zondag 31 december 2023

Leo Mietus: Ecce homo (Recensie)

DE PREEK DIE A. MARJA NIET HIELD

A. Marja, pseudoniem van dichter en schrijver Arend Theodoor Mooij (1917-1964), is eerder herinnerd door ‘practical jokes’ dan door zijn werk. De autobiografische roman Snippers op de rivier (1941) kreeg een paar herdrukken en uitgeverij Kleine Uil bracht in 2008 nog een keuze uit zijn gedichten uit, maar verder moest hij het hebben van uitgaven van de marginale Sjaalmanpers in de jaren tachtig. Het was de tijd dat Wim Hazeu een biografische schets schreef, A, Marja, dichter en practical joker (Stabo 1985). Decennia later tekent Hazeu ook voor het voorwoord bij Ecce homo, een boekje over Marja door Leo Mietus (1958), docent aan het Seminarium van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Amsterdam. Daarmee zijn we dicht bij huis, want Marja was de zoon van de vrije evangelische predikant ds. M.J. Mooij en kleinzoon van ds. Arend Mooij die aan de wieg van de Bond stond. Het smaakvol vormgegeven en zorgvuldig verantwoorde boekje maakt van de anecdotische Marja ineens een serieus onderwerp. De aanleiding is verrassend, zo niet onthullend. Marja zocht eind 1963 contact met een ooit met zijn vader bevriende dominee in Heerde met het doel aldaar belijdenis te doen en een preek te houden. Hij stierf begin 1964 en de preek bleef onvoltooid liggen. Mietus bezorgt de tekst en plaatst Marja in de geloofssfeer van zijn familie en omgeving, met een hoofdrol voor ‘rode’ dominee J.J. Buskes. Hij laat Marja in zijn waarde als man die niets van hoogdravende kerkelijke stellingen moest hebben, niet geloofde in het hiernamaals, worstelde met zijn geloof, maar die, naar eigen zeggen, ‘zoiets als “de eeuwigheid” in een flitsend moment ervaren kon.’ De preek van Marja gaat over de oudtestamentische richter Simson: een ‘barbaarse doordrijver en dwarszitter’. Marja, die gebukt ging onder de vroege dood van zijn moeder en nooit helemaal volwassen werd, lijkt het via Simson vooral over zichzelf te hebben: ‘op het eerste gezicht is hij veel meer het opstandige type, dat nu eindelijk wel eens van de pappot en het verlammende gezeur af wil zijn en zijn eigen leven leiden. [..] Maar als de volwassenheid is aangebroken [..] begint het gedonder en het begint meteen goed.’ Achteraf lijkt Marja, met de dood in zicht, iets te hebben willen verwezenlijken waartoe hij als zoon uit een domineesclan eigenlijk was voorbestemd: voorganger zijn. Dit voorbeeldige boekje maakt duidelijk welke ernst achter zijn grollen schuilt.

Leo Mietus, Ecce homo. A. Marja’s zoektocht naar een authentieke vorm van geloven en zijn onvoltooide preek over Simson. Bennekom: Stichting Seminarium Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland, 2022. 72 pp. € 17,50 (info@bondveg.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 27 (2022), nr. 5, pp. 76-77.

Manès Sperber: De waterdragers van God (Recensie)

AUTOBIOGRAFIE VAN MANÈS SPERBER

Uitgeverij Van Maaskant Haun komt met een gedurfd initiatief: de publicatie in drie delen van Alles wat voorbij is, de autobiografie van de Duitstalige Joodse schrijver Manès Sperber (1905-1984). Sperber komt uit Habsburgs Galicië, het land van Joseph Roth. Het eerste deel, De waterdragers van God (1974), gaat over Sperbers kinderjaren in het joods-orthodoxe milieu van het stadje Zabłotów (nu Zablotiv in het Oekraïense district Ivano-Frankivsk), waarvan de Joodse bevolking in de Tweede Wereldoorlog is uitgemoord. De slagschaduw van de geschiedenis is alom vertegenwoordigd: ‘In het huidige Zabłotów zijn er geen graven meer die aan hen die uitgeroeid zijn, geen begraafplaatsen meer die aan hun voorouders herinneren; de stadsarchieven zijn verdwenen, waarschijnlijk verbrand.’ Sperber, zelf afkomstig uit een tamelijk welgestelde familie, schetst het bekende beeld van modder en armoede in een sjtetl: ‘Kledingherstellers en schoenlappers waren de ambachtslieden die het meeste werk hadden; zonder hen zouden veel kinderen naakt en ook ’s winters op hun blote voeten hebben moeten rondlopen.’ Het geloof in de Messias houdt de steeds maar biddende gemeenschap op de been. Kinderen uit arme milieus zijn in het stadje aan de Proet seksueel al vroeg rijp. De mannen zwemmen, oud en jong, in de zomer naakt in de rivier, en kinderen slapen met hun ouders in één bed en zijn getuige van de geslachtsdaad: ‘Ja, de arme kinderen van de sjtetl – en arm waren ze  bijna allemaal – deden al heel vroeg inzichten en ervaringen op waardoor ze sommige dingen beter begrepen dan veel welgestelde kinderen die later psychoanalyticus zouden worden…’

Sperber schrijft zijn meeslepende boek nadrukkelijk als psychoanalyticus (Alfred Adler was zijn leermeester) en beschouwt zichzelf als object voor zelfstudie: ‘Nog niet zo lang geleden – ik was pas zestig geworden – wist ik opeens zeker dat ik het gezicht dat ik ten minste één keer per dag in de spiegel ontmoet als een vreemd gezicht ervaar.’ Al jong begrijpt Sperber dat dingen anders zijn dan ze lijken: ‘En het is waar, een kind van de Joodse sjtetl leerde al heel jong dat de intonatie waarmee je praat meer zegt over de betekenis dan de woorden zelf.’ In 1916 verhuist de familie naar Wenen en vervalt in bittere armoede. De leergierige en nieuwsgierige Sperber krijgt aansluiting bij zionistische padvinders en Oostenrijkse marxisten. Maar de binnenlaag van het verhaal is hier belangrijker: Sperber redeneert over schijn en werkelijkheid, simulering en leugens. In uitgesproken intellectueel proza analyseert Sperber zichzelf, laat de mogelijkheid open dat hij betekenis toekent aan dingen die ze vroeger nooit hadden of dat zijn herinnering iets vervalst. Sperber is een modernistisch auteur: hij biedt inkijkjes in zijn werkplaats, treedt uit zijn boek door zelf een paar bladzijden terug te bladeren, of andere boeken van zichzelf te citeren. Na deze analyse vertrouw je geen enkele autobiografie meer, zelfs niet die van Sperber die de lezer ook genoeg argumenten aandraagt om hem te wantrouwen. De lezer misleidt ook zichzelf: hij denkt onwillekeurig over een jongeman te lezen, maar Sperber is nog een jongen van twaalf die Dostojevski leest en met marxisten in het café zit. We kijken uit naar deel twee en drie. Misschien volgt ook nog een nawoord?

Manès Sperber, De waterdragers van God. Alles wat voorbij is, 1 (vert. Jan Bert Kanon). Zorgvlied: Van Maaskant Haun, 2022. 237 pp. € 22,99 (uitgeverijmh@kpnmail.nl

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 27 (2022), nr. 5, pp. 75-76.

zaterdag 16 december 2023

Interview in Bulgaars maandblad "Koeltoera" (Sofia)

INTERVIEW IN BULGAARS MAANDBLAD KOELTOERA (SOFIA)

Van 1 tot 22 september 2023 verbleef ik in Sofia als gast van de Next Page Foundation, een organisatie die in samenwerking met de Gemeente Sofia een schrijvershuis beheert. Gedurende dit verblijf werd ik geïnterviewd door Olja Stojanova, dichteres en hoofdredacteur van de nationale radiocultuurzender 'Christo Botev' . Dit interview verscheen in november 2023 in het maandblad Koeltoera

| Zie Olja Stojanova,  "Jan Paul Chinrichs. Za Sofija kato literaturen grad", Kultura, nr. 9 (3002), november 2023, pp. 34-36. = Оля Стоянова, "Ян Паул Хинрихс. За София като литературен град", Култура, бр. 9 (3002), ноември 2023, стр. 34-36.  [https://kultura.bg/issue/kultura-20231216114851.pdf]. 



donderdag 7 december 2023

Schoon & haaks [afl. 47]

SCHOON & HAAKS [AFL. 47]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zevenveertigste aflevering (2023, nr. 5) staan recensies van de volgende boeken:


·        Bob Polak, Bij het dagboek van Max de Jong. Leiden: Fragment, 2023.

·        F.C. Terborgh, Wat ik geloof. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2023.  

·        Sergej Jesenin, Rauwdouwgedichten. Vert. Arie van der Ent. Rotterdam: Woord in blik, 2023.

·        Martine Cuyt, Ware vrienden. Frans Claessens en Willem Elsschot. Antwerpen: Willem Elsschot Genootschap, 2022.

·        J.J. Voskuil, Een stille, mensenschuwe jongen. Haarlem: Korenmaat, 2023.

 

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 28 (2023), nr. 5, pp. 75-80.