Posts tonen met het label Ivan Boenin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ivan Boenin. Alle posts tonen

dinsdag 29 september 2020

J.J. Voskuil: een voetnoot bij Ivan Boenin en Anton Tsjechov

J.J. VOSKUIL: EEN VOETNOOT BIJ IVAN BOENIN EN ANTON TSJECHOV

In Het Bureau van J.J. Voskuil bezoekt hoofdpersoon Maarten Koning in 1978 een congres nabij Belfast. Hij ontmoet daar een collega uit de DDR, de volkskundige Ulrich Panzer. Na het ontbijt staan Koning en Panzer buiten het hotel en kijken uit over een meer (geciteerd naar J.J. Voskuil, Het Bureau, 4. Het A.P. Beerta-Instituut (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1998), p. 866):

Ze keken naast elkaar over het meer. ‘Das Meer ist gross,’ zei Maarten glimlachend, zoekend naar een onderwerp van gesprek.

‘Ja,’ zei Panzer.

Maarten keek hem onderzoekend aan. ‘Sie kennen das?’

‘Nein?’

‘Tsjechow.’

Panzer schudde zijn hoofd.

‘Gorki, ich glaube Gorki, fand Tsjechow eines Morgens am Ufer des Schwarzen Meeres. Er setzte sich neben ihn und fragte wie Tsjechow das beschreiben würde. Tsjechow dachte einen Augenblick nach, dann sagte er: Das Meer ist gross.’

‘Ach so,’ zei Panzer glimlachend. ‘Ja, natürlich.’


De bedoelde passage over Tsjechov aan de Zwarte Zee staat niet bij Gorki, maar in de herinneringen van Ivan Boenin (zie Ivan Boenin, Over Tsjechov, vert. Jan Paul Hinrichs (’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2020), p. 9). 

vrijdag 25 september 2020

Ivan Boenin: Verzamelde werken IV (Recensie)

VOOR EEN VROUW BESTAAT HET VERLEDEN NIET

In blogberichten van 1 mei, 3 mei en 8 mei 2012 plaatste ik de recensies van de eerste drie delen van Ivan Boenins Verzamelde werken (G.A. van Oorschot, 4 dln., 1994-2002) die ik in de jaren 1995-1997 schreef voor het weekblad Vrij Nederland. Een recensie van deel 4 uit 2002 is daarin niet meer verschenen. In De laatste landheer, het boek over Ivan Boenin dat in september 2020 bij uitgeverij Fragment uitkwam, is onder bovenstaande titel een stuk geplaatst dat als een nagekomen recensie van deel 4 is te beschouwen. De drie in Vrij Nederland verschenen recensies zijn in herziene versies eveneens in dit boek opgenomen. 


VOOR EEN VROUW BESTAAT HET VERLEDEN NIET

Op het moment van verschijnen van het vierde en laatste deel van Boenins Verzamelde werken waren de belangrijkste Russsche academische uitgaven van zijn brieven, waarin er honderden voor het eerst boven water kwamen, nog niet gepubliceerd. Niettemin vormt de correspondentie die wel in dit deel kon worden opgenomen heel levendige lectuur. Een hoofdrol, als adressant, spelen Boenins jeugdliefde Varvara Pasjtsjenko, oudere broer en boezemvriend Joeli, de literator Nikolaj Telesjov, en, in de emigratie, de auteurs Boris Zajtsev en Mark Aldanov. In een brief uit 1890 zien we Boenin op locatie op het platteland, als een oude jonker op jacht die niet van de stad houdt: ‘Ik vervloek ze, die grote steden!’ (VW, 4) We merken meteen iets van de natuurverbondenheid die het merkteken van zijn werk werd: ‘Ik ben op jacht geweest met de honden. Ik was te paard en nog wel met een geweer over de schouder. Ik was helemaal in mijn element. Vooral in het bos’ (VW, 4).

        De brieven laten een aardig zijlicht vallen op het werk. Het gesprek dat de jonge Arsenjev in Het leven van Arsenjev met de vader van zijn geliefde Lika had, lijkt op wat Boenin bericht over een gesprek met Varvara’s vader. Een brief uit 1892 geeft zo een portret van de verarmde jonker die zijn plaats nog niet gevonden heeft, ook niet als schrijver: ‘V.V. past niet bij u – wat verstand, ontwikkeling en opvoeding betreft steekt ze met kop en schouders boven u uit. Ze heeft – dat weet ik – geen achting voor u. En dat kan ook niet. U bent een leegloper, u zwerft maar wat rond, u bent, neem me niet kwalijk, een landloper (sic!), u verkwist andermans geld, u bent een bedelaar… Werken, zegt u? Als kantoorbediende! Hm!.. Ik verbaas me, ik verbaas me in hoge mate dat u de onbeschaamdheid, de brutaliteit kunt hebben om te denken dat V.V bij u past’ (VW, 4). Dit gesprek vindt in de roman op heel wat mildere toon plaats.

Een belangrijke bekentenis doet Boenin in een brief aan Mark Aldanov uit 1947: zijn teksten zijn alles voor hem, voortdurend herziet hij ze en hij is alleen tevreden als de laatste versie op tafel ligt. Het zegt ook iets over de onvermoeibare werklust van deze grootmeester voor wie onverbiddelijk professionalisme uiteindelijk belangrijker was dan roem of geld van een Nobelprijs: ‘ik verzoek u dringend, ik smeek u gewoon mij niet te lezen als u mijn verzamelde werken uitgegeven door «Petropolis» niet hebt; raak andere uitgaven in ’s hemelsnaam niet aan: ik ben een idioot, een psychopaat waar het mijn teksten betreft – ik herinner me bijvoorbeeld opeens dat er in een van mijn verhalen in de eerste uitgave iets overbodigs, een onnozel woord, is blijven staan en dan kan ik mijzelf wel verhangen en ik schreeuw het hele huis bij elkaar’ (VW, 4).

In deel vier is binnen de chronologische volgorde van de brieven Vervloekte dagen gezet, de dagboekaantekeningen uit bolsjewistisch Moskou en Odessa uit de jaren 1918-1919, de tijd van de burgeroorlog. Feiten bestaan hier niet, wel veel geruchten. Niemand wist precies wat er gebeurde, zelfs niet of de stad waarin men woonde niet al door een tegenpartij bezet was, laat staan wat er in andere steden gebeurde: ‘De wildste geruchten doen de ronde: Petrograd zou zijn ingenomen door generaal Goerko, Koltsjak zou bij Moskou staan en de Duitsers zouden ieder moment in Odessa kunnen zijn…’ (VW, 4). Opmerkingen van Boenin sluiten aan bij eigen negatief gestemde werk over het platteland, zoals de novelle ‘Het dorp’. Hij maakt gehakt van het idee van sommigen om te ‘geloven in het Russische volk’: ‘Een bepaald deel van de maatschappij leed in het bijzonder aan dit soort leugenachtigheid. Hun beroep «vrienden van het volk, van de jeugd en van alles wat licht was» te zijn had hen zo vervormd, dat ze in hun eigen ogen volkomen oprecht waren’ (VW, 4).

Boenin was in zekere zin op de revolutie voorbereid: ‘Ik behoorde niet tot de mensen die door de revolutie overrompeld werden, voor wie haar afmetingen en beestachtigheid onverwacht kwamen, maar toch overtrof de werkelijkheid al mijn verwachtingen: waartoe de Russische revolutie al gauw verwerd kan niemand begrijpen die het niet zelf gezien’ (VW, 4). We zien ook steeds Boenin de estheet. Het is vooral het gezicht van de politiek dat hem tijdens de burgeroorlog raakt, ook letterlijk het uiterlijk van de revolutionair: ‘Zodra een stad «rood» wordt, verandert de menigte die de straten vult over het algemeen direct. Er voltrekt zich een bepaalde selectering in de gezichten, de straat ondergaat een verandering. Wat was ik geschokt door die koppen in Moskou! Dat was de voornaamste reden van mijn vertrek’ (VW, 4).

Typerend voor Boenin, ook in zijn herinneringen aan schrijvers, is de aandacht voor biologische details, vooral als hij die ten nadele van iemand kan opvoeren: ‘Kort geleden kwam ik op straat professor Sjtsjepkin, de «commissaris voor volksvoorlichting en onderwijs» tegen. Hij verplaatste zich langzaam en staarde met de dofheid van een idioot voor zich uit. Om zijn schouders een door en door stoffige mantel met een enorme vetvlek op de rug. Ook zijn hoed was om misselijk van te worden. Een zeer vuil papieren boordje, dat van achteren een ware vulkaan, een etterende steenpuist, ondersteunde, en een dikke oude das, besmeurd met rode olieverf’ (VW. 4). Afkeer speelt ook bij de nieuwe spelling van het Russisch: ‘Zelfs op bevel van de aartsengel Michaël zou ik nooit de spelling van de bolsjewieken accepteren’ (VW, 4).

            In dit vierde deel staat, naast een selectie uit de Herinneringen ook De schaduw van de vogel, het poëtische verslag van Boenins reis naar het Midden-Oosten en Ceylon. Boenin verkeert hier vaak in elegische stemmingen, leeft zich in in een diep verleden, maar men verbaast zich ook over zijn  vermogen met een paar woorden een dagelijkse sfeer te treffen, bijvoorbeeld in Constantinopel: ‘Uit de ramen komt de geur van olijfolie waarin vis wordt gebakken, spoelwater vliegt over straat en je hoort het ratelende gekijf van de Griekse vrouwen’ (VW, 4).

            De uitgave eindigt met de hoofdzaak: Boenins poëzie. De eerste academische uitgave, uit 2014, telt 965 gedichten. Het is prachtig dat er een stuk of vijftig zijn vertaald.  Boenin ging publiceren in een tijd dat in Rusland het symbolisme en decadentisme hoogtij vierde. Maar in deze stedelijke fin-de-siècle sfeer voelde landheer Boenin zich niet bijzonder thuis. Hij probeerde vooral te dichten over wat hij min of meer objectief zag en presenteerde landschappen niet als een mistig masker voor een andere, enigszins mystieke werkelijkheid die erachter zou liggen, zoals symbolisten toen graag deden. Zijn vorm blijft traditioneel, zonder modern effectbejag dat deel wordt van de inhoud. Liefdesgedichten ontbreken niet. Het gedicht ‘Eenzaamheid’ (1903) biedt de monoloog van een man die alleen zit op een datsja aan zee. Het slot is befaamd, hoewel Boenins oproep een hond te kopen niet voor hem gold. Een leven van eeuwig onderweg zijn is met het bezit van een hond moeilijk te combineren. Zelfs in Grasse had hij geen hond. Niettemin beeldt een sculptuur in Voronezj Boenin af met een hond die hij nooit had, misschien door deze beroemde regels:


Maar voor een vrouw bestaat het verleden niet:

ze hield niet meer van me – vreemd werd ik haar.

Wat zou het! Ik ga de haard opstoken, aan de drank…

Het zou goed zijn een hond te kopen.


        Boenin blijft een echte lyricus, vanger van dat ene unieke moment. Lichtval, geur, sfeer – dat speelt hier. Fixatie op landschap is zijn ware passie. Het gaat om de magie van contact, van identificatie met dingen die alleen voor hem bestaan. Hoogst individuele natuurbeleving vormt Boenins nalatenschap. Een van zijn mooiste gedichten, niet in deze werkuitgave opgenomen, heeft de beginregel ‘In de eeuwige veranderlijkheid van dit korte leven’. In 1917, een paar weken voor de revolutie, spreekt Boenin als een grootvorst, ingehouden, maar krachtig en smaakvol, over zichzelf. Het gedicht is profetisch, want in eigen land zou hij snel het ‘geheim’ en het verdwenen ‘spook’ worden dat hij hier tekent. De ‘welbekende oude bank’ die Boenin tegen de achtergrond van een catastrofaal tijdperk oproept, lijkt een verwijzing naar de poëtiek van een voorbije tijd, waaraan de dichter ook in deze tijden vol spanning en nakende verandering stoïcijns wil vasthouden:

 

In de eeuwige veranderlijkheid van dit korte leven

zal ik onophoudelijk troost vinden –

in de vroege zon, de mist boven het dorp,

in het langzaam vallen van de bladeren in het herfstrode park,

en in jou, welbekende oude bank.

 

Voor de dichters van de toekomst, onbekend voor mij,

zal God een geheim achterlaten – de herinnering aan mij:

ik zal hun dromen worden, zonder lichaam,

ontoegankelijk voor de dood – een wonderlijk spook

in dit herfstrode park, deze stilte.


Tijdens de Russische burgeroorlog schreef Boenin nauwelijks gedichten. Als emigrant viel hij vrijwel stil als dichter, al kwam nog een opleving in 1922. In een van zijn befaamdste gedichten uit dat jaar legt Boenin even simpel als ingenieus een verband tussen emigratie, het vol huivering binnentreden van een onbekend huis, en het vertrek uit het geboortehuis en Rusland, waar niets meer over was van alle landerijen die zijn familie ooit bezat. Een dier heeft het gemakkelijker suggereert Boenin, die inspeelt op Jezus’ woorden uit Mattheüs (8: 20) ‘De vossen hebben holen en de vogels nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen’. De Bijbelse allusie geeft het gedicht een oerkracht die ver boven de Russische problematiek uitstijgt, al lijkt juist het woord ‘nest’ weer een hoogst toepasselijke toespeling op Toergenjevs roman Het adelsnest, tevens een sleutel tot Boenins afkomst. Een hart vol gelatenheid staat hier centraal:

 

Een vogel heeft een nest, een beest een hol.

    Hoe bitter was het voor mijn jeugdig hart

vaders erf te verlaten,

    vaarwel te zeggen aan mijn geboortehuis!

 

Een beest heeft een hol, een vogel een nest.

    Hoe luid en droevig klopt mijn hart

als ik met kruisteken en al oude knapzak

    een vreemd huurhuis betreed!

 

Het ‘kruisteken’ wijst op een ongewisse toekomst, maar ‘de oude knapzak’ geeft dit gedicht ook meteen iets alledaags mee – alsof de held in dit gedicht al vaker voor dit soort situaties heeft gestaan en weet dat hij ook hier wel weer uit zal komen.

 

Zie: 'Voor een vrouw bestaat het verleden niet', in Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020), pp. 65-71. 


donderdag 24 september 2020

De laatste landheer (boek verschenen)

DE LAATSTE LANDHEER (BOEK VERSCHENEN)


Zojuist verscheen bij uitgeverij Fragment: De laatste landheer, een boek over Ivan Boenin. Uit de aanbiedingsbrief van de uitgeverij: 

"Slavist Jan Paul Hinrichs bundelt in De laatste landheer twaalf stukken over zijn favoriete auteur: Nobelprijswinnaar Ivan Boenin (1870-1953). Elf stukken verschenen in de jaren 1987-2020 verspreid en zijn drastisch bijgewerkt. Te samen schilderen ze een portret van een meester in de landschapschildering en lyrisch autobiografisch proza. Odessa, de havenstad aan de Zwarte Zee, en het Zuid-Franse Grasse zijn steeds opduikende locaties.

Hinrichs portretteert Boenin, die na de Russische revolutie naar Frankrijk uitweek, als de laatste aristocraat van de Russische letteren: een charmant maar ongenaakbaar heerschap, middelpunt van elk gezelschap en vrouwenliefhebber die zijn imago van goed gekleed heer koesterde, maar tegelijkertijd een bohémien was. Uiteindelijk komt de schijnbaar zo autoritaire Boenin via zijn veelvuldig aangehaalde dagboeken en brieven over als een man vol wroeging en doodsangst. Maar bovenal blijkt hij een integer en verrassend modern auteur die het communisme vroegtijdig scherp analyseerde. Even voorbeeldig reageerde Boenin op nazisme en antisemitisme: tijdens de Tweede Wereldoorlog bood hij Joodse onderduikers onderdak in zijn huurvilla in Grasse. Ook het dagboek uit die oorlogstijd komt uitvoerig aan de orde.

Ivan Boenins werk is in vier delen opgenomen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Zijn honderdvijftigste geboortedag dit jaar vormde de aanleiding om de beschouwingen van Hinrichs te bundelen. Het resultaat is een fascinerend portret van een aristocraat die banneling werd.

Het boekje, in halflinnen gebonden door Van Waarden, telt 100p.

Oplage: 100
Prijs: € 32,50 (plus € 4,50 verzendkosten)
Formaat: 13,3 x 20 cm"

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer. Leiden: Fragment, 2020. 100 pp.




 

maandag 21 september 2020

Ivan Boenin: Over Tsjechov (vertaling verschenen)

 IVAN BOENIN: OVER TSJECHOV (VERTALING VERSCHENEN)

Bij de Statenhofpers verscheen op vrijdag 18 september 2020 een vertaling van Ivan Boenin: Over Tsjechov. Uit de informatie die de uitgever op de website verstrekt: 

"Over Tsjechov van Ivan Boenin vormt het tweede deel van de Saldenreeks genoemd naar de beroemde letterontwerper en typograaf Helmut Salden wiens letters de omslagen van de boeken in deze reeks sieren. Als eerste deel verscheen eerder Nacht, nieuwe maan, mistral van dezelfde auteur. Dit boekje is inmiddels uitverkocht. In deze reeks zullen literaire teksten van allerlei aard in een uniforme vormgeving verschijnen. Over Tsjechov werd gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. Het bevat de herinneringen van Ivan Boenin aan zijn oudere vriend en collega Anton Tsjechov. Deze herinneringen verschijnen hier voor het grootste deel voor het eerst in vertaling. Het zijn zonder twijfel de meest intieme teksten die over Tsjechov geschreven zijn en vormen mede door de schitterende stijl van Boenin een ontroerende getuigenis van een beiderzijds diep doorleefde vriendschap. Een onmisbare uitgave voor ieder liefhebber van klassieke Russische literatuur in het algemeen en het werk van deze beide grootmeesters in het bijzonder."

| Zie verder: Ivan Boenin, Over Tsjechov. Vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2020 (Saldencahiers; 2). 40 pp.

Tegelijkertijd verscheen bij uitgeverij Fragment een boek óver Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer. Leiden: Fragment, 2020. 100 pp.






zaterdag 4 april 2020

Ivan Boenin: Nacht, nieuwe maan, mistral (vertaling verschenen)

IVAN BOENIN: NACHT, NIEUWE MAAN, MISTRAL. DAGBOEK UIT GRASSE 1940-1945

Op 3 april 2020 verscheen bij de Statenhofpers in Den Haag: Nacht, nieuwe maan, mistral. Dagboek uit Grasse 1940-1945 van Ivan Boenin. Het gaat hier om een keuze uit het dagboek dat Boenin tijdens de oorlog bijhield in het Zuid-Franse Grasse, waar hij wisselend onder de Franse republiek, het Vichy-regime en Italiaanse en Duitse bezetting leefde. 
Ivan Boenin, Nacht, nieuwe maan, mistral.
Dagboek uit Grasse 1940-1945
, vert. Jan Paul Hinrichs
('s-Gravenhage: Statenhofpers, 2020).

| Zie verder Ivan Boenin, 
Nacht, nieuwe maan, mistral. Dagboek uit Grasse 1940-1945Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2020.  43 pp. Oplage: 100 exemplaren in cahiersteek genaaid.

vrijdag 16 november 2012

Ivan Boenin: Gedicht (Vertaling)


IVAN BOENIN

*

Een vogel heeft een nest, een beest een hol.
    Hoe bitter was het voor mijn jeugdig hart
het vaderlijk hof te verlaten,
    vaarwel te zeggen aan mijn geboortehuis!

Een beest heeft een hol, een vogel een nest.
     Hoe luid en droevig klopt mijn hart
als ik met een kruisteken en al oude knapzak
     een vreemd huurhuis betreed!

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 5.

Zie verder over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 31-38.

vrijdag 25 mei 2012

Ivan Boenin en André Gide

AAN DE DIS BIJ IVAN BOENIN
-------------------------------------------------------------------------
Een drastisch gewijzigde, nieuwe versie van dit opstel is verschenen in een boek met twaalf stukken over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020).
--------------------------------------------------------------------------

Parijs, maart 1922. André Gide hield in Théâtre du Vieux-Colombier enkele lezingen ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Dostojevski. Daarbij werd hij een keer voorgesteld aan Ivan Boenin (1870-1953) – samen met Vladimir Nabokov de bekendste Dostojevski-hater onder de Russische schrijvers. De kennismaking moet tot een droge handdruk beperkt zijn gebleven; de schrijvers wisten op dat moment ook weinig van elkaar. Op 18 maart 1922 schreef Boenin in zijn dagboek: ‘Gide lijkt niet op een kunstenaar maar op een soort pastoor.’[1] Enkele maanden later is Gide werk van Boenin gaan lezen. Op 4 augustus vertrouwde hij aan zijn dagboek toe dat hij ‘met Boenin heeft geleefd bij de Scythen. Zijn Het dorp is bewonderenswaardig.’[2]
     Op 13 augustus 1924 meldt het dagboek van Vera Boenina dat haar man niet inging op een uitnodiging voor een literaire bijeenkomst in Pontigny. Haar leek die heel verleidelijk: ze verheugde zich op de kennismaking met Gide en andere schrijvers.[3] Het ging ongetwijfeld om de ‘décades’, de tiendaagse bijeenkomsten die de literator Paul Desjardins gedurende enige decennia organiseerde in de oude abdij van Pontigny. Uitgenodigd werden kopstukken uit de Franse literaire wereld en voor de Franse zaak interessante buitenlanders, zoals, dat jaar, de Duitse romanist Ernst Robert Curtius en onze eigen romanist Johannes Tielrooy.
     De ‘décades’ leenden zich natuurlijk uitstekend voor het leggen van contacten. Zeker Boenin, die sinds 1920 als balling in Frankrijk verbleef, had daarvan kunnen profiteren. Maar hij zag dat anders. Vera Boenina houdt het er in haar dagboek op dat haar man gewoon zenuwziek van verdriet was na het overlijden van zijn broer Joeli, maar er speelde vermoedelijk wel meer. Boenin was in Rusland dan wel lid geweest van de Keizerlijke Academie van Wetenschappen, hij was toch vooral een echte schrijver en bohemien en niet iemand voor de internationale literaire wereld met keurige lezingen en gesprekken over grote culturele thema’s waar Fransen zo goed in zijn. Bovendien beheerste hij de Franse taal slecht. Vermoedelijk had hij daarom niet echt mee kunnen draaien in Pontigny. Intussen fungeerde Boenin sinds 1922 als Nobelprijskandidaat en deed hij via de post wél fanatiek zijn best om zijn kansen op de prijs te vergroten. Zo stuurde hij vertalingen van zijn werk naar Thomas Mann: uit Duitsland verwachtte hij ook meer steun dan uit Frankrijk.[4]
     Vanaf 1923 brachten de kinderloze Boenins en een hofhouding van soms jaren inwonende ‘literaire’ Russen een groot deel van het jaar door in huurvilla’s in Grasse, bij Nice. De zachte geparfumeerde lucht van de cipressen en pijnbomen, het uitzicht op de zee en het bergmassief van de Estérel waren daar voor de overgevoelige Boenin een voortdurende bron van inspiratie. Hier schreef hij zijn belangrijkste proza, waaronder de autobiografische roman Het leven van Arsenjev. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zaten de Boenins nog in Grasse. ’s Winters konden ze toen niet meer naar hun appartement in Parijs terug. Nadat op 22 juni 1941 Duitse troepen de Sovjet-Unie waren binnengevallen, pakte de politie in het door de Vichy-regering bestuurde ‘vrije’ Zuid-Frankrijk honderden Russen als ‘usual suspects’ op. Boenin liet men met rust, maar zijn joodse huisgenoot Alexander Bachrach bleef een paar dagen vast. Deze was alweer vrij toen André Gide, die toen in Cabris verbleef, op 4 juli 1941 een brief aan Boenin schreef waarin hij zijn bezorgdheid uit over zijn toestand en hulp aanbiedt.[5] Van enig contact tussen de twee was sinds begin jaren twintig schijnbaar geen sprake meer geweest. Boenin, die in 1933 als eerste Rus de Nobelprijs kreeg maar nog altijd op grote afstand van de Franse culturele elite leefde, toont zich in zijn dagboek door Gides brief ‘erg geroerd’.[6]
     Het kwam nu ook tot een ontmoeting. Op 28 augustus 1941 was Gide in Grasse te gast in de Villa Jeanette. Boenin noteert die dag in zijn dagboek: ‘Heel aangename indruk. Verfijnd, intelligent, maar dan ineens zegt hij: Tolstoj is asiatique.’ Cynisch vervolgt hij: ‘Hij is enthousiast over Pasternak (als mens: “hij heeft me de ogen geopend voor de ware toestand in Rusland”); hij was verrukt over Sologoeb.’[7]
     Boenins Frans was na twintig jaar verblijf in Frankrijk nog altijd niet verbeterd. Hij wilde gewoon geen Frans leren en hij was ook niet geïnteresseerd in wat er in het land gebeurde. Hij bestierde als een ongenaakbare edelman zijn eigen Russische enclave, met zijn gedachten vooral in het verleden. Maar hij had nog zijn best gedaan. Een paar dagen voor de ontmoeting had hij Gides La porte étroite gelezen. Het begin beviel hem wel, maar wat volgde was ‘buitengewoon langdradig, vervelend, volkomen onbegrijpelijk.’[8] Na de ontmoeting zette hij zijn lectuur voort, maar weer zonder plezier. In oktober 1941 las hij L’école des femmes: ‘saai, zouteloos, nietszeggend. Waarom is dat geschreven? Een intelligente man, hij schrijft prachtig, kent het leven, maar meer niet.’[9]
     Gide doet ook zelf in zijn dagboek verslag van zijn bezoek aan Boenin, die hem in pyjama had ontvangen: ‘Het was een nogal teleurstellend bezoek, want ondanks de vriendelijke pogingen van beide kanten, kwam er geen echt contact tot stand. De een hechtte te weinig waarde aan wat de ander bewondert. Zijn Tolstoj-cultus geneerde me evenveel als zijn verachting voor Dostojevski, voor Saltykov-Sjtsjedrin, voor Sologoeb. We hebben beslist niet dezelfde heiligen, dezelfde goden. Maar tijdens het hele gesprek gedroeg hij zich charmant. Zijn mooie gezicht, hoewel vol rimpels, blijft edel en zijn ogen zijn vol enthousiasme. […] Ik was een beetje in verlegenheid gebracht dat ik niets meer van hem kende dan De man van San Francisco en Het dorp, een jeugdwerk dat, zoals hij zei, een heel beperkte en slechte indruk van hem geeft en waar ik helemaal ten onrechte zeer van houd. Hij verloochent het bijna. Ik weet niet wat hij van mij kent, noch heb ik kunnen vaststellen waarom ik hem sympathiek ben.’[10]
     Vera Boenina was bij de ontvangst niet aanwezig. Maar twee dagen later herkende zij Gide in een restaurant. In haar dagboek schrijft ze: ‘Ik heb goed naar hem gekeken. Een aangenaam, interessant gezicht, dat iets minder op een pastoor is gaan lijken. […] Toen hij bij ons was (in mijn afwezigheid) zei hij dat hij geen piano kon spelen. Hij was erg enthousiast over het Russische landschap.’[11]
     Op 16 september zat Gide andermaal bij Boenin aan de dis. De Russische criticus Georgi Adamovitsj, die bij de ontvangst van Gide aanwezig was, verklaarde in 1969: ‘Boenin beheerste het Frans heel slecht, sprak moeizaam, begreep niet alles.’[12] Zonder hulp van tolkende tafelgenoten was een gesprek dan ook niet mogelijk geweest. Adamovitsj vertelt dat Boenin en zijn gast het eerst over het laatste oorlogsnieuws hadden. Maar daarna hadden ze het over literatuur, waarbij Boenin, die in eigen huis gewend was tafelgezelschappen te domineren, zich polemisch en pesterig opstelde. ‘De gastheer en de gast mochten elkaar, hoewel ze weinig gemeen hadden: Boenin was praatziek en spottend, Gide gedroeg zich gereserveerd, lachte beleefd om Boenins grapjes, maar hij reageerde alsof ze serieus waren. […] Tolstoj en Dostojesvki: vroeg of laat moest het gesprek ook hen aanroeren, en zo gebeurde. […] Boenin sprak de naam Tolstoj uit om Dostojevski definitief te vernietigen en te schande te maken. Gide haalde zijn schouders op, hief zijn handen omhoog, herhaalde een paar keer “ja, een groot genie, een groot genie…”, maar bekende dat hij Oorlog en vrede een monsterlijk vervelend boek vond (“un monstre d’ennui”). “Wat? Wat zei hij?” vroeg Boenin in het Russisch, greep een enorme briefopener en zwaaide ermee met een gefingeerd beestachtige blik, alsof hij Gide wilde vermoorde. Gide barstte in lachen uit en bleef voor lange tijd schudden van het lachen. Daarna zei hij: “Ik zei wat ik werkelijk denk. Als ik schrijf zou ik me natuurlijk anders uitdrukken, niet zo openhartig. Maar boven Oorlog en vrede val ik in slaap”’[13]
     Twee dagen later schreef Gide aan Roger Martin du Gard over zijn bezoek aan Boenin: ‘Grote wederzijde sympathie, hoewel we het in niets met elkaar eens zijn. […] Hij doet erg oud aan, maar is nog in goede conditie […].’[14] Er volgden in 1941 nog een paar ontmoetingen in restaurants in Nice, maar van een intensief contact was toen geen sprake. Al gauw verloren ze elkaar uit het oog: de Boenins, die van een Amerikaans visum geen gebruik maakten, bleven in Grasse en Gide week uit naar Noord-Afrika.
     In 1947 kreeg ook Gide de Nobelprijs. In 1950 stuurde hij een exemplaar van zijn zojuist uitgekomen Journal 1942-1949 naar Boenin. In een brief aan Mark Aldanov van 20 maart 1950 spreekt Boenin schande van Gides beschrijvingen van de nachten die als 73-jarige man met een vijftienjarige jongen in een hotel in Tunis doorbracht: ‘onuitsprekelijk wederzijds genot, zodat Gide dacht dat ook hij een jongen was! Hoe iemand zoiets kan opschrijven en ook publiceren, kan ik echt niet vatten!’[15] Overigens zijn er getuigenissen dat de oude Boenin zelf erg last had van jaloezie bij het zien van jonge paartjes. In ieder geval staat zijn verhalenbundel Donkere lanen, die hij tijdens de oorlog in Grasse schreef, vol met sensuele details waardoor hij bij menigeen als een ouwe snoeper overkwam.
     Op 24 oktober 1950 plaatste Gide in Le Figaro een brief om Boenin met zijn tachtigste verjaardag te feliciteren. Hij herinnerde daarin aan de ontvangst en de sfeer in Grasse, ‘een beetje bohemien, een beetje oververhit, maar heel menselijk.’[16] Met de soepelheid van de man van de wereld die even gemakkelijk een toespraak houdt op het Rode Plein met Molotov en Stalin aan zijn zijde als aanschuift bij de fel anticommunistische Boenin, brengt Gide zijn bezoek op een hoger plan dan hij eertijds in zijn dagboek had gedaan: ‘Als ik me bijna meteen helmaal op mijn gemak voelde, dan kwam dat omdat die atmosfeer dezelfde was als die de meeste werken van de Russische literatuur waarmee ik al lang bekend was bij me opriepen. Er was sprake van een soort bezieling: uit de vensters van uw villa in Grasse was ik bijna verbaasd een landschap van Zuid-Frankrijk te zien en niet de Russische steppen, de mist en de sneeuw, en de witte berkenbosjes. Uw innerlijke wereld drong zich op en zegevierde over de uiterlijke dingen; dat was de ware werkelijkheid. […] Zonder twijfel was het onmogelijk om een ethiek en een esthetiek, een literaire hemel en hel voor te stellen die dieper en wezenlijker van mij verschilden dan de uwe. Maar u wist uw uitgangspunten op een magistrale manier tot uitdrukking te brengen. En alleen dat is belangrijk; want in de kunst is er niet slechts één manier om groot te zijn.’[17]
     Voor Gide maakten zijn bezoeken aan Boenin deel uit van zijn vele honderden andere literaire ontmoetingen, maar voor Boenin vormden ze zeldzame momenten van contact met de ‘grote wereld’, waar hij ondanks zijn Nobelprijs altijd ver van bleef. Daarom zullen Gide-kenners niet snel aan Boenin denken, maar wordt Gide in de literatuur over Boenin steevast genoemd. Het gaat daarbij om luttele snapshots, die zonder de oorlogsomstandigheden ondenkbaar waren geweest. Niettemin kwamen de enorme verschillen tussen beide schrijvers meteen goed uit de verf. Na de oorlog zagen ze elkaar niet meer. De fraaie, bewonderende brief van Gide kon dan ook niet verhullen dat ze elkaar verder weinig te bieden hadden.

Jan Paul Hinrichs


NOTEN

[1] Oestami Boeninych, 2 (Frankfurt am Main 1981), p. 81.
[2] André Gide, Journal, 1, 1887-1925 (Paris 1996), p. 1184.
[3] Oestami Boeninych, 2, p. 91.
[4] Zie Roger John Keys,‘Ivan Bunin and Thomas Mann’, in Forum for Modern Language Studies 36 (2000), p. 357-365.
[5] Deze brief is gepubliceerd in Oestami Boeninych, 3 (Frankfurt am Main 1982), p. 212.
[6] Oestami Boeninych, 3, p. 102.
[7] Oestami Boeninych, 3, p. 109.
[8] Oestami Boeninych, 3, p. 107.
[9] Oestami Boeninych, 3, p. 116.
[10] André Gide, Journal, 2, 1926-1950 (Paris 1997), p. 780.
[11] Oestami Boeninych, 3, p. 110.
[12] Geciteerd in I.A. Boenin. Novyje materialy (Moskou 2004), p. 360.
[13] Georgi Adamovitsj, ‘Table Talk’, in Novy Zjoernal, No. 66, 1961, p.87.
[14] André Gide, Roger Martin du Gard, Correspondance, 2, 1935-1951 (Paris 1968), p. 237.
[15] ‘Perepiska I.A. Boenina s M.A. Aldanovym’, in Novy Zjoernal, No. 153, 1983, p. 163.
[16] Geciteerd in Cahiers de l’émigration russe 4 (1997), p. 154.
[17] Zie noot 16.

| Eerder gepubliceerd in De Parelduiker 10 (2005), No. 4-5, pp. 134-138.










donderdag 10 mei 2012

Met Boenin en Brodsky in Odessa

MET BOENIN EN BRODSKY IN ODESSA 

-------------------------------------------------------------------------
Een drastisch gewijzigde, nieuwe versie van dit opstel is verschenen in een boek met twaalf stukken over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020).
--------------------------------------------------------------------------


Odessa, Knjazjeskajastraat 27, oktober 2010. Het laatste huis waarin
Ivan Boenin in Odessa verbleef voor zijn vlucht, begin 1920,
naar Constantinopel.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Zo’n vijfentwintig jaar geleden kreeg ik de stad Odessa in vizier. Dat kwam doordat ik voor het eerst Ivan Boenin (1870-1953) was gaan lezen: de dagboeken die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Zuid-Franse Grasse schreef en die ondanks de telegramstijl uiterst aangrijpend en beeldend overkomen. Vanzelf kwam ik zo in aanraking met een ander tijdsdocument dat verrast bij een auteur die toch vooral bekend is om verhalen en gedichten over eeuwige thema’s als liefde, dood en natuur: Vervloekte dagen. Het is een dagboek uit 1918 en 1919 waarin een getergde Boenin verslag doet van de gewelddadige onttakeling van de oude Russische maatschappij die hij tijdens de burgeroorlog in Moskou en Odessa meemaakte. In dit werk rekent Boenin genadeloos af met het bolsjewisme voordat het zich definitief op Russische bodem had gevestigd. Eigenlijk maakt Vervloekte dagen de hele Russische ‘dissidentenliteratuur’ uit de jaren zestig en zeventig min of meer overbodig.
    Na Stalins dood werden het proza en de gedichten van de ‘reactionaire emigrant’ Boenin al snel weer in de Sovjet-Unie heruitgegeven. Dat gold niet voor Vervloekte dagen: de titel kon niet eens genoemd worden. Maar vreemd genoeg was Boenins in de oude Sovjet-Unie streng verboden dagboek ook in het Westen niet erg bekend geworden. Toen ik een bundel over Odessa mocht samenstellen – De mythe van Odessa die in 1993 als eerste deel van de Het Oog in ’t Zeil-Stedenreeks verscheen –, liet ik me de kans niet ontgaan iets over dit dagboek te schrijven en er fragmenten uit te laten vertalen.
Hond op de binnenplaats van het Paustovski
Museum, Odessa, 16 oktober 2010.

Foto Copyright © Jan Paul Hinrichs
In die tijd drong het ook pas goed tot me door dat er in de Russische literatuur van de vorige eeuw een hele Odessa-school bestaat. Veel van de schrijvers die in de jaren twintig in Moskou beroemd werden, kwamen uit Odessa. We denken dan aan Isaak Babel, de auteur van de canonieke Verhalen uit Odessa; Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, bekend van hun satirische romans De twaalf stoelen en Het gouden kalf; Petrovs broer Valentin Katajev, een sovjetauteur met een ongunstige persoonlijke reputatie die beter schreef dan men zou verwachten; en Joeri Olesja, auteur van de roman Afgunst en postuum verschenen dagboekaantekeningen waarin Odessa van vlak voor de Eerste Wereldoorlog minutieus wordt gereconstrueerd. Konstantin Paustovski komt weliswaar niet uit Odessa, maar hij heeft cruciale jaren van zijn leven in de stad gewoond, er zoveel over geschreven en had zoveel
contacten met de echte Odessieten dat hij bij de club hoort. Het was ook Paustovski’s autobiografische roman De tijd der grote verwachtingen die bij een lezerspubliek in vele landen, niet in de laatste plaats in Nederland, de stad Odessa een poëtisch-melancholieke roem bezorgde. 
    
      In 1993 had ik Odessa nog nooit bezocht. De bundel verscheen zonder dat ik er was geweest. Zo’n aanpak heeft het voordeel dat je enkel vanuit bronnen werkt en je niet laat beïnvloeden door al te persoonlijke belevenissen, te vluchtige indrukken of ter plaatse opgedane adviezen. Pas in oktober 2010 bezocht ik Odessa voor het eerst: een stad die ik op papier had leren kennen, waar ik vele straten en gebouwen op de plattegrond kon situeren, lag daar ineens echt aan de Zwarte Zee. Het was meteen duidelijk dat dit een wereld op zichzelf was, niet minder indrukwekkend maar wel meer op menselijke maat gesneden dan de metropolen Moskou en Sint-Petersburg.
     Gedurende een paar dagen doorliep ik met een klein gezelschap de stad waar de straten volhingen met affiches voor locale verkiezingen waarbij de Partij van de Regio’s van pro-Kremlinpresident Viktor Janoekovitsj de macht zou grijpen. Uitgangspunt voor onze routes waren de vele literaire adressen die de stad rijk is. Zo kwamen we langs het geboortehuis van Ilja Ilf aan het eind van de Staroportofrankovskajastraat, vlakbij de stationsbuurt; het geboortehuis van Valentin Katajev en Jevgeni Petrov in de Bazarnajastraat; het Paustovski-museum in de lommerrijke Tsjernomorskajastraat waartegenover de door een aardverschuiving verdwenen kliniek stond die hij in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw bewoonde; het woonhuis van de familie Olesja in de Joeri Olesjastraat, vroeger Karantinnajastraat, met fraai uitzicht op zee; het fabrieksterrein in de wijk Moldavanka waar het geboortehuis van Babel heeft gestaan; het statige appartementengebouw aan de Risjeljevskajastraat waar de familie Babel later heeft
Voormalig appartement van de familie
Babel in Odessa, Risjeljevskajastraat,
17 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
gewoond en waar het trappenhuis onlangs zo grondig was vernieuwd dat van een oude sfeer schijnbaar niets meer restte. 
Lang niet overal werd gerestaureerd. Hele straten lagen er uiterst bouwvallig bij. Hoe gevaarlijk dat kan zijn, bewezen de oude balkons waarvan regelmatig hele brokken af vallen. Voorrang bij restauratie leken trouwens kerken te krijgen: orthodoxe en katholieke kerken werden in een rap tempo opgepoetst. De kathedraal aan het Sobornajaplein was van binnen zo wit geschilderd en nog zo kaal dat mijn ogen er pijn van deden.
     De meeste indruk maakten niet gebouwen op me maar bomen: de platanen, kastanjes en acacia’s langs eindeloos lange lanen die slaperig neerzakten naar de zee. Het mooiste bomenperspectief bood naar mijn smaak de hoek van de Risjeljevskajastraat en de Jevrejskajastraat: als je bij de synagoge, waar nog niet zo lang geleden de hoofdruimte als sportzaal dienst deed, midden op straat ging staan en zeewaarts keek.
     De Deribasovskajastraat, de beroemde centrale straat waarop veel lange lanen uitkomen, verschilde ogenschijnlijk niet veel van een wandelpromenade in Wenen of Berlijn. Hier waren de acacia’s al in de jaren zestig van de vorige eeuw op bevel van kennelijk niet al te poëtisch gestemde sovjetfunctionarissen gerooid. De dure Italiaanse en Franse modezaken en Japanse restaurants die het oude centrum rond de Deribasovskajastraat domineerden – met bovenverdiepingen die vaak in treurig vervallen staat zijn gebleven – waren duidelijk niet voor de gemiddelde Odessiet bestemd. Hetzelfde gold voor de veel te hoge flats die in het oude centrum verrezen en die grotendeels leeg stonden. Robuuste terreinwagens, symbolen van het wilde Westerse kapitalisme, beheersten de straten. Ik sluit me graag aan bij Jelena Karakina, de schrijfster van de erudiete stadsgids Wij wandelen door Odessa (Odessa 2009) die naar aanleiding van de bouw van de flat aan het Gretsjeskajaplein en van het hotel Odessa in de haven – gebouwen die het stadspanorama danig verpesten –, opmerkt dat ‘de kapitalistische smaak werkelijk niet beter’ is dan de socialistische. De schade door sovjetplanning bleef in het centrum van Odessa trouwens relatief beperkt omdat de oorlog het centrum redelijk intact had gelaten en er dus nooit een acute aanleiding voor grootscheepse nieuwbouw is geweest.
     De stad Odessa was van oudsher beroemd om haar binnenhoven met houten galerijen en veranda’s, waslijnen, touwladders van elektriciteitskabels, krukjes, waterkraantjes, mannen in pyjama’s en omaatjes op bankjes. Maar wijnranken, flitsen zonlicht door de schaduwen en
Zwerfhond in de Moldavanka,
 17 oktober 2010.
Foto  © Jan Paul Hinrichs
intelligente, deemoedige honden met melancholieke ogen – net als de bomen een ware charme van de stad – konden niet verhelen dat deze binnenhoven, vooral in de Moldavanka, er vaak erg armoedig bij lagen. Wat was er van het befaamde oude sociale leven op de binnenhoven nog over? Voor een passant uit den vreemde was dat in een paar dagen moeilijk in te schatten, maar optimistisch was ik er niet over.
    Toch leek de ontspannenheid die men traditioneel aan het straatleven in Odessa toeschreef nog wel te bestaan. Er was ogenschijnlijk weinig politie op straat. Het glanzende trappenhuis van het chique adres van Babel was vrij in te lopen, terwijl dat soort huizen in Rusland steevast potdicht zitten en portiers beneden hebben. [...] Als buitenlander had ik ook nooit de indruk dat ik opviel. Enkele onontkoombare en aan motoriek en kleding op grote afstand te identificeren Nederlandse ‘stedenreisechtparen’ van middelbare leeftijd liepen goedgestemd zonder gids door het centrum maar verder waren er – het was half oktober - niet veel buitenlanders te zien, zelfs niet in de hotels. Er was ook nauwelijks reclame die zich richtte op toeristen.
     De meeste grootstedelijke allure bood uiteindelijk toch de zeeboulevard met de buste van Poesjkin, het prestigieuze hotel Londonskaja met de befaamde platanen op de binnenplaats en het standbeeld van de Franse hertog Armand de Richelieu (1766-1822), een van de grondleggers van Odessa, bovenaan de Potjomkintrappen. Van boven af
Straathond in Odessa, 17 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
maakten deze trappen eigenlijk geen indruk en nodigden zelf niet uit om naar beneden te lopen. Maar van onder af was het beeld heel anders. Fraai was het uitzicht op Odessa ook vanaf de oude haven waarin in tegenstelling tot de containerhaven verderop geen enkele activiteit was: van daaruit bleek ook pas goed dat de stad op een plateau ligt en dat de beste manier om er voor het eerst te komen toch niet, zoals wij hadden gedaan, per vliegtuig is maar per boot.


Het Literaire Museum van Odessa was gevestigd in een paleisje aan de Lanzjerovskajastraat, vlakbij de opera. Dit museum toonde het brilletje van Babel, de pet en de das van Ilf, talloze andere voorwerpen, foto’s, affiches en een keur aan oude boeken die nog maar zo’n vijftien jaar geleden in antiquariaten voor een habbekrats te koop waren maar op veilingen in Londen inmiddels vermogens kosten. Het meest werd ik getroffen door een foto van de overloop in het huis van de kunstenaar en mecenas Jevgeni Boekovetski, de vriend en langdurige gastheer van Ivan Boenin. Er hingen ook een foto uit 1916 waarin we Boekovetski piano zien spelen en een potloodtekening die hij in 1919 van Boenin maakte. Ook stond er een tafel van palissanderhout die uit Boekovetski’s huis afkomstig scheen te zijn.
     Het meeste dat ik van Boekovetski wist, stamt uit mededelingen van Vera Boenina die in 1909 met hem kennismaakte toen ze Odessa met Ivan bezocht. In haar Het leven van Boenin. Gesprekken met de herinnering (heruitgave Moskou 2007) schrijft ze over hem: ‘Ik maakte kennis met de kunstenaar Boekovetski over wie ik veel zeer uiteenlopende meningen had gehoord. Hij kwam op de afgesproken tijd bij ons langs in een rijtuig, met een fluwelen kussentje voor mijn benen, en stelde voor een ritje te maken naar de zee en daarna bij hem te lunchen. […]. Het was een man met veel smaak en grillen, met een strikte dagindeling. Een jaar of twee daarvoor had hij een groot drama beleefd: zijn vrouw scheidde van hem en trouwde met een neef. […] Nu woonde hij alleen, maar alle vrije tijd […] deelde hij met Pjotr Aleksandrovitsj Niloes met wie hij in een tedere vriendschappelijke sfeer samenwoonde. Behalve met het schilderen van portretten en dagelijks pianospel in de avond hield Boekovetski zich met niets bezig (Pjotr Aleksandrovitsj Niloes handelde al zijn zaken af). Helemaal boven in het huis had hij een mooi atelier, bedekt met tapijten, met comfortabel meubilair en een enorm venster boven de bank. In deze studio waren veel iconen die hij verzamelde,- hun hele kring was dol op antiquiteiten.’
     In haar memoires portretteert Vera Boenina Boekovetski als een elegante man met een zwakke gezondheid die in zijn jeugd veel aan migraine had geleden. Hij was inmiddels ‘[…] “de vijand van alle vrouwen in Odessa”, die heel erg veel waarde hechtte aan vriendschap en op zondagen lunches voor mannen organiseerde […].’ Maar nu had hij toch alle aandacht voor haar, de levensgezellin van zijn vriend Boenin.
     Vera beschrijft het huis waar het gezelschap per rijtuig arriveerde: ‘Toen we voor waren gereden, gingen we door de hoge deuren van de hoofdingang. De vestibule verbaasde me: aan de muur hing een enorme groene wandversiering. Hier stond een lange gekromde divan, met daarvoor een tafel met een hoge lamp. De gastheer leidde ons over de brede trap met mooie houten donkerbruine leuningen naar boven. Boekovetski’s herenhuis van twee verdiepingen was van binnen helemaal betimmerd met donker hout. Vanaf de ruime overloop voerde een deurtje naar het balkon, ernaast bevond zich een gezellige zitkamer en een enorm atelier – met bijna over de hele muur een raam op het noorden – met schildersezels, doekramen en enkele portretten. In dit huis was ook een kunstgalerie met werken van de eigenaar en van plaatselijke kunstenaars. […] Alle kamers waren heel hoog en ruim. We daalden naar beneden waar Boekovetski mij zijn werkkamer en slaapkamer toonde. Het kwam niet in me op dat we een jaar of tien later in deze kamers zouden wonen. De eerste was de werkkamer en de bibliotheek. Een grote schrijftafel, een boekenmolen voor de encyclopedie. Aan de wanden eikenhouten kasten met boeken. Door een nauwe doorgang gingen we naar zijn slaapkamer. Een zachte divan voor een dutje overdag. [...] Na de bezichtiging liepen we verder naar de eetkamer waar we Niloes aantroffen die eigenlijk zijn leven deelde met Boekovetski en die in dit huis een fantastisch atelier had. Ook Koerovski en Zauze waren op de lunch uitgenodigd maar zonder hun vrouwen. Ik was verrukt van de grote eetkamer: meubels van rood hout, een tafel zonder kleed. De lunch begon origineel: eerst kwam er vis met gekoelde oude wijn, daarna soep. Boekovetski vond om een of andere reden dat je altijd met vis moest beginnen. Bij het warme eten werd goede, enigszins gewarmde rode wijn geschonken. De wijnen en de maaltijd waren geraffineerd. Koffie werd geschonken in de vestibule. We zaten onder de trap aan tafel. Al bij het eten was er een levendige sfeer, en hier werd het echt vrolijk.’  
      [...] Ik was niet van plan bij een ander schrijvershuis in Odessa aan te bellen, maar Boekovetski’s herenhuis aan de Knjazjeskajastraat 27 wilde ik graag van binnen zien. En er gebeurde wat ik voor ons vertrek naar Odessa zo had gehoopt: in de poort stond een geduldige, oudere man met donkere brillenglazen, een sportjack en een boodschappentasje die wel in was voor een praatje. Ik vroeg of hij hier woonde en dat was het geval. Hij vond het goed dat we binnen wat rondliepen, al zei hij er meteen bij dat hij het trappenhuis aan niemand kon aanbevelen. We liepen de poort door en kwamen op de binnenplaats waar een stenen buitentrap naar de ingang tot de benedenverdieping leidde. De deur stond open naar een portaal en een geheel duistere gang die halverwege een rechte hoek maakte. Aan deze gang lagen een stuk of drie appartementen waaronder die van de man. De gang kwam uit bij het trappenhuis dat licht ontving door een gehavend glazen dak. Beneden waren schilderslijsten en ander decoratief materiaal opgestapeld. Een brede met inmiddels verrot parket ingelegde trap waarop vroeger tapijten en koperen roedes moesten hebben gelegen en waarvan de lambriseringen nog intact waren, voerde naar boven. De trap maakte een zwaai naar links, nogmaals naar links en kwam op de eerste verdieping uit op een overloop waarvan de open trapleuning dezelfde was als op de foto die in het literatuurmuseum hing. De wanden van het trappenhuis waren kaal.
Trappenhuis in het huis van Boekovetski,
15 oktober 2010

Foto © Jan Paul Hinrichs
In een hoek stonden twee ladders, vermoedelijk om bij het glazen te dak komen. Er waren lekkages geweest. De bewoners, zo vertelde de man, hadden tevergeefs brieven naar de woningcoöperatie gestuurd om het dak en de trap te laten herstellen.
    Op de overloop hingen elektriciteitsmeters. Rechts lag een appartement waaruit een vrouw nieuwsgierig naar buiten kwam. Links moest de doorgang zijn geweest naar het vierkanten balkon dat Vera Boenina in haar memoires noemt. Ik begreep van onze gids, die de indruk op mij maakte meer te weten dan hij losliet, dat de gesloten deur in het midden van de overloop naar een atelier leidde dat aan een kunstenaar was verhuurd. Deze bestemming wees op een verrassende continuïteit: de ruimte had, ondanks de gewijzigde eigendomsverhoudingen, nog dezelfde functie als in de tsaristische tijd.
     Ik klopte op de deur van het atelier maar het bleef stil. Hier was vermoedelijk ook de doorgang geweest naar de zolderwereld waar een andere vriend van Boenin had gewoond: de door Vera genoemde kunstenaar Pjotr Niloes. Ongetwijfeld had Boenin zich door Niloes en zijn comfortabele zolder in het huis aan de Knjazjeskajastraat laten inspireren, toen hij in 1916 het verhaal ‘Tsjangs dromen’ schreef (zie voor de vertaling Boenins Verzamelde werken, dl. 2, Amsterdam 1996). Hierin komt een uit China afkomstige hond na de begrafenis van zijn baas, een kapitein, onder hoede van een schilder die op een zolder woont: ‘Die dag verhuist Tsjang na terugkeer van het kerkhof naar het huis van zijn derde baas, ook nu ergens hoog, op een zolderkamer, maar een warm vertrek, dat naar sigaren ruikt, met tapijten is belegd en gemeubileerd met antiek meubilair en behangen met enorme schilderijen en brokaten draperieën… Het wordt donker, in de haard gloeit een somber rood vuur, Tsjangs nieuwe baas zit in een fauteuil. Hij heeft zich bij thuiskomst, zonder zelfs zijn jas uit te doen of zijn hoge hoed af te zetten, met een sigaar in die diepe fauteuil neergelaten, en nu rookt hij en staart de schemering van zijn atelier in. En Tsjang ligt op het kleed bij de haard, met gesloten ogen, zijn snoet op zijn poten.’
     De bijna vijf meter hoge, ’s winters koude appartementen van de vrouw en de man betraden we niet: we vroegen er niet om en ze nodigden ons niet uit. Wel wilde ik weten of zich hier vaker mensen met belangstelling voor Boenin en Boekovetski onaangekondigd meldden. De man vertelde dat hij veertig jaar in het huis woonde en dat voor zover hij wist niemand binnen was geweest. Wel stonden er vaak mensen voor het huis in de straat, niet wetende dat de gedenkplaat aan de rechterkant van de gevel de verkeerde indruk wekte dat Boenin in het gedeelte rechts van de poort had gewoond, de kant die Boekovetski geheel verhuurde. Ook staat foutief op de plaat dat Boenin hier in de jaren 1918-1919 woonde: dat moest 1918-1920 zijn. In het linker deel van het huis, het woongedeelte van Boekovetski, bevond zich ook nog de oude hoge voordeur die volgens Vera Boenina in de jaren dat ze in het huis woonden maar één keer open was gegaan: op de dag, begin 1920, van hun definitieve vertrek uit de stad en Rusland. Het geweervuur van de naderende bolsjewieken was toen al te horen geweest. Boekovetski bleef toen in zijn huis achter: het perspectief van een emigratie naar de Balkan of Frankrijk moet hem niet gelokt hebben.
     Om de hoek van de straat was een markt. Dat was de plaats waar de Sretenskajakerk had gestaan waar in 1898 Boenin en Anna Tsakni waren getrouwd. Een eerder verblijf in Odessa had geresulteerd in een huwelijk met deze beeldschone jonge Griekse waaruit een zoon werd geboren. Boenin en Anna waren al lang uit elkaar toen de jongen in 1905 stierf. Vlakbij was hier ook de Pasterstraat, vroeger de Chersonskajastraat, met het huis waar Boenin bij zijn schoonouders had gewoond: alle drukte in huis had voor Boenin het werken schier onmogelijk gemaakt. Er was nog altijd een binnenplaats waarop vanuit de woning uitzicht was geweest maar het bleef onduidelijk waar Boenin voor het venster had gestaan. Een eindje verderop lag de stadsbibliotheek, met de schemerachtige vleugel waarin Anna Tsakni tientallen jaren, en vrijwel tot aan haar dood in 1963, een kamer had bewoond.
     Op de voorlaatste dag in Odessa ging ik nogmaals naar het huis op de Knjazjeskajastraat. Toen viel me door de bladerdaken heen ook de hoofdletter B (van Boekovetski maar en passant ook van Boenin) op die onder het dak in de voorgevel was gebeiteld. Ik ging het huis weer in en liep zonder uitnodiging naar het atelier op de eerste verdieping.
De eerste verdieping van Boekovetski's huis in de
tijd van Boenin. In het midden de opening van de deur
 die ik gesloten vond. Foto van een foto in een
vitrine in het Literaire Museum van Odessa,
15 oktober 2010.

Foto Jan Paul Hinrichs
De klop op de deur bleef ook dit keer onbeantwoord. Pas thuis zag ik op de foto’s die ik had gemaakt dat er naast de deur ook een bel was geweest, waarop ik eigenlijk had moeten drukken.

     Toen ontdekte ik ook  in een recent boek van Rostislav Aleksandrov, de eminence grise onder de kenners van literair Odessa, dat ik van de reis had meegenomen dat in het huis aan de Knjazjeskajastraat in recente tijd nog een familielid van Boekovetski had gewoond. Het werd niet duidelijk wie dat was. Maar zij had rond 1980 de tafel van palissanderhout aan het Literair Museum verkocht. Het huis dat na de burgeroorlog ‘volkseigendom’ was geworden, bleek dus niet helemaal in handen van vreemden te zijn gekomen en de oude eigenaar had nog lang zijn stempel er op weten te drukken. Boekovetski, die in 1923 was hertrouwd, had er  tot aan zijn dood in 1948 ook zelf gewoond; zijn weduwe bleef er tot haar dood in 1956. De man die ons binnenliet, vertelde dat veertig jaar geleden alle nu kale wanden van de trap nog volhingen met schilderijen. Boekovetski had naar verluidt doeken van Repin die nu miljoenen opbrengen.
     Ik sloeg Vervloekte dagen weer open en spelde het uit op verwijzingen naar dit huis aan de Knjazjeskajastraat. Hij was er met Vera in 1918 vanuit Moskou gekomen toen Odessa nog niet onder bolsjewistisch bewind stond. Ze woonden er nog toch toen de bolsjewieken in het voorjaar en de zomer van 1919 tijdelijk de macht grepen. Vervloekte dagen  (zie voor de vertaling Boenins Verzamelde werken, dl. 4, Amsterdam 2002) beschrijft het schrikbewind van deze periode. Over het huis zelf lezen we niet veel maar wel verwoordt Boenin hoe onder druk van de tijdsomstandigheden de wereld rondom het huis ineens anders aanvoelde. De lente was ineens geen lente meer: ‘Vannacht goot het van de regen. De dag is grijs en koel. Het boompje op onze binnenplaats dat groen begon te worden, is verbleekt. Ook op de lente rust een soort vloek. Het belangrijkste is dat er helemaal geen lentegevoel is. En wat moet een mens vandaag de dag met de lente?’
    [...] Afgaand op Boenins dagboeken was de tijd in Grasse onder Italiaanse en Duitse bezetting kinderspel vergeleken bij wat hij in bolsjewistisch Odessa meemaakte. Opvallend is ook dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog veel verhalen schreef, maar dat hij in Odessa vrijwel alleen tot het schrijven van een dagboek kwam. Uit angst voor huiszoekingen verstopte Boenin naar zijn zeggen ’s nachts zijn papieren en geld [...].
     In het najaar van 2010 lag deze binnenplaats erbij zoals Boenin die moet hebben achtergelaten, toen begin 1920 de bolsjewieken op het punt stonden de stad opnieuw in te nemen. Ineens leek die wereld toch veel dichterbij dan ik had verwacht. Negentig jaar van honger, terreur, oorlog, bezetting, communistisch bestuur en oligarchisch kapitalisme waren voorbij gegaan – maar toch bleek Boekovetski’s wereld waarin Boenin onderdak had gevonden nog aanraakbaar. De breuk met het tsaristische verleden moet voor de achterblijvers heel wat minder absoluut zijn geweest dan voor de Boenins en al die anderen die met de laatste schepen voor altijd waren vertrokken.

In de Empik-boekhandel op de Deribasovskajastraat sloeg ik onwillekeurig een verzamelbundel open met gedichten en essays van die andere Russische Nobelprijswinnaar, Joseph Brodsky (1940-1996). In de inhoudsopgave trof mij een gedicht dat ik niet kende: ‘Voor het monument van A.S. Poesjkin in Odessa’. Het bleek dat Brodsky het gedicht pas had opgenomen in zijn laatste bundel die verscheen in 1996, het jaar van zijn dood. Nederlandse of Engelse vertalingen van dit gedicht kon ik niet vinden en ook was in de omvangrijke Brodsky-literatuur nauwelijks commentaar voorhanden. Als datering staat onder het gedicht: ‘1969(?) 1970 (?)’ Maar uit stukken die ik op het Russische en Oekraïense internet vond, blijkt dat het gedicht vermoedelijk in 1971 moet zijn geschreven. In het begin van dat jaar liep de toen dertigjarige Brodsky namelijk onder curieuze omstandigheden in Odessa rond.
Oorkonde van Konstantin Paustovski-prijs uit Odessa,
toegekend aan Jan Paul Hinrichs voor zijn boek De mythe van Odessa.

["Грамота муніципального литературного конкурсу имені Костянтина
Паустовського нагороджується Ян Пауль Гінріхс (Голандія)
за книгу «Міф Одеси» / Заступник міського голови / Олена
Павлова / Травень 2011 року".]

     Brodsky’s held, de ik-persoon van dit gedicht, raakt als buitenstaander in Odessa verzeild: ‘[…] eens op een ochtend / met een zware bijsmaak in de mond / daalde ik naar de kust in een vreemde haven.’ De omstandigheden waren winters, anders dan je zou verwachten bij een gedicht over Odessa, een stad die vanuit Leningrad of Moskou bezien haast als subtropisch gold: ‘Het was winter. / De korrelige sneeuw sneed mijn wang, maar de aarde / was te zwart voor de witte korrels. / Heel hard rochelde de sirene. / Nog in de traphallen verstijfde de nacht. / Ik bewoog me verder.’ Er was niemand op straat: ‘O, steden van de wereld in het uur van de dageraad! / De hotels zijn doods.’ Misschien doelt Brodsky hier op het hotel Londonskaja aan de Primorskiboulevard, immers zijn held bevindt zich vlak bij de zee: ‘Een dichte mist / doorbladerde de wijken, als een dikke roman. / De haf, bekleed met zwaar ijs, als de verstomde tong van het vasteland, was grijs, en als vlekken van het plafond / kwamen de wolken.’ Over een trap met een ‘ontzettende lengte’ ging hij naar boven, waar, en dan komen we bij het standbeeld van Poesjkin uit de titel, ‘de apostel van de plaatsverandering verstijfde, / met zijn rug naar het vaderland, en het gezicht / naar de franje waarheen het hem nooit lukte / te lopen.’
     Brodsky doelt hier waarschijnlijk op het buitenland dat Poesjkin nooit lijfelijk bereikte. Hij voelt bij Poesjkin ‘de droefheid van de verwantschap’. En ‘wie weet in zo’n zelfde vroegte, / voelde hij ook dat de zaken er slecht voorstaan, / waarheen hij ook keek. // En blijkbaar / wachtte hij hier op iets dat je niet moet verwachten / van het leven: vrijheid.’ Brodsky citeert Poesjkins befaamde gedicht ‘Aan de zee’ waarin de dichter uitroept ‘Vaarwel, vrij element!’ en levert zijn eigen commentaar: ‘Er is in onze droeve taal geen regel / wanhopiger en meer tegen / zichzelf geschreven, en daarna met de hand / honderd jaar gekopieerd.’
     Uitte Poesjkin zich hier werkelijk zo wanhopig? Zijn held kon weliswaar niet naar het buitenland vluchten maar had een vlucht ook niet nodig, want, zoals zijn gedicht ‘Aan de zee’ stelt, ‘Het lot van de mensen is overal hetzelfde’. Brodsky betrekt Poesjkin op zijn eigen situatie: als dichter streefde hij naar een vrijheid die hij in de Sovjet-Unie niet kreeg. Maar de romantische flair die Poesjkins held zich kon veroorloven, wetende dat na een verblijf aan de Zwarte Zee wel weer elders andere avonturen wachtten, veranderde ongeveer anderhalve eeuw later bij Brodsky in beelden van ijzige verstijving: het bestaan in de Sovjet-Unie waarin al niets meer te winnen was.
     Het jaar daarop, in 1972, verliet Brodsky min of meer gedwongen de Sovjet-Unie. Vanuit Leningrad vloog hij naar Wenen. Het was de eerste stap in een schitterende carrière die uiteindelijk uitmondde in de toekenning van de Nobelprijs in 1987. Maar zover was het toen nog lang niet. Brodsky had geen vast werk en kon zijn gedichten en vertalingen niet in eigen land publiceren. Uit geldgebrek nam hij ook andere klussen aan. Zo kwam hij in contact met de filmregisseur Vadim Lysenko die bezig was met De trein naar de verre maand augustus, een film over de belegering van Odessa ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Brodsky was bereid in deze film de rol van een historische figuur te spelen waarop hij ook sprekend scheen te lijken: de communistische partijsecretaris Naoem Goerevitsj. Vanuit Leningrad reisde hij naar Odessa, waar een befaamde filmstudio bestond. De film werd al opgenomen toen de regisseur een telefoontje uit Kiev kreeg: hij moest zich urgent melden. Op het filmhoofdkwartier kreeg Lysenko van zijn meerderen te horen dat hij alle scènes met Brodsky uit de film moest snijden. Voor Brodsky zat het verblijf in Odessa er meteen op.
     Jevgeni Goloebovski, een literator uit Odessa, haalt in een recent artikel in het Russische internettijdschrijft Lechaim herinneringen op aan Brodsky’s episode in Odessa: ‘Ik heb Joseph Brodsky in Odessa gezien. Op een koude dag in maart 1971 belde me Leonid [=Lev] Mak, een dichter uit Odessa, en nu Amerikaanse dichter. Brodsky is in Odessa. Vandaag is hij te gast bij de schilder Strelnikov. Komt u langs, ik hoop dat hij gedichten zal lezen. […] Brodsky kwam ongeveer een uur te laat bij Strelnikov […]. Hij was weinig spraakzaam en somber. Hij zat in een verre hoek van de grote tafel en schonk een glas rode wijn in (we dronken toen allemaal de goedkope en niet slechte Sjabskoje-wijn uit Odessa), zweeg, luisterde niet aandachtig naar het gesprek, dronk. Het gesprek dat voor zijn komst was begonnen, ging verder. Mak waarschuwde me zacht dat Joseph problemen had en dat hij gedichten wel niet zou voorlezen. Zo gebeurde ook. […] Spoedig kwam ik erachter dat Brodsky die dag het bevel had gekregen Odessa te verlaten. Als Poesjkin in 1824… […] Wie hem heeft “verklikt”, is ook nu nog een raadsel.’
     Regisseur Vadim Lysenko liet scènes waarin Brodsky op de voorgrond trad opnieuw schieten met een andere acteur die op Brodsky leek. De opdracht die hij had gekregen, voerde hij maar ten dele uit: hij handhaafde al gefilmde scènes waarin de verdoemde dichter zich niet goed zichtbaar op de achtergrond bewoog. Zelf heeft Brodsky de film vermoedelijk niet gezien, want hij was al naar het Westen geëmigreerd voordat die in de Sovjet-Unie in de bioscoop kwam. Zijn naam ontbreekt uiteraard op de aftiteling. Wel is onlangs op internet een curieuze foto boven water gekomen die tijdens de filmopnamen is gemaakt: we zien Brodsky van opzij tijdens een vergadering van een militaire raad.
     Het lijkt ondenkbaar dat dit merkwaardige incident in 1971 in Leningrad of Moskou had kunnen gebeuren. De ‘onbetrouwbare’ Brodsky was er veel te bekend voor dergelijke experimenten rond een film: de autoriteiten hadden er ogenblikkelijk weet van gekregen. In Odessa was de sfeer zelfs voor Brodsky aanvankelijk wat losser – totdat ook daar iemand ging kletsen. De grote afstand tot het centrum vormde steeds een sluimerend kapitaal in Odessa: in Poesjkins tijd, in Boenins tijd, in Brodsky’s tijd en, hopelijk, nog altijd.

Jan Paul Hinrichs


| Ingekorte versie van een stuk dat eerder verscheen in De Parelduiker 16 (2011), No. 2, pp. 49-61. In bijgewerkte vorm opgenomen als ‘Epiloog’ in: Jan Paul Hinrichs, De mythe van Odessa (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2011). In bijgewerkte vorm herdrukt in Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 112-125. Dit boek verscheen ook in Oekraïense vertaling: Mif Odesy (Kyjiv: Duh i litera, 2011).