dinsdag 20 november 2018

Schoon & haaks [afl. 22]

SCHOON & HAAKS [AFL. 22]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de tweeëntwintigste aflevering (2018, nr. 5) staan recensies van de volgende boeken:

·   Joeri Kazakov, Teddy. De geschiedenis van een beer. Vert. Monse Wijers. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2018.

·   Lloyd Haft, Intocht. Gedichten. [s.l.:] American Book Center, 2018.

·   Jack Spicer, Citroenen, gedichten en zeewier. Vert. Jan H. Mysjkin. Bleiswijk: Vleugels, 2018.

·   André Gide, De onzorgvuldig geketende Prometheus. Vert. Hannie Vermeer-Pardoen. Bleiswijk: Vleugels, 2018.

·   Hein van Stekelenburg, Moos Cohen 1901-1942. De vruchten rijpen: of ik rijpen zal? Amsterdam: De Friedesche Molen, 2018.

·   Xavier Tricot, James Joyce in Ostend. Koekelare: Devriendt, 2018.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 23 (2018), nr. 5, pp. 70-75.

zaterdag 3 november 2018

Théophile Gautier: Mijn eigen dierentuin (Recensie)

THÉOPHILE GAUTIER OVER HUISDIEREN
 
Frans Erens spreekt in het boven besproken Spanje-boek over het ‘gedistingeerde sentiment en wazige zilverte’ van de prozastijl van de Franse auteur Théophile Gautier (1811-1872). Het eerste wat opvalt in Mijn eigen dierentuin, de door De Wilde Tomaat uitgegeven vertaling van Ménagerie intime (1869), is wel de uitmuntende stijl die ook in vertaling tot haar recht komt. Gautier houdt onpretentieuze, onderhoudende en vaak ontroerende causerieën over dieren uit zijn leven: honden en katten, maar ook kameleons, eksters en paarden. Het draait hier steeds om verstandhouding: wat mogelijk is als mens en dier elkaar vertrouwen. Vooral honden en katten tonen dan goede manieren en verantwoordelijkheidsgevoel: een hond vlucht weg van huis en verdwijnt als hij beseft ziek te zijn, omdat hij bang is zijn baasjes te gaan bijten. Gautier benadert dieren vooral als verstandige wezens: een kat zal ‘nooit iets voor u willen doen wat hij onredelijk vindt.’ Dramatisch is het verhaal van een tamme rattenfamilie die bij hem thuis omkwam door een bliksemschicht: ‘Hun ijzeren kooi was hen noodlottig geworden. Zo stierven de tweeëndertig Noorse ratten zoals ze hadden geleefd. Samen. Een benijdenswaardige dood die ons door het lot zelden deelachtig wordt.’

Théophile Gautier, Mijn eigen dierentuin. Vert. Antonia Bolweg. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017. 67 pp. € 12,50 (Overtoom 387-hs, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, p. 75.

A. Roland Holst: A Winter by the Sea (Recensie)

ENGELSE VERTALING VAN A. ROLAND HOLST
 
Roger Kuin (1941) studeerde in Amsterdam en Oxford en belandde op York University, Toronto, waar hij decennia Engelse renaissanceliteratuur doceerde. Zijn belangstelling voor Adriaan Roland Holst (1888-1976) dankt hij aan F.P. Huygens, zijn leraar Nederlands op het Wassenaarse Rijnlands Museum. Hij bezocht de dichter in 1963 in Bergen, maar kwam er pas in 2015 toe Een winter aan zee (1937) in het Engels te vertalen. Aldus Kuin in een verklaring op de website van uitgever Ian Jackson uit Berkeley, waarop ook een brief van Roland Holst aan hem facsimile is gereproduceerd. De prospectus, die gewaagt van ‘de uitdaging van het dichtwerk dat hem zijn hele leven heeft achtervolgd’, maakt duidelijk dat dit vertaalwerk een roeping is. In zijn voorwoord noemt Kuin Roland Holst onze grootste dichter van de twintigste eeuw. Dat mag hij vinden, maar de receptiegeschiedenis duidt er niet op dat velen het met hem eens zullen zijn: de laatste uitgave van Een winter aan zee stamt ook alweer uit 1997. Antiquarisch naderen Roland Holsts bundels inmiddels de oud papierprijs. Over de grens moet hij het doen met Franse vertalingen uit de jaren vijftig en zestig en een Russische deelvertaling van Een winter aan zee uit 1977. Voor zover ik weet, is A Winter by the Sea de eerste boekuitgave in het Engels: een elegant boek dat naast de vertaling de handgeschreven tekst uit een manuscript van Roland Holst uit het Literatuurmuseum afdrukt. De vertaling omvat alle 63 achtregelige gedichten, waarin Kuin vaak dicht bij het origineel blijft. Dat valt des te meer op, omdat hij ook nog hetzelfde metrum en rijmschema aanhoudt. Het resultaat klinkt alleszins overtuigend en ogenschijnlijk vaak zelfs helderder dan het origineel. Zo redt Kuin zich prachtig uit ‘Hart, oude herberg, waar’: ‘Heart, ancient inn, where still / her passage lives in tales / of beauty and of peril… / Her dreams come in, limping, / when day to twilight pales, / looking for warmth and drink: monarchs in rags, muttering / late as the heart-flames sink.'

A. Roland Holst, A Winter by the Sea. Vert. Roger Kuin. Berkeley: Ian Jackson, 2017. 148 pp. 250 ex. $ 36 (ianjacksonbooks.com).
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, pp. 73-74.

Frans Erens: In Spanje (Recensie)

FRANS ERENS IN SPANJE EN WÜRZBURG
 
Mr. Frans Erens (1857-1935) reisde in mei 1894 met de schilderende vader en zoon Jozef (1824-1911) en Isaäc (1865-1934) Israëls naar Spanje. Jozef deed in 1899 verslag in het reisboek Spanje, een reisverhaal dat in 1989 is heruitgegeven. Stichting Os Moddersproak herdrukt het boek opnieuw als In Spanje, met Frans Erens. Bezorger Jean Frins voegt Erens’ recensie van het boek uit 1899 toe, alsmede zijn exposé over Israëls junior uit Litteraire wandelingen (1906) en zijn eigen Spaanse reisschetsen uit de tweede druk van Vervlogen jaren (1958). Het gaat om een collage van reeds verspreid beschikbare zaken, waarvan Erens’ Spaanse schetsen het aardigst blijven: ‘Het ernstige discrete en stille is een karaktertrek der Spanjaarden. In de grote koffiehuizen of op straat heb ik in Madrid nooit horen lachen, veel minder schreeuwen. […] De Hollandse studentikoziteit en joligheid zijn helemaal niet te vinden. […] Verkeerd van de Spanjaard is, dat hij de vreemdeling dikwijls uitlacht, maar zijn lach is stil, het is steeds de lach van een diplomaat. Hij heeft daarin een overeenkomst met de Hollander; doch, als een Hollander de vreemdeling uitlacht is zijn lach niet die van een diplomaat.’ Zo’n uitgave houdt de formidabele schrijver Erens actueel.  
     Nog meer gebeurt dat in De burgemeester, een bloemlezing ongebundelde De Nieuwe Gids-bijdragen van Erens uit de jaren 1892-1929. Hoogtepunt is de weemoedige schets uit 1922 van Würzburg, waarover  de ‘trieste sluier’ van ‘Duitsland-na-de-oorlog’ hangt. De Limburgse aristocraat en fijnproever neemt ons verleidelijk mee uit eten: ‘Ga naar dat restaurant in dat oude afgelegen straatje, met dat ijzeren gesmede uithangbord. Ga die kleine deur binnen, gij moet nog een trede dieper afdalen […]. Sneeuwwit tafellaken glanst u tegen en het kristal flikkert in het schemerig gedempte licht […]. ’ Het titelverhaal bevat een portret van een corrupte Limburgse burgervader, omgeven door profiteurs. Erens doet hier wat opgelegd leuk, maar hij publiceerde het verhaal in 1912 dan ook onder het pseudoniem Richard Savels. Pas na zijn dood bleek dat hij de auteur is.
     Onverminderd gewenst blijft een nieuwe, weloverwogen editie van Erens’ nagelaten klassieker Vervlogen jaren, waarvan de liefhebber nog altijd drie drukken (de laatste van 1989) in bezit moet houden die hemelsbreed van elkaar verschillen. Frins classificeert Harry G.M. Prick, de bezorger van twee van deze uitgaven, als ‘de verdienstelijke publicist en Tachtiger-vorser’. Het verhaal ‘De burgemeester’ wilde deze niet heruitgeven, omdat de ‘vilein-satirische tekst’ niet paste ‘in het door Prick van Erens opgeroepen beeld’. Toch wil ik Pricks tekstuele en literair-historische voetnoten aanbevelen aan Frins, die ten behoeve van ‘leerlingen van middelbare scholen’ zelf vooral grossiert in Wikipedia-achtige verklarende voetnoten over gemeengoed, tot over de Rhône aan toe. Of lezen onze scholieren tegenwoordig weer Erens, maar kennen ze zo’n rivier niet?

Jozef en Isaäc Israëls, In Spanje, met Frans Erens. 2017. 189 pp. € 12,50. Frans Erens, De burgemeester. Bloemlezing van ongebundeld gebleven teksten uit De Nieuwe Gids. 2017. 88 pp. € 10 (Uitgaven van Os Moddersproak, Brikkebekker 10, 6372 DP Landgraaf fanmoddersproak@yahoo.com)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, pp. 74-75.

Een sollicitatie van J. van Oudshoorn

EEN SOLLICITATIE VAN J. VAN OUDSHOORN
 
J. van Oudshoorn (1876-1951) scheidde zijn schrijverschap strikt van zijn privépersoon, de onkreukbare Haagse rijksambtenaar en ridder in de orde van Oranje-Nassau Jan Koos Feijlbrief. Hij deed alsof het twee personen waren en schreef als Feijlbrief over Van Oudshoorn in de derde persoon. Toen hij op 12 februari 1946 wegens vermeende collaboratie als Feijlbrief en niet als Van Oudshoorn, zoals hij gewild had, voor de Ereraad voor Letterkunde verscheen, verklaarde hij volgens het verslag dat hij ‘altijd geweigerd heeft die beide namen met elkaar in verband te brengen. Hij heeft ze altijd streng gescheiden gehouden om zijn totaal onbesmette naam Feijlbrief buiten elk literair geding te houden.’ Hij verklaarde zelfs dat hij zich als Van Oudshoorn voor de Kultuurkamer had willen melden, ‘wat helaas niet ging omdat men voor Van Oudshoorn natuurlijk moeilijk het ariërformulier kon gaan invullen.’ Het is nogal curieus dat de al jaren gepensioneerde Feijlbrief in 1947 als Van Oudshoorn solliciteerde naar een baantje bij de Volkstelling. Vermoedde hij dat de tot een kort publicatieverbod veroordeelde Feijlbrief bij het ministerie van Binnenlandse Zaken op een zwarte lijst stond? In het derde cahier van zijn dagboek, waarin aantekeningen in alfabetische volgorde in de vorm van lemma’s staan, maakte hij van deze sollicitatie het nagekomen lemma ‘Oudshoorn ( J. van –)’. Hierbij staat als enige tekst in potlood: ‘zie bijliggende briefkaart vh Ministerie van Binnenl. Zaken’. De ware tekst zit in een voorgedrukt afwijzingskaartje, gericht aan ‘J. van Oudshoorn, v. Imhoffplein 17’, door Van Oudshoorn zelf gedateerd 13 augustus 1947, dat met een paperclip is bijgevoegd. De personeelsdienst van het Ministerie meldt: ‘Naar aanleiding van Uw sollicitatie naar een functie bij de Volkstelling deel ik U mede, dat U tot mijn spijt hiervoor niet in aanmerking kunt worden gebracht. De Directeur van de Centrale Personeelsdienst, D.W. Walkate’. Van Oudshoorn schreef er met potlood onder, blijkbaar ten gerieve van een latere onderzoeker: ‘van Oudshoorn had om wat gewoon schrijfwerk verzocht’.  Maar klerkenwerk was iets voor oud-kanselier Feijlbrief, niet voor auteur Van Oudshoorn! Het kaartje vol wrange ironie, dat Wam de Moor in bezit had, maar in zijn Van Oudshoorn-biografie (1982) onvermeld laat, is facsimile los bijgevoegd bij Dagboek 1934-1943 (met ook enkele fragmenten van na 1943, vandaar dit kaartje) dat zojuist verscheen bij de Statenhofpers. In de tekst van het boek ontbreekt dit unieke lemma dat hier alsnog verschijnt.

J. van Oudshoorn, Dagboek 1934-1943. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 132 pp. 75 ex. € 90 (Frederik Hendriklaan 6, 2582 BB Den Haag info@statenhofpers.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, pp. 72-73.

C.O. Jellema: Herinnering verschoont (Recensie)

C.O. JELLEMA OVER JOHANNES BOBROWSKI EN ZICHZELF
 
Dichter en essayist C.O. Jellema (1936-2003) is stamgast van deze rubriek: er komt ook geen eind aan de stroom uitgaven die biograaf en literair erfgenaam Gerben Wynia bij steeds wisselende kleine uitgevers onderbrengt. De KB-catalogus registreert alleen al over de afgelopen zeven jaar zo’n twintig boekjes: een spectaculair aantal voor een auteur die nooit ruime bekendheid heeft gekend.  Nu drukt antiquariaat Hinderickx & Winderickx van René Hesseling een fraaie tweetalige vertaling van gedichten van Johannes Bobrowski (1917-1965): een DDR-coryfee die, afkomstig uit Oost-Pruisen, de Tweede Wereldoorlog als Wehrmachtsoldaat in het Baltische gebied meemaakte. Zijn gedichten interpreteren het met Duitse schuld beladen bosrijke landschap dat voor hem ook een dierbare jeugdherinnering was. Het resultaat is een genuanceerde, niet extravagante maar toch ook verre van lichte poëzie van een dichter die, behalve in de DDR, ook legaal in West-Duitsland publiceerde. Jellema’s Verzameld werk. Gedichten (Querido, 2005) bevat tien gedichten van Bobrowski in vertaling. Stroom en woud bundelt acht andere gedichten: twee die in De Gids stonden en zes ongepubliceerde vertalingen. Het aangrijpendste gedicht is ‘Kaunas 1941’, een herinnering aan de moord op duizenden joden waarvan Bobrowski als soldaat getuige was: ‘De grauwe kolonnes  / – grijsaards en dikwijls de jongens – / sterven daar. De helling / lopen zij op, voor de jakkerende wolven uit.’
      Toen ik voor het stedenboek Trefpunt Riga (Bas Lubberhuizen, 2017) over Bobrowski schreef, had ik helaas nog niet de beschikking over de zojuist verschenen vierdelige brievenuitgave Briefe 1937-1965 (Wallstein Verlag, 2017): fascinerende, onder wisselende censuur van Wehrmacht, Sovjet-krijgsgevangenschap en Stasi geschreven lectuur. Jellema staat niet in het register, maar collega-dichter en germanist Ad den Besten (1923-2015) was een van Bobrowski’s belangrijkste correspondenten. Voor Bobrowski betekende de interesse van Den Besten zelfs een keerpunt. Dat blijkt uit zijn eerste brief van 23 mei 1958: ‘het is immers de eerste keer dat iemand naar mijn werk informeert.’ Of Jellema van Den Bestens contact wist? Wynia zegt er niets over.
       Ook de Statenhofpers van Jaap Schipper komt met een nieuwe uitgave van Jellema. Herinnering verschoont bundelt aantekeningen die niet zijn opgenomen in de dagboekkeuze Een web van dromen (Querido, 2009). Ze komen uit een boekje waarin Jellema vanaf 1991 intieme, ongedateerde notities plaatste over zijn jeugdliefde Henk van de Wall Repelaer (1926-1989). Seksuele zaken komen nogal expliciet aan de orde. Waardevoller zijn de monologen van een aarzelende, in zichzelf wroetende dichter, met zijn bekende poëtische hang naar spijt. Hij verhuist vanuit een donker Gronings stadshuis, ‘zonder wolken, zonder zonsondergangen’, naar een landgoed met rozentuin in Leens: ‘Denken aan vroegere huizen waar je niet uit had moeten weggaan; daarvan je nu de veiligheid herinneren. Zo denk je later aan dit huis, ondanks alles. Herinnering verschoont. Je bent levenslang spijtoptant van eigen beslissingen.’ Dood en afzondering gaan hand in hand: ‘Misschien sterft op het land het denken voor het lichaam uit.’ Een verrassend hoogtepunt is een Kavafis-achtig verhaal over onbereikbare liefde. Op een Griekse boot is een alter ego gefascineerd door een man met een weekendtas waaraan een label met de stadsnaam Larissa zit. Hij neemt vanuit Piraeus zelf de bus naar Larissa en huurt een kamer, ‘niet in een hotel, maar privé, omdat je er lang zult blijven.’ Ook nu duikt het verhuisthema op, verbonden met dood en liefde, terwijl literatuur een verlossing moet brengen die niet komt: ‘Je moet verhuizen naar steeds goedkopere kamers. Misschien verhuur je jezelf als kellner. In dat café komt hij nooit. Ik denk dat je vergeet waarom je in Larissa bent, je wilt het vergeten. Daarom denk je alleen maar aan het verhaal dat je zult schrijven om er weg te komen.’s Avonds voor een blanco vel papier waarop al jaren niets meer staat dan een titel: Sterven in Larissa.’ Der Tod in Venedig, sterven in Leens… Dit is een charmant, gebonden boekje, met een heel intieme uitstraling, waarmee weer een deel van Jellema’s nalatenschap bloot ligt. Ik vraag me wel af: hoe staat het met de biografie die al deze boekjes eens verbindt? Levenslang spijtoptant lijkt een passende titel.

Johannes Bobrowski, Stroom en woud. Vert. C.O. Jellema. Utrecht: Hinderickx & Winderickx, 2017. 28 p. 65 ex. € 35 (Oude Gracht 234, 3511 NT Utrecht info@hinderickxenwinderickx.nl) | C.O. Jellema, Herinnering verschoont. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 43 p. 70 ex. € 45 (Frederik Hendriklaan 6, 2582 BB Den Haag info@statenhofpers.nl)
 
| Eerder veschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, pp. 70-71.