder in speculaties te vervallen.De Duitse en Amerikaanse kunsthistorici die de studie van Ruisdaels werk sinds Simons Berlijnse dissertatie domineren, hebben vermoedelijk geen archiefonderzoek in ons land gedaan. In ieder geval kennen we daar geen resultaten van. Wijnmans gegevens worden zo gewillig overgeschreven, net als Houbrakens mededelingen in vroegere tijden, dat sprake lijkt van een stilzwijgend afgedane zaak. Enige alertheid lijkt dan geboden: zouden archieven en oude publicaties werkelijk geen aanvullingen in petto hebben?[29]
Ik wil hier één suggestie doen. Houbrakens biografie geldt al eeuwen als de eerste publicatie over Ruisdael, maar reeds in 1697 verscheen van Hieronymus Sweerts (1629-1696) een gedicht getiteld ‘Op J.R.’:
Jaacq zeid, Se mey
de zoop, om dat son ingewant,
Zo kryg die brul die brant,
En Jaacq roept t’elkens, Rut, breng noch de half je boven:
Mach Jaacq syn eigen mont dan langer wel geloven?[30]
Zo kryg die brul die brant,
En Jaacq roept t’elkens, Rut, breng noch de half je boven:
Mach Jaacq syn eigen mont dan langer wel geloven?[30]
Het is niet geheel ondenkbaar dat Sweerts hier over
Ruisdael schrijft, want de initialen en de voornaam stemmen overeen. Bovendien
gaat het om een persoon die hij kende en die kennelijk een verdieping hoger
woonde. Ook dat zou op Ruisdael kunnen wijzen, want deze huurde ooit een kamer
boven Sweerts’ winkel met kaarten en boeken op de Dam, op de plaats waar nu
Madame Tussauds zit.[31]
Jan Paul Hinrichs
[1] Arnold
Houbraken, De Groote Schouburgh der
Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 1718-1721. 3 dln. Amsterdam,
1976. Reprint van de tweede, herziene druk, dl. 3. ’s-Gravenhage, 1753, p.
65-66.
[2] Jacob Campo
Weyerman, De levens-beschryvingen der
Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen. Met een uytbreyding over
de schilder-konst der Ouden, dl. 2. ’s-Gravenhage, 1729, p. 385.
[3] Seymour Slive, Jacob van Ruisdael: Master of Landscape.
London, 2005, p. 24.
[4] Antoine Joseph
Dézallier d’Argenville, Supplement à
l’abrégé de la vie des plus fameux peintres […], dl. 3. Paris, 1752, p. 150-152.
[5] Zie Pieter
Biesboer, ‘Nicolaes Pietersz Berchem, meester-schilder van Haarlem’. In: Pieter
Biesboer [e.a.], Nicolaes Berchem. In het
licht van Italië. Haarlem,
2006, p. 23.
[6] James Burgess, The lives of the most eminent modern
painters […]. London, 1754, p. 114-116.
[7] J.B. Deschamps, La vie des peintres flamands, allemands et
hollandais […], dl. 3. Paris, 1760, p. 9-12.
[8] J.W. von Goethe, Werke, dl. 12. München, 1981, p.
138-142.
[9] John Smith, A catalogue raisonné of the works of the
most eminent Dutch, Flemish, and French painters […], dl. 6. [s.l.], 1835,
p. 1-6.
[10] J. Immerzeel,
De levens en werken der Hollandsche en
Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters […], dl. 3.
Amsterdam, 1843, p. 41-43.
[11] De Navorscher 13 (1863), nr. 9, p. 273.
[12] A.J. van der
Aa, Biographisch woordenboek der
Nederlanden […], dl. 16. Haarlem, [z.j.], p. 554-556.
[13] A. van der
Willigen, Les artistes de Harlem: notices
historiques avec un précis sur la gilde de St. Luc. Haarlem, 1870, p.
253-261.
[14] P. Scheltema,
Aemstel’s oudheid of gedenkwaardigheden
van Amsterdam, dl. 6. Amsterdam, 1872, p. 97-112.
[15] A. Bredius,
‘Het geboortejaar van Jacob van Ruisdael’. In: Oud-Holland 6 (1888), p. 21-24.
[16] Eugène
Fromentin, Oeuvres complètes. Paris,
1984, p. 695-704.
[17] Marie de Besneray, Les
grandes époques de la peinture: Le Poussin – Ruysdaël – Claude Lorrain.
Paris, 1885; Émile Michel, Jacob van Ruysdael et les paysagistes de l'école
de Harlem. Paris, 1890; Georges Riat, Ruysdael: biographie critique.
Paris, [1905?].
[18] Kurt Erich
Simon, Jacob van Ruisdael. Eine Darstellung seiner Entwicklung. Berlin,
1927.
[19] Jakob
Rosenberg, Jacob van Ruisdael. Berlin,
1928, p. 33.
[20] Seymour Slive, Jacob van Ruisdael. Master of Landscape,
2005, p. 5.
[21] H.F. Wijnman,
‘Het leven der Ruysdaels’. In:
Oud Holland 49 (1932), p. 49-60,
173-181, 258-275.
[22] Zie K.E.
Simon, ‘”Doctor” Jacob van Ruisdael’. In: The
Burlington Magazine for Conoisseurs 67 (1935), p. 132-135; W. Stechow, Dutch landscape painting of the seventeenth
century. London, 1968, p. 139; E. John Walford, Jacob van Ruisdael and the perception of landscape. New Haven,
1991, p. 11.
[23]
Seymour Slive & H.R. Hoetink, Jacob van
Ruisdael. Amsterdam,
1981.
[24] Seymour Slive, Jacob
van Ruisdael: a complete catalogue of his paintings, drawings and etchings. New Haven, 2001.
[25] Zie Martina
Sitt & Pieter Biesboer (red.), Jacob van Ruisdael. De revolutie van het
Hollandse landschap. Zwolle, 2002; Seymour Slive, Jacob van Ruisdael. Master of Landscape, 2005; Quentin Buvelot, Jacob
van Ruisdael schildert Bentheim.
Den Haag, 2009.
[26] Zie Z. Kolks,
‘Ruisdael’s gezicht op Ootmarsum’. In: 't Inschrien 11 (1979), p. 21-24.
[27] Seymour
Slive, Jacob van Ruisdael. Master of Landscape,
2005, p. 5.
[28] Seymour Slive, Jacob van Ruisdael. Master of Landscape,
2005, p. 4.
[29] Op basis van
nieuw onderzoek mag in ieder geval de juistheid in twijfel worden getrokken van
Houbrakens verhaal over de medische activiteiten van Ruisdael dat via Wijnman
geloofwaardig is gemaakt. Zie Jan Paul Hinrichs, ‘Nogmaals over een oud raadsel:
Jacob van Ruisdael, Arnold Houbraken en de Amsterdamse naamlijst van
geneesheren’. In: Oud Holland 126
(2013), nr. 1, p. 58-61.
[30] Hieronymus
Sweerts, Alle de gedichten. Amsterdam, 1697, p. 113.
[31] W.F.H.
Oldewelt, Amsterdamsche archiefvondsten.
Amsterdam, 1942, p. 166.
| Eerder gepubliceerd in Nieuw Letterkundig Magazijn 31, nummer 2 (2013), pp. 60-65.
Klik op het label hieronder voor een overzicht van meer berichten over Jacob van Ruisdael op deze blog.
| Eerder gepubliceerd in Nieuw Letterkundig Magazijn 31, nummer 2 (2013), pp. 60-65.