zondag 9 augustus 2026

Kampgedichten van Hellema (Recensie)

DODENHERDENKING MET HELLEMA

‘Weinig dingen raken zo gauw gedateerd als literatuur’, schrijft Hellema, pseudoniem van Alexander Bernard van Praag (1921-2005), in zijn laatste boek De woede van de wind (2003). Dat gold spoedig ook voor hemzelf: na zijn dood raakte hij schijnbaar automatisch buiten beeld. Zijn carrière was ook al kort. In 1982 debuteerde Hellema op 61-jarige leeftijd met de verhalenbundel Langzame dans als verzoeningsrite, waarin zijn gruwelijke ervaringen in zes Duitse concentratiekampen centraal staan. Hellema was even de auteur van een cultboek. Sindsdien verschenen nog negen boeken: romans, verhalenbundels en verzamelingen korte reflecties. Reeds in de tweede bundel Enige reizen dienden niet ter zake (1983) verplaatst het decor zich van de kampwereld naar het zakenleven, waarin Van Praag, net als collega’s met de pseudoniemen Nescio en Elsschot, zich decennia bewoog. In de internationale textielbranche bracht hij het uiteindelijk tot leidinggevende in Enschede, alvorens hij eind jaren zeventig vervroegd met pensioen ging.

Hellema, wiens hoofdpersonen Hellema heten en de lezer nadrukkelijk tot een puur autobiografische interpretatie van zijn proza verleidt, raakt op zakenreis zijn kampherinneringen nooit kwijt: ‘Ik zou geen Duitser van mijn generatie kunnen ontmoeten zonder mij af te vragen wat hij in zeg 1943 had uitgevreten’ (Bestekken. Plaatsbepalingen in de tijd, 1989). Onvermijdelijk komt hij voortdurend oude nazi’s tegen. Herinneringen beïnvloeden zijn contacten, waar ook ter wereld: hij is, aldus Enige reizen dienden niet ter zake, ‘een handelsreiziger in verleden tijd’. Vrijwel altijd is Hellema onderweg in zijn proza: een thuis heeft hij niet, steeds een hotelkamer, van Lima tot Oost-Berlijn. Liefde en vriendschap bestaan niet, wel vluchtige en onverschillig ondergane avonturen met prostituees als vast ritueel. Een pseudoniem zonder voorletter of voornaam past perfect bij de leegte die Hellema uitbeeldt. Liefde gaat wel uit naar zijn auto’s: een Aston Martin en een Porsche. Vooral in de complexe roman Een andere tamboer (1985), waarin de held in de Apennijnen naar eigen identiteit op zoek gaat, excelleert Hellema in proza waarin hij vakkennis van zijn Porsche met veel taalkundige inventiviteit en de zelfverzekerde toon van man van de wereld onder woorden brengt.

Hellema profileert zich als een ongenaakbare, stijlvolle en politiek verre van correcte man die uiteindelijk een thuis vond bij de vrijmetselaars. De broederlijke opdracht in mijn exemplaar van Bestekken bewijst dat: ‘Voor mijn vriend en Br:. Martin F. met liefde en respect. Bilthoven, 27 juli 1989.’ Vlak na Hellema’s dood verscheen nog een bloemlezing uit eigen werk, Niet van horen zeggen (2005), bij zijn vaste uitgever Querido, en toen werd het heel stil. Geen boek werd herdrukt en niemand schreef schijnbaar iets over Hellema, totdat Rob Luckerhof in dit blad (2021/4) een artikel publiceerde waarin hij op zoek ging naar de maconnieke wortels van Hellema’s proza en het gedicht ‘Kotälla e.a.’ afdrukte uit Helllema’s nagelaten poëzietyposcripten in het Literatuurmuseum. Van deze niet eerder gepubliceerde gedichten maakt hij nu met Anneruth Wibaut een uitgave, Als een mokerslag, die wellicht niet toevallig kort voor Dodenherdenking verscheen. De gedichten worden vergezeld van informatieve causerieën, zodat het boekje ook als korte biografie van Hellema fungeert. De drieëntwintig gedichten stammen vooral uit 1981, de tijd dat Hellema aan zijn prozadebuut schreef. De maximaal kale en soms ultrakorte regels gaan over hetzelfde als zijn kampverhalen: de beestachtige behandeling van gevangenen door de nazi’s. ‘Scharfueher’s nachtlied’ is de sinistere titel voor een monoloog van een Oberscharführer die hogerop wil: ‘Eerst mocht ik slaan, nu mag ik trappen, / Straks mag ik schieten / En ooit misschien wel vergassen.’ Oorlogsmisdadiger Joseph Kotalla, die Hellema in Kamp Amersfoort meemaakte en in 1979 na een in levenslang omgezette terdoodveroordeling in gevangenschap in Breda stierf, krijgt postuum alsnog zijn executie: ‘Ik had hem toen en daar moeten vermoorden / de keel dichtknijpen en ’t verborgen mes / ronddraaien in zijn maag.’

Hellema wijst het kwaad snoeihard aan. Tegenover het gewicht van de getuigenis is alle fictie over oorlog overbodig: ‘Literatuur is voor mensen met een zwakke maag. Wie kotsbestendig is, neemt kennis van de feiten’ (De woede van de wind). Het is geen wonder dat Hellema zich in Slotnotering uit Barnet. Aantekeningen 1986-1995 (1996) juist uitvoerig bekent tot George Orwells aanpak van de abominabele toestanden in Engelse mijndistricten in The Road to Wigan Pier: ‘Onthutsend door zijn nuchterheid van taal, schokkend door het ontbreken van beeldspraak. […] Zo schrijft wie schrijft omdat het nodig is, wie weet dat de verbeelding machteloos is.’ Een revival voor Hellema, wiens boeken antiquarisch voor een habbekrats te koop zijn, is wellicht wat veel gevraagd. Maar Als een mokerslag agendeert hem als een interessante, vergeten auteur van een voorbije generatie. Hellema verdient weer een plaats in het gesprek, niet alleen over Duitse concentratiekampen, maar ook over onderwerpen als Oost-Berlijn, auto’s en zakenmoraal waar hij vaak prikkelend over schrijft, of gewoon om zijn ware kracht: haarscherpe taal die niet ondergaat in nevenaffecten.

Jan Paul Hinrichs


Rob Luckerhof, Anneruth Wibaut, Als een mokerslag. Over de kampgedichten van Hellema. Bloemendaal: Schaep14, 2025. 95 p. € 19,99 (info@schaep14.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 30 (2025), nr. 3, p. 96-98