Posts tonen met het label Odessa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Odessa. Alle posts tonen

dinsdag 21 juni 2022

Alexander Poesjkin en Grieks Odessa (artikel verschenen)

 ALEXANDER POESJKIN EN GRIEKS ODESSA (ARTIKEL VERSCHENEN)

Zojuist verscheen in Lychnari een artikel over Grieks Odessa, en met name de plaats daarvan in het werk van Poesjkin.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, '"Onder vijf Grieken praatte alleen ik als een Griek". Alexander Poesjkin en Grieks Odessa', Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu 36 (2022), nr. 2, pp. 38-41.

vrijdag 16 november 2012

De mythe van Odessa: Russische roofdruk

VERTALING OF PLAGIAAT IN ODESSA?

Publiekelijk inhakken op vertalers was vooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een geliefde bezigheid
Televisieprogramma in Odessa,
11 juni 2011.

Foto © Jan Paul Hinrichs
onder slavisten. Ook buitenstaanders smulden van de strijd tussen Revianen en Timmerianen die veel ingezonden persstukken opleverde. Zo moest Marko Fondse regelmatig belhamels die zich aan de oude Timmer vergrepen tot de orde roepen. Vertalers leden niet gering onder de strijd: levenslange vijandschappen ontstonden om een paar regeltjes in de krant. Of dat het allemaal waard was? Vertalen is handwerk waarbij het vergeeflijk is als een enkele keer iets mis gaat. Anders wordt het als vertalers op de stoel van auteurs gaan zitten: dan maken ze zichzelf vogelvrij. [...]

Jan Paul Hinrichs

| Fragment van een artikel n.a.v. het verschijnen van een Russische vertaling-roofdruk van mijn boek De mythe van Odessa, eerder verschenen in De Parelduiker 17 (2012), No. 3, pp. 69-71. In bijgewerkte vorm herdrukt in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 126-129. 

Zie verder hierover het bericht van 22 mei 2012.

maandag 18 juni 2012

Ilf en Petrov: De blauwe duivel (Recensie)

ONZICHTBAAR AANWEZIG


Het werk van Ilja Ilf en Jevgeni Petrov gaf de stoot tot de oprichting van een unieke Amsterdamse onderneming: de uitgeverij M Bondi (voorheen M Bondi & Galerie Onrust) die zich uitsluitend op de uitgave van hun satirische proza toelegt. De afgelopen jaren trotseerde uitgever én vertaler Frans Stapert de concurrentie van de Wereldbibliotheek, die ook de schelmenromans De twaalf stoelen (1928) en Het gouden kalf (1931) uitgaf. De bundel De blauwe duivel, die prozastukken uit de jaren 1928 en 1929 bevat, heeft hij nu tenminste alleen. Het gaat om werk dat tijdens het leven van Ilf en Petrov niet meer in boekvorm is herdrukt. De eerste
Geboortehuis van Jevgeni Petrov in Odessa,
15 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
herdruk zonder coupures verscheen pas in 1994 in het nieuwe vijfdelige verzamelde werk van Ilf en Petrov dat momenteel in Moskou verschijnt.
        Frans Stapert noemt ze ‘novellen’ maar twee van de drie stukken zijn eigenlijk feuilletons. ‘Ongewone gebeurtenissen uit het leven van de stad Kolokolamsk’ is een kroniek van het kleinburgerlijke Russische provincieleven in de tijd van het NEP, toen socialisme en kapitalisme een soort monsterverbond aangingen. De absurde gebeurtenis is de bouw van een wolkenkrabber voor de hele bevolking van Kolokolamsk. De gevolgen laten zich lezen als een evaluatie van de Sovjeteconomie die nog decennia haar geldigheid zou bewaren: ‘De buizen van de onvoltooide centrale verwarming verwerkten de burgers tot bedden. Van het koperen hang-en-sluitwerk maakten ze aanstekers en verkochten deze thuiswerkproducten aan het gouvernementele handelscentrum. Over de gelakte trapleuning hing de was te drogen en in de marmeren trapportalen werden houten boerderijprivaten opgetrokken.’ Toen fragmenten uit dit feuilleton in de jaren zestig in Tasjkent werden herdrukt, werd de naam van een van de helden, de ruziemaker Nikita, door de uitgever (of censor?) in Nikola veranderd om de lezer niet op de gedachte te brengen dat Ilf en Petrov de toenmalige partijleider Nikita Chroesjtsjov op het oog konden hebben.
            ‘De nieuwe Sheherazade uit Duizend-en-één-dag’ is een raamvertelling waarin een met ontslag bedreigde Moskouse administratrice ten overstaan van haar chef verhalen vertelt waarin genadeloos wordt afgerekend met de luiheid en manipulaties van alleen op macht uit zijnde ambtenaren en partijbonzen. Beide feuilletons zijn in opdracht van tijdschriftredacties ontstaan. Jevgeni Petrov heeft later verklaard dat het schrijven van de afleveringen waarvan de omvang ook door afspraken met redacties bepaald werd, een kwellende aangelegenheid was: ‘Wij voelden dat we iets anders moesten schrijven.’ Dat andere werd tenslotte het meesterwerk Het gouden kalf.
            Van een gebrek aan vertelplezier zal de lezer overigens niets merken. Ilf en Petrov tonen weer een feilloos gevoel voor drama en veel scherpe humor waarin de knapste maatschappelijke analyses verborgen zitten. Wat de feuilletons missen, is die ene held die in Het gouden kalf en De twaalf stoelen, in de figuur van de charmante oplichter Ostap Bender, het hele gebeuren bijeenhoudt. Een centrale figuur zit wel in het derde stuk, ‘Een man van formaat’, tevens het hoogtepunt van de bundel. De titel is ironisch want de vertelling gaat over een nietige ambtenaar, een ‘registrator’, die huurschulden maakt om voor een pak te kunnen sparen. Zijn monotone bestaan verandert radicaal als hij door het antisproetenmiddel van een uitvinder ineens onzichtbaar wordt. ‘Filjoerin restte nog slechts één ding: zijn denkvermogen. Maar daar had hij nog nooit iets mee gedaan.’ Ongewild groeit de registrator uit tot een controleur van zijn collega’s die telkens vermoeden dat hij hen in het geheim gadeslaat. Hun oplettendheid slaat om in schuchter dienstbetoon en angst voor een onzichtbare maar alom aanwezige kracht.
            Ilf en Petrov schreven dit verhaal voordat de persoonlijkheidscultus en het totalitarisme van Stalin echt waren begonnen. Maar vanuit het perspectief van onze tijd zien we in dit verhaal moeiteloos de kern van een dictatuur en cultuur van leugens en angst die de lezer van 1928 nog grotendeels onbekend waren. Ook was er toen nog geen sprake van de bouw van gigantische overheids- en partijgebouwen die we uit de jaren dertig kennen. Zolas Kolokolamsk een overbodige wolkenkrabber had, bezat de stad Pisjtsjeslav een clubgebouw ‘rijk aan architectonische verfraaiingen’ dat ‘nuttig vloeroppervlak geheel ontbeerde’. Zo was er in het hele gebouw geen wc, zodat algauw toestanden ontstonden die de misplaatste grandeur en verloedering van het hele land karakteriseren: ‘De colonnades, galerijen en peristylen waren snel vervuild geraakt en een stinkkaasachtige geur walmde tussen de zuilen het plein op.’
            Het groteske proza van Ilf en Petrov benadert de werkelijkheid, zeker in retrospectief, vaak heel dicht. De auteurs leken daar zelf ook wel van overtuigd toen ze ‘Een man van formaat’ schreven: ‘Het valt niet mee in het bestaan van een stad als Pisjtsjeslav te geloven, maar bestaan doet ze en dat ontkennen is onmogelijk.’Toch zijn het zeker niet uitsluitend politieke of Ruslandkundige aspecten en de steeds opduikende vreugde om die te ‘herkennen’ die het werk van Ilf en Petrov nog altijd zo aantrekkelijk maken. Hun kracht zit toch in de eerste plaats in het onvervalste leesplezier dat ze bieden: hun universele komische talent overstemt de onmiskenbaar in hun werk aanwezige sarcastische ondertonen, waardoor de uitgebeelde treurigheid ook de tragiek ontbeert die in de Russische literatuur al genoeg voorhanden is.
           
Rec. van Ilja Ilf & Jevgeni Petrov, De blauwe duivel (vertaling Frans Stapert), Uitg. M Bondi, 1995.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 17 februari 1996, p. 73.
           

Ilf en Petrov: De twaalf stoelen (Recensie)

LIJMEN IN TWAALF STOELEN

Het was lange tijd een jongensdroom van menig slavist om de roman De twaalf stoelen van het uit Odessa afkomstige schrijversduo Ilja Ilf (1897-1937) en Jevgeni Petrov (1903-1942) te vertalen. Dit boek uit 1928 was reeds in 1931 (door S. van Praag) en 1937 (door G. Wronsky & J. Mertens) vertaald, maar sindsdien van de Nederlandse boekenmarkt verdwenen. De zojuist verschenen nieuwe vertaling van Frans Stapert heeft uitgeverij Wereldbibliotheek er niet van weerhouden alvast een vierde vertaling (door Arie van der Ent) aan te kondigen. Die zal ongetwijfeld veel stof voor vergelijking opleveren, maar het belangrijkste is dat het boek weer beschikbaar is. De twaalf stoelen is namelijk niet alleen een van de beste, maar ook een van de geestigste Russische romans. Ik heb de voortreffelijke nieuwe vertaling die kennelijk door een gelegenheidsuitgeverij op de markt is
Binnenplaats achter geboortehuis van Jevgeni Petrov
 in Odessa, 15 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
gebracht, maar er alleszins fraai uitziet, in één ruk uitgelezen.
    De twaalf stoelen is een schelmenroman die speelt in Rusland tijdens de jaren twintig. De saaie ambtenaar van de burgerlijke stand en ex-edelman Vorobjaninov verneemt van zijn schoonmoeder op haar sterfbed dat ze vlak voor de revolutie een partij juwelen heeft verborgen in de zitting van een van haar twaalf notenhouten stoelen met gebogen poten. Op speurtocht naar deze stoelen sluit de charmante oplichter en ‘grote combinator’ Ostap Bender zich bij hem aan. Om de stoelen, die inmiddels op allerlei plaatsen terecht zijn gekomen, te bemachtigen beschikt Bender over ‘talrijke beproefde methoden: 1. Eenvoudige kennismaking. 2. De liefdesaffaire. 3. Kennismaking met diefstal. 4. Bedrog en 5. Geld. Het laatste middel was het betrouwbaarst, maar helaas niet onbeperkt voorradig.’
            Het optreden van het oplichtersduo, hun onderlinge discussies, de onweerstaanbare humor, en de door de tekst verweven opschriften, uithangborden en reclameteksten doen mij aan een andere roman uit de jaren twintig, Elsschots Lijmen, denken. Niettemin zijn de praktijken van het duo Boorman-Laarmans kinderspel vergeleken bij die van hun Russische collega’s en zijn de personen die deze om de tuin leiden ook heel wat goedgeloviger dan Elsschots Vlaamse handelaren.
            Bender die voortdurend in de rol verkeert ‘van een roulettespeler die op één nummer speelt en onmiddellijk zesendertig keer zijn inzet wil terugzien’ neemt de leiding van de expeditie op zich. Onwillekeurig raakt hij gehecht aan zijn onhandige maat die hij niettemin graag kleineert: ‘Wat u aan kleurloosheid en onmacht bezit, mist u aan organisatietalent.’ Nadat de opgespoorde stoelen steeds niets hebben opgeleverd en uiteindelijk de twaalfde stoel is gevonden, vermoordt Vorobjaninov met een scheermes Bender in zijn slaap. Hij moet evenwel vaststellen dat de juwelen uit de stoelzitting zijn verdwenen en door communisten gebruikt zijn om een club mee te bouwen.
            Terecht zeggen de uitgevers dat De twaalf stoelen een satirisch portret van de Sovjetmaatschappij tijdens de NEP geeft, een tijd die door de confrontatie van het communisme met het kapitalisme sterke parallellen vertoont met het heden. Anderzijds toont de roman de historische continuïteit van allerlei groteske en chaotische toestanden in Rusland, doordat de uitgebeelde werkelijkheid ook sterk lijkt op Gogols Rusland in Dode zielen. De twaalf stoelen bevat onmiskenbaar toespelingen op dit boek en veel analoge situaties waarvan de herkenning nog een schepje aan het toch al grote leesplezier toevoegt. De bekende stelling dat het Russische communisme niets anders was dan een uit de hand gelopen voortzetting van eeuwenoude praktijken lijkt door deze meesterlijke roman ondersteund te worden.

Rec. van Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, De twaalf stoelen (vertaling Frans Stapert), Uitg. M Bondi & Galerie Onrust, 1993.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 18 december 1993, p. 87.

donderdag 10 mei 2012

Met Boenin en Brodsky in Odessa

MET BOENIN EN BRODSKY IN ODESSA 

-------------------------------------------------------------------------
Een drastisch gewijzigde, nieuwe versie van dit opstel is verschenen in een boek met twaalf stukken over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020).
--------------------------------------------------------------------------


Odessa, Knjazjeskajastraat 27, oktober 2010. Het laatste huis waarin
Ivan Boenin in Odessa verbleef voor zijn vlucht, begin 1920,
naar Constantinopel.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Zo’n vijfentwintig jaar geleden kreeg ik de stad Odessa in vizier. Dat kwam doordat ik voor het eerst Ivan Boenin (1870-1953) was gaan lezen: de dagboeken die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Zuid-Franse Grasse schreef en die ondanks de telegramstijl uiterst aangrijpend en beeldend overkomen. Vanzelf kwam ik zo in aanraking met een ander tijdsdocument dat verrast bij een auteur die toch vooral bekend is om verhalen en gedichten over eeuwige thema’s als liefde, dood en natuur: Vervloekte dagen. Het is een dagboek uit 1918 en 1919 waarin een getergde Boenin verslag doet van de gewelddadige onttakeling van de oude Russische maatschappij die hij tijdens de burgeroorlog in Moskou en Odessa meemaakte. In dit werk rekent Boenin genadeloos af met het bolsjewisme voordat het zich definitief op Russische bodem had gevestigd. Eigenlijk maakt Vervloekte dagen de hele Russische ‘dissidentenliteratuur’ uit de jaren zestig en zeventig min of meer overbodig.
    Na Stalins dood werden het proza en de gedichten van de ‘reactionaire emigrant’ Boenin al snel weer in de Sovjet-Unie heruitgegeven. Dat gold niet voor Vervloekte dagen: de titel kon niet eens genoemd worden. Maar vreemd genoeg was Boenins in de oude Sovjet-Unie streng verboden dagboek ook in het Westen niet erg bekend geworden. Toen ik een bundel over Odessa mocht samenstellen – De mythe van Odessa die in 1993 als eerste deel van de Het Oog in ’t Zeil-Stedenreeks verscheen –, liet ik me de kans niet ontgaan iets over dit dagboek te schrijven en er fragmenten uit te laten vertalen.
Hond op de binnenplaats van het Paustovski
Museum, Odessa, 16 oktober 2010.

Foto Copyright © Jan Paul Hinrichs
In die tijd drong het ook pas goed tot me door dat er in de Russische literatuur van de vorige eeuw een hele Odessa-school bestaat. Veel van de schrijvers die in de jaren twintig in Moskou beroemd werden, kwamen uit Odessa. We denken dan aan Isaak Babel, de auteur van de canonieke Verhalen uit Odessa; Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, bekend van hun satirische romans De twaalf stoelen en Het gouden kalf; Petrovs broer Valentin Katajev, een sovjetauteur met een ongunstige persoonlijke reputatie die beter schreef dan men zou verwachten; en Joeri Olesja, auteur van de roman Afgunst en postuum verschenen dagboekaantekeningen waarin Odessa van vlak voor de Eerste Wereldoorlog minutieus wordt gereconstrueerd. Konstantin Paustovski komt weliswaar niet uit Odessa, maar hij heeft cruciale jaren van zijn leven in de stad gewoond, er zoveel over geschreven en had zoveel
contacten met de echte Odessieten dat hij bij de club hoort. Het was ook Paustovski’s autobiografische roman De tijd der grote verwachtingen die bij een lezerspubliek in vele landen, niet in de laatste plaats in Nederland, de stad Odessa een poëtisch-melancholieke roem bezorgde. 
    
      In 1993 had ik Odessa nog nooit bezocht. De bundel verscheen zonder dat ik er was geweest. Zo’n aanpak heeft het voordeel dat je enkel vanuit bronnen werkt en je niet laat beïnvloeden door al te persoonlijke belevenissen, te vluchtige indrukken of ter plaatse opgedane adviezen. Pas in oktober 2010 bezocht ik Odessa voor het eerst: een stad die ik op papier had leren kennen, waar ik vele straten en gebouwen op de plattegrond kon situeren, lag daar ineens echt aan de Zwarte Zee. Het was meteen duidelijk dat dit een wereld op zichzelf was, niet minder indrukwekkend maar wel meer op menselijke maat gesneden dan de metropolen Moskou en Sint-Petersburg.
     Gedurende een paar dagen doorliep ik met een klein gezelschap de stad waar de straten volhingen met affiches voor locale verkiezingen waarbij de Partij van de Regio’s van pro-Kremlinpresident Viktor Janoekovitsj de macht zou grijpen. Uitgangspunt voor onze routes waren de vele literaire adressen die de stad rijk is. Zo kwamen we langs het geboortehuis van Ilja Ilf aan het eind van de Staroportofrankovskajastraat, vlakbij de stationsbuurt; het geboortehuis van Valentin Katajev en Jevgeni Petrov in de Bazarnajastraat; het Paustovski-museum in de lommerrijke Tsjernomorskajastraat waartegenover de door een aardverschuiving verdwenen kliniek stond die hij in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw bewoonde; het woonhuis van de familie Olesja in de Joeri Olesjastraat, vroeger Karantinnajastraat, met fraai uitzicht op zee; het fabrieksterrein in de wijk Moldavanka waar het geboortehuis van Babel heeft gestaan; het statige appartementengebouw aan de Risjeljevskajastraat waar de familie Babel later heeft
Voormalig appartement van de familie
Babel in Odessa, Risjeljevskajastraat,
17 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
gewoond en waar het trappenhuis onlangs zo grondig was vernieuwd dat van een oude sfeer schijnbaar niets meer restte. 
Lang niet overal werd gerestaureerd. Hele straten lagen er uiterst bouwvallig bij. Hoe gevaarlijk dat kan zijn, bewezen de oude balkons waarvan regelmatig hele brokken af vallen. Voorrang bij restauratie leken trouwens kerken te krijgen: orthodoxe en katholieke kerken werden in een rap tempo opgepoetst. De kathedraal aan het Sobornajaplein was van binnen zo wit geschilderd en nog zo kaal dat mijn ogen er pijn van deden.
     De meeste indruk maakten niet gebouwen op me maar bomen: de platanen, kastanjes en acacia’s langs eindeloos lange lanen die slaperig neerzakten naar de zee. Het mooiste bomenperspectief bood naar mijn smaak de hoek van de Risjeljevskajastraat en de Jevrejskajastraat: als je bij de synagoge, waar nog niet zo lang geleden de hoofdruimte als sportzaal dienst deed, midden op straat ging staan en zeewaarts keek.
     De Deribasovskajastraat, de beroemde centrale straat waarop veel lange lanen uitkomen, verschilde ogenschijnlijk niet veel van een wandelpromenade in Wenen of Berlijn. Hier waren de acacia’s al in de jaren zestig van de vorige eeuw op bevel van kennelijk niet al te poëtisch gestemde sovjetfunctionarissen gerooid. De dure Italiaanse en Franse modezaken en Japanse restaurants die het oude centrum rond de Deribasovskajastraat domineerden – met bovenverdiepingen die vaak in treurig vervallen staat zijn gebleven – waren duidelijk niet voor de gemiddelde Odessiet bestemd. Hetzelfde gold voor de veel te hoge flats die in het oude centrum verrezen en die grotendeels leeg stonden. Robuuste terreinwagens, symbolen van het wilde Westerse kapitalisme, beheersten de straten. Ik sluit me graag aan bij Jelena Karakina, de schrijfster van de erudiete stadsgids Wij wandelen door Odessa (Odessa 2009) die naar aanleiding van de bouw van de flat aan het Gretsjeskajaplein en van het hotel Odessa in de haven – gebouwen die het stadspanorama danig verpesten –, opmerkt dat ‘de kapitalistische smaak werkelijk niet beter’ is dan de socialistische. De schade door sovjetplanning bleef in het centrum van Odessa trouwens relatief beperkt omdat de oorlog het centrum redelijk intact had gelaten en er dus nooit een acute aanleiding voor grootscheepse nieuwbouw is geweest.
     De stad Odessa was van oudsher beroemd om haar binnenhoven met houten galerijen en veranda’s, waslijnen, touwladders van elektriciteitskabels, krukjes, waterkraantjes, mannen in pyjama’s en omaatjes op bankjes. Maar wijnranken, flitsen zonlicht door de schaduwen en
Zwerfhond in de Moldavanka,
 17 oktober 2010.
Foto  © Jan Paul Hinrichs
intelligente, deemoedige honden met melancholieke ogen – net als de bomen een ware charme van de stad – konden niet verhelen dat deze binnenhoven, vooral in de Moldavanka, er vaak erg armoedig bij lagen. Wat was er van het befaamde oude sociale leven op de binnenhoven nog over? Voor een passant uit den vreemde was dat in een paar dagen moeilijk in te schatten, maar optimistisch was ik er niet over.
    Toch leek de ontspannenheid die men traditioneel aan het straatleven in Odessa toeschreef nog wel te bestaan. Er was ogenschijnlijk weinig politie op straat. Het glanzende trappenhuis van het chique adres van Babel was vrij in te lopen, terwijl dat soort huizen in Rusland steevast potdicht zitten en portiers beneden hebben. [...] Als buitenlander had ik ook nooit de indruk dat ik opviel. Enkele onontkoombare en aan motoriek en kleding op grote afstand te identificeren Nederlandse ‘stedenreisechtparen’ van middelbare leeftijd liepen goedgestemd zonder gids door het centrum maar verder waren er – het was half oktober - niet veel buitenlanders te zien, zelfs niet in de hotels. Er was ook nauwelijks reclame die zich richtte op toeristen.
     De meeste grootstedelijke allure bood uiteindelijk toch de zeeboulevard met de buste van Poesjkin, het prestigieuze hotel Londonskaja met de befaamde platanen op de binnenplaats en het standbeeld van de Franse hertog Armand de Richelieu (1766-1822), een van de grondleggers van Odessa, bovenaan de Potjomkintrappen. Van boven af
Straathond in Odessa, 17 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
maakten deze trappen eigenlijk geen indruk en nodigden zelf niet uit om naar beneden te lopen. Maar van onder af was het beeld heel anders. Fraai was het uitzicht op Odessa ook vanaf de oude haven waarin in tegenstelling tot de containerhaven verderop geen enkele activiteit was: van daaruit bleek ook pas goed dat de stad op een plateau ligt en dat de beste manier om er voor het eerst te komen toch niet, zoals wij hadden gedaan, per vliegtuig is maar per boot.


Het Literaire Museum van Odessa was gevestigd in een paleisje aan de Lanzjerovskajastraat, vlakbij de opera. Dit museum toonde het brilletje van Babel, de pet en de das van Ilf, talloze andere voorwerpen, foto’s, affiches en een keur aan oude boeken die nog maar zo’n vijftien jaar geleden in antiquariaten voor een habbekrats te koop waren maar op veilingen in Londen inmiddels vermogens kosten. Het meest werd ik getroffen door een foto van de overloop in het huis van de kunstenaar en mecenas Jevgeni Boekovetski, de vriend en langdurige gastheer van Ivan Boenin. Er hingen ook een foto uit 1916 waarin we Boekovetski piano zien spelen en een potloodtekening die hij in 1919 van Boenin maakte. Ook stond er een tafel van palissanderhout die uit Boekovetski’s huis afkomstig scheen te zijn.
     Het meeste dat ik van Boekovetski wist, stamt uit mededelingen van Vera Boenina die in 1909 met hem kennismaakte toen ze Odessa met Ivan bezocht. In haar Het leven van Boenin. Gesprekken met de herinnering (heruitgave Moskou 2007) schrijft ze over hem: ‘Ik maakte kennis met de kunstenaar Boekovetski over wie ik veel zeer uiteenlopende meningen had gehoord. Hij kwam op de afgesproken tijd bij ons langs in een rijtuig, met een fluwelen kussentje voor mijn benen, en stelde voor een ritje te maken naar de zee en daarna bij hem te lunchen. […]. Het was een man met veel smaak en grillen, met een strikte dagindeling. Een jaar of twee daarvoor had hij een groot drama beleefd: zijn vrouw scheidde van hem en trouwde met een neef. […] Nu woonde hij alleen, maar alle vrije tijd […] deelde hij met Pjotr Aleksandrovitsj Niloes met wie hij in een tedere vriendschappelijke sfeer samenwoonde. Behalve met het schilderen van portretten en dagelijks pianospel in de avond hield Boekovetski zich met niets bezig (Pjotr Aleksandrovitsj Niloes handelde al zijn zaken af). Helemaal boven in het huis had hij een mooi atelier, bedekt met tapijten, met comfortabel meubilair en een enorm venster boven de bank. In deze studio waren veel iconen die hij verzamelde,- hun hele kring was dol op antiquiteiten.’
     In haar memoires portretteert Vera Boenina Boekovetski als een elegante man met een zwakke gezondheid die in zijn jeugd veel aan migraine had geleden. Hij was inmiddels ‘[…] “de vijand van alle vrouwen in Odessa”, die heel erg veel waarde hechtte aan vriendschap en op zondagen lunches voor mannen organiseerde […].’ Maar nu had hij toch alle aandacht voor haar, de levensgezellin van zijn vriend Boenin.
     Vera beschrijft het huis waar het gezelschap per rijtuig arriveerde: ‘Toen we voor waren gereden, gingen we door de hoge deuren van de hoofdingang. De vestibule verbaasde me: aan de muur hing een enorme groene wandversiering. Hier stond een lange gekromde divan, met daarvoor een tafel met een hoge lamp. De gastheer leidde ons over de brede trap met mooie houten donkerbruine leuningen naar boven. Boekovetski’s herenhuis van twee verdiepingen was van binnen helemaal betimmerd met donker hout. Vanaf de ruime overloop voerde een deurtje naar het balkon, ernaast bevond zich een gezellige zitkamer en een enorm atelier – met bijna over de hele muur een raam op het noorden – met schildersezels, doekramen en enkele portretten. In dit huis was ook een kunstgalerie met werken van de eigenaar en van plaatselijke kunstenaars. […] Alle kamers waren heel hoog en ruim. We daalden naar beneden waar Boekovetski mij zijn werkkamer en slaapkamer toonde. Het kwam niet in me op dat we een jaar of tien later in deze kamers zouden wonen. De eerste was de werkkamer en de bibliotheek. Een grote schrijftafel, een boekenmolen voor de encyclopedie. Aan de wanden eikenhouten kasten met boeken. Door een nauwe doorgang gingen we naar zijn slaapkamer. Een zachte divan voor een dutje overdag. [...] Na de bezichtiging liepen we verder naar de eetkamer waar we Niloes aantroffen die eigenlijk zijn leven deelde met Boekovetski en die in dit huis een fantastisch atelier had. Ook Koerovski en Zauze waren op de lunch uitgenodigd maar zonder hun vrouwen. Ik was verrukt van de grote eetkamer: meubels van rood hout, een tafel zonder kleed. De lunch begon origineel: eerst kwam er vis met gekoelde oude wijn, daarna soep. Boekovetski vond om een of andere reden dat je altijd met vis moest beginnen. Bij het warme eten werd goede, enigszins gewarmde rode wijn geschonken. De wijnen en de maaltijd waren geraffineerd. Koffie werd geschonken in de vestibule. We zaten onder de trap aan tafel. Al bij het eten was er een levendige sfeer, en hier werd het echt vrolijk.’  
      [...] Ik was niet van plan bij een ander schrijvershuis in Odessa aan te bellen, maar Boekovetski’s herenhuis aan de Knjazjeskajastraat 27 wilde ik graag van binnen zien. En er gebeurde wat ik voor ons vertrek naar Odessa zo had gehoopt: in de poort stond een geduldige, oudere man met donkere brillenglazen, een sportjack en een boodschappentasje die wel in was voor een praatje. Ik vroeg of hij hier woonde en dat was het geval. Hij vond het goed dat we binnen wat rondliepen, al zei hij er meteen bij dat hij het trappenhuis aan niemand kon aanbevelen. We liepen de poort door en kwamen op de binnenplaats waar een stenen buitentrap naar de ingang tot de benedenverdieping leidde. De deur stond open naar een portaal en een geheel duistere gang die halverwege een rechte hoek maakte. Aan deze gang lagen een stuk of drie appartementen waaronder die van de man. De gang kwam uit bij het trappenhuis dat licht ontving door een gehavend glazen dak. Beneden waren schilderslijsten en ander decoratief materiaal opgestapeld. Een brede met inmiddels verrot parket ingelegde trap waarop vroeger tapijten en koperen roedes moesten hebben gelegen en waarvan de lambriseringen nog intact waren, voerde naar boven. De trap maakte een zwaai naar links, nogmaals naar links en kwam op de eerste verdieping uit op een overloop waarvan de open trapleuning dezelfde was als op de foto die in het literatuurmuseum hing. De wanden van het trappenhuis waren kaal.
Trappenhuis in het huis van Boekovetski,
15 oktober 2010

Foto © Jan Paul Hinrichs
In een hoek stonden twee ladders, vermoedelijk om bij het glazen te dak komen. Er waren lekkages geweest. De bewoners, zo vertelde de man, hadden tevergeefs brieven naar de woningcoöperatie gestuurd om het dak en de trap te laten herstellen.
    Op de overloop hingen elektriciteitsmeters. Rechts lag een appartement waaruit een vrouw nieuwsgierig naar buiten kwam. Links moest de doorgang zijn geweest naar het vierkanten balkon dat Vera Boenina in haar memoires noemt. Ik begreep van onze gids, die de indruk op mij maakte meer te weten dan hij losliet, dat de gesloten deur in het midden van de overloop naar een atelier leidde dat aan een kunstenaar was verhuurd. Deze bestemming wees op een verrassende continuïteit: de ruimte had, ondanks de gewijzigde eigendomsverhoudingen, nog dezelfde functie als in de tsaristische tijd.
     Ik klopte op de deur van het atelier maar het bleef stil. Hier was vermoedelijk ook de doorgang geweest naar de zolderwereld waar een andere vriend van Boenin had gewoond: de door Vera genoemde kunstenaar Pjotr Niloes. Ongetwijfeld had Boenin zich door Niloes en zijn comfortabele zolder in het huis aan de Knjazjeskajastraat laten inspireren, toen hij in 1916 het verhaal ‘Tsjangs dromen’ schreef (zie voor de vertaling Boenins Verzamelde werken, dl. 2, Amsterdam 1996). Hierin komt een uit China afkomstige hond na de begrafenis van zijn baas, een kapitein, onder hoede van een schilder die op een zolder woont: ‘Die dag verhuist Tsjang na terugkeer van het kerkhof naar het huis van zijn derde baas, ook nu ergens hoog, op een zolderkamer, maar een warm vertrek, dat naar sigaren ruikt, met tapijten is belegd en gemeubileerd met antiek meubilair en behangen met enorme schilderijen en brokaten draperieën… Het wordt donker, in de haard gloeit een somber rood vuur, Tsjangs nieuwe baas zit in een fauteuil. Hij heeft zich bij thuiskomst, zonder zelfs zijn jas uit te doen of zijn hoge hoed af te zetten, met een sigaar in die diepe fauteuil neergelaten, en nu rookt hij en staart de schemering van zijn atelier in. En Tsjang ligt op het kleed bij de haard, met gesloten ogen, zijn snoet op zijn poten.’
     De bijna vijf meter hoge, ’s winters koude appartementen van de vrouw en de man betraden we niet: we vroegen er niet om en ze nodigden ons niet uit. Wel wilde ik weten of zich hier vaker mensen met belangstelling voor Boenin en Boekovetski onaangekondigd meldden. De man vertelde dat hij veertig jaar in het huis woonde en dat voor zover hij wist niemand binnen was geweest. Wel stonden er vaak mensen voor het huis in de straat, niet wetende dat de gedenkplaat aan de rechterkant van de gevel de verkeerde indruk wekte dat Boenin in het gedeelte rechts van de poort had gewoond, de kant die Boekovetski geheel verhuurde. Ook staat foutief op de plaat dat Boenin hier in de jaren 1918-1919 woonde: dat moest 1918-1920 zijn. In het linker deel van het huis, het woongedeelte van Boekovetski, bevond zich ook nog de oude hoge voordeur die volgens Vera Boenina in de jaren dat ze in het huis woonden maar één keer open was gegaan: op de dag, begin 1920, van hun definitieve vertrek uit de stad en Rusland. Het geweervuur van de naderende bolsjewieken was toen al te horen geweest. Boekovetski bleef toen in zijn huis achter: het perspectief van een emigratie naar de Balkan of Frankrijk moet hem niet gelokt hebben.
     Om de hoek van de straat was een markt. Dat was de plaats waar de Sretenskajakerk had gestaan waar in 1898 Boenin en Anna Tsakni waren getrouwd. Een eerder verblijf in Odessa had geresulteerd in een huwelijk met deze beeldschone jonge Griekse waaruit een zoon werd geboren. Boenin en Anna waren al lang uit elkaar toen de jongen in 1905 stierf. Vlakbij was hier ook de Pasterstraat, vroeger de Chersonskajastraat, met het huis waar Boenin bij zijn schoonouders had gewoond: alle drukte in huis had voor Boenin het werken schier onmogelijk gemaakt. Er was nog altijd een binnenplaats waarop vanuit de woning uitzicht was geweest maar het bleef onduidelijk waar Boenin voor het venster had gestaan. Een eindje verderop lag de stadsbibliotheek, met de schemerachtige vleugel waarin Anna Tsakni tientallen jaren, en vrijwel tot aan haar dood in 1963, een kamer had bewoond.
     Op de voorlaatste dag in Odessa ging ik nogmaals naar het huis op de Knjazjeskajastraat. Toen viel me door de bladerdaken heen ook de hoofdletter B (van Boekovetski maar en passant ook van Boenin) op die onder het dak in de voorgevel was gebeiteld. Ik ging het huis weer in en liep zonder uitnodiging naar het atelier op de eerste verdieping.
De eerste verdieping van Boekovetski's huis in de
tijd van Boenin. In het midden de opening van de deur
 die ik gesloten vond. Foto van een foto in een
vitrine in het Literaire Museum van Odessa,
15 oktober 2010.

Foto Jan Paul Hinrichs
De klop op de deur bleef ook dit keer onbeantwoord. Pas thuis zag ik op de foto’s die ik had gemaakt dat er naast de deur ook een bel was geweest, waarop ik eigenlijk had moeten drukken.

     Toen ontdekte ik ook  in een recent boek van Rostislav Aleksandrov, de eminence grise onder de kenners van literair Odessa, dat ik van de reis had meegenomen dat in het huis aan de Knjazjeskajastraat in recente tijd nog een familielid van Boekovetski had gewoond. Het werd niet duidelijk wie dat was. Maar zij had rond 1980 de tafel van palissanderhout aan het Literair Museum verkocht. Het huis dat na de burgeroorlog ‘volkseigendom’ was geworden, bleek dus niet helemaal in handen van vreemden te zijn gekomen en de oude eigenaar had nog lang zijn stempel er op weten te drukken. Boekovetski, die in 1923 was hertrouwd, had er  tot aan zijn dood in 1948 ook zelf gewoond; zijn weduwe bleef er tot haar dood in 1956. De man die ons binnenliet, vertelde dat veertig jaar geleden alle nu kale wanden van de trap nog volhingen met schilderijen. Boekovetski had naar verluidt doeken van Repin die nu miljoenen opbrengen.
     Ik sloeg Vervloekte dagen weer open en spelde het uit op verwijzingen naar dit huis aan de Knjazjeskajastraat. Hij was er met Vera in 1918 vanuit Moskou gekomen toen Odessa nog niet onder bolsjewistisch bewind stond. Ze woonden er nog toch toen de bolsjewieken in het voorjaar en de zomer van 1919 tijdelijk de macht grepen. Vervloekte dagen  (zie voor de vertaling Boenins Verzamelde werken, dl. 4, Amsterdam 2002) beschrijft het schrikbewind van deze periode. Over het huis zelf lezen we niet veel maar wel verwoordt Boenin hoe onder druk van de tijdsomstandigheden de wereld rondom het huis ineens anders aanvoelde. De lente was ineens geen lente meer: ‘Vannacht goot het van de regen. De dag is grijs en koel. Het boompje op onze binnenplaats dat groen begon te worden, is verbleekt. Ook op de lente rust een soort vloek. Het belangrijkste is dat er helemaal geen lentegevoel is. En wat moet een mens vandaag de dag met de lente?’
    [...] Afgaand op Boenins dagboeken was de tijd in Grasse onder Italiaanse en Duitse bezetting kinderspel vergeleken bij wat hij in bolsjewistisch Odessa meemaakte. Opvallend is ook dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog veel verhalen schreef, maar dat hij in Odessa vrijwel alleen tot het schrijven van een dagboek kwam. Uit angst voor huiszoekingen verstopte Boenin naar zijn zeggen ’s nachts zijn papieren en geld [...].
     In het najaar van 2010 lag deze binnenplaats erbij zoals Boenin die moet hebben achtergelaten, toen begin 1920 de bolsjewieken op het punt stonden de stad opnieuw in te nemen. Ineens leek die wereld toch veel dichterbij dan ik had verwacht. Negentig jaar van honger, terreur, oorlog, bezetting, communistisch bestuur en oligarchisch kapitalisme waren voorbij gegaan – maar toch bleek Boekovetski’s wereld waarin Boenin onderdak had gevonden nog aanraakbaar. De breuk met het tsaristische verleden moet voor de achterblijvers heel wat minder absoluut zijn geweest dan voor de Boenins en al die anderen die met de laatste schepen voor altijd waren vertrokken.

In de Empik-boekhandel op de Deribasovskajastraat sloeg ik onwillekeurig een verzamelbundel open met gedichten en essays van die andere Russische Nobelprijswinnaar, Joseph Brodsky (1940-1996). In de inhoudsopgave trof mij een gedicht dat ik niet kende: ‘Voor het monument van A.S. Poesjkin in Odessa’. Het bleek dat Brodsky het gedicht pas had opgenomen in zijn laatste bundel die verscheen in 1996, het jaar van zijn dood. Nederlandse of Engelse vertalingen van dit gedicht kon ik niet vinden en ook was in de omvangrijke Brodsky-literatuur nauwelijks commentaar voorhanden. Als datering staat onder het gedicht: ‘1969(?) 1970 (?)’ Maar uit stukken die ik op het Russische en Oekraïense internet vond, blijkt dat het gedicht vermoedelijk in 1971 moet zijn geschreven. In het begin van dat jaar liep de toen dertigjarige Brodsky namelijk onder curieuze omstandigheden in Odessa rond.
Oorkonde van Konstantin Paustovski-prijs uit Odessa,
toegekend aan Jan Paul Hinrichs voor zijn boek De mythe van Odessa.

["Грамота муніципального литературного конкурсу имені Костянтина
Паустовського нагороджується Ян Пауль Гінріхс (Голандія)
за книгу «Міф Одеси» / Заступник міського голови / Олена
Павлова / Травень 2011 року".]

     Brodsky’s held, de ik-persoon van dit gedicht, raakt als buitenstaander in Odessa verzeild: ‘[…] eens op een ochtend / met een zware bijsmaak in de mond / daalde ik naar de kust in een vreemde haven.’ De omstandigheden waren winters, anders dan je zou verwachten bij een gedicht over Odessa, een stad die vanuit Leningrad of Moskou bezien haast als subtropisch gold: ‘Het was winter. / De korrelige sneeuw sneed mijn wang, maar de aarde / was te zwart voor de witte korrels. / Heel hard rochelde de sirene. / Nog in de traphallen verstijfde de nacht. / Ik bewoog me verder.’ Er was niemand op straat: ‘O, steden van de wereld in het uur van de dageraad! / De hotels zijn doods.’ Misschien doelt Brodsky hier op het hotel Londonskaja aan de Primorskiboulevard, immers zijn held bevindt zich vlak bij de zee: ‘Een dichte mist / doorbladerde de wijken, als een dikke roman. / De haf, bekleed met zwaar ijs, als de verstomde tong van het vasteland, was grijs, en als vlekken van het plafond / kwamen de wolken.’ Over een trap met een ‘ontzettende lengte’ ging hij naar boven, waar, en dan komen we bij het standbeeld van Poesjkin uit de titel, ‘de apostel van de plaatsverandering verstijfde, / met zijn rug naar het vaderland, en het gezicht / naar de franje waarheen het hem nooit lukte / te lopen.’
     Brodsky doelt hier waarschijnlijk op het buitenland dat Poesjkin nooit lijfelijk bereikte. Hij voelt bij Poesjkin ‘de droefheid van de verwantschap’. En ‘wie weet in zo’n zelfde vroegte, / voelde hij ook dat de zaken er slecht voorstaan, / waarheen hij ook keek. // En blijkbaar / wachtte hij hier op iets dat je niet moet verwachten / van het leven: vrijheid.’ Brodsky citeert Poesjkins befaamde gedicht ‘Aan de zee’ waarin de dichter uitroept ‘Vaarwel, vrij element!’ en levert zijn eigen commentaar: ‘Er is in onze droeve taal geen regel / wanhopiger en meer tegen / zichzelf geschreven, en daarna met de hand / honderd jaar gekopieerd.’
     Uitte Poesjkin zich hier werkelijk zo wanhopig? Zijn held kon weliswaar niet naar het buitenland vluchten maar had een vlucht ook niet nodig, want, zoals zijn gedicht ‘Aan de zee’ stelt, ‘Het lot van de mensen is overal hetzelfde’. Brodsky betrekt Poesjkin op zijn eigen situatie: als dichter streefde hij naar een vrijheid die hij in de Sovjet-Unie niet kreeg. Maar de romantische flair die Poesjkins held zich kon veroorloven, wetende dat na een verblijf aan de Zwarte Zee wel weer elders andere avonturen wachtten, veranderde ongeveer anderhalve eeuw later bij Brodsky in beelden van ijzige verstijving: het bestaan in de Sovjet-Unie waarin al niets meer te winnen was.
     Het jaar daarop, in 1972, verliet Brodsky min of meer gedwongen de Sovjet-Unie. Vanuit Leningrad vloog hij naar Wenen. Het was de eerste stap in een schitterende carrière die uiteindelijk uitmondde in de toekenning van de Nobelprijs in 1987. Maar zover was het toen nog lang niet. Brodsky had geen vast werk en kon zijn gedichten en vertalingen niet in eigen land publiceren. Uit geldgebrek nam hij ook andere klussen aan. Zo kwam hij in contact met de filmregisseur Vadim Lysenko die bezig was met De trein naar de verre maand augustus, een film over de belegering van Odessa ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Brodsky was bereid in deze film de rol van een historische figuur te spelen waarop hij ook sprekend scheen te lijken: de communistische partijsecretaris Naoem Goerevitsj. Vanuit Leningrad reisde hij naar Odessa, waar een befaamde filmstudio bestond. De film werd al opgenomen toen de regisseur een telefoontje uit Kiev kreeg: hij moest zich urgent melden. Op het filmhoofdkwartier kreeg Lysenko van zijn meerderen te horen dat hij alle scènes met Brodsky uit de film moest snijden. Voor Brodsky zat het verblijf in Odessa er meteen op.
     Jevgeni Goloebovski, een literator uit Odessa, haalt in een recent artikel in het Russische internettijdschrijft Lechaim herinneringen op aan Brodsky’s episode in Odessa: ‘Ik heb Joseph Brodsky in Odessa gezien. Op een koude dag in maart 1971 belde me Leonid [=Lev] Mak, een dichter uit Odessa, en nu Amerikaanse dichter. Brodsky is in Odessa. Vandaag is hij te gast bij de schilder Strelnikov. Komt u langs, ik hoop dat hij gedichten zal lezen. […] Brodsky kwam ongeveer een uur te laat bij Strelnikov […]. Hij was weinig spraakzaam en somber. Hij zat in een verre hoek van de grote tafel en schonk een glas rode wijn in (we dronken toen allemaal de goedkope en niet slechte Sjabskoje-wijn uit Odessa), zweeg, luisterde niet aandachtig naar het gesprek, dronk. Het gesprek dat voor zijn komst was begonnen, ging verder. Mak waarschuwde me zacht dat Joseph problemen had en dat hij gedichten wel niet zou voorlezen. Zo gebeurde ook. […] Spoedig kwam ik erachter dat Brodsky die dag het bevel had gekregen Odessa te verlaten. Als Poesjkin in 1824… […] Wie hem heeft “verklikt”, is ook nu nog een raadsel.’
     Regisseur Vadim Lysenko liet scènes waarin Brodsky op de voorgrond trad opnieuw schieten met een andere acteur die op Brodsky leek. De opdracht die hij had gekregen, voerde hij maar ten dele uit: hij handhaafde al gefilmde scènes waarin de verdoemde dichter zich niet goed zichtbaar op de achtergrond bewoog. Zelf heeft Brodsky de film vermoedelijk niet gezien, want hij was al naar het Westen geëmigreerd voordat die in de Sovjet-Unie in de bioscoop kwam. Zijn naam ontbreekt uiteraard op de aftiteling. Wel is onlangs op internet een curieuze foto boven water gekomen die tijdens de filmopnamen is gemaakt: we zien Brodsky van opzij tijdens een vergadering van een militaire raad.
     Het lijkt ondenkbaar dat dit merkwaardige incident in 1971 in Leningrad of Moskou had kunnen gebeuren. De ‘onbetrouwbare’ Brodsky was er veel te bekend voor dergelijke experimenten rond een film: de autoriteiten hadden er ogenblikkelijk weet van gekregen. In Odessa was de sfeer zelfs voor Brodsky aanvankelijk wat losser – totdat ook daar iemand ging kletsen. De grote afstand tot het centrum vormde steeds een sluimerend kapitaal in Odessa: in Poesjkins tijd, in Boenins tijd, in Brodsky’s tijd en, hopelijk, nog altijd.

Jan Paul Hinrichs


| Ingekorte versie van een stuk dat eerder verscheen in De Parelduiker 16 (2011), No. 2, pp. 49-61. In bijgewerkte vorm opgenomen als ‘Epiloog’ in: Jan Paul Hinrichs, De mythe van Odessa (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2011). In bijgewerkte vorm herdrukt in Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 112-125. Dit boek verscheen ook in Oekraïense vertaling: Mif Odesy (Kyjiv: Duh i litera, 2011).


vrijdag 4 mei 2012

Ilf en Petrov: Het gouden kalf (Recensie)

ALSNOG OMSCHOLEN TOT HUISMEESTER IS HET DEVIES

Met de Nederlandse vertaling van het werk van het Russische schrijversduo Ilja Ilf (1897-1937) en Jevgeni Petrov (1903-1942) is iets ongewoons gaande. In de jaren dertig waren de satirische romans De twaalf stoelen (1928) en Het gouden kalf (1931) al eens in het Nederlands vertaald. De twaalf stoelen werd begin jaren vijftig nog eens herdrukt maar daarna bleef het decennialang stil rond Ilf en Petrov. Totdat in de loop van vorig jaar ineens van drie kanten een race werd ingezet om nieuwe vertalingen op de markt te brengen. Hoofdrolspelers hierin waren de vertalers Frans Stapert en
Geboortehuis van Ilja Ilf in Odessa,
17 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Niko Rijnenberg en uitgeverij Wereldbibliotheek. Stapert beet het spits af en gaf onder de vlag van de gelegenheidsuitgeverij M Bondi & Galerie Onrust De twaalf stoelen uit (besproken in VN, 18-12-1993). Vanaf dat moment verschoof de aandacht naar Het gouden kalf. Kort voor zijn dood liet de Groninger Niko Rijnenberg (1961-1994) het typoscript van zijn vertaling vermenigvuldigen. In de binnenkant van het omslag was in het exemplaar dat mij onder ogen kwam met een stempeltje ‘Uitgeverij Jason’ gezet, eigenlijk de naam van zijn drukker. Enkele tientallen exemplaren van deze editie op A4-formaat moeten in Groningse en Amsterdamse boekhandels zijn verkocht.
      Rijnenberg bracht de eerste Nederlandse vertaling van Het gouden kalf op zijn naam die van het Russisch uitging: de uitgave die in 1933 bij de Amsterdamse uitgeverij De Steenuil onder de titel Een millionair in Sovjet-Rusland verscheen, was een bewerking (door G.H. van Balen en J. Feitsma) van een Duitse vertaling. Rijnenberg vertaalde de titel als Een gouden kalf. Inmiddels bracht Stapert de alleszins fraai uitgegeven tweede uitgave van zijn firma op de markt: Het gouden kalf. Vervolgens is bij uitgeverij Wereldbibliotheek, die de zaken ook onalledaags aanpakt, de vertaling van Arie van der Ent verschenen: De twaalf stoelen en Het gouden kalf in één band. Van twee Russische romans zijn zo vijf nieuwe vertalingen van drie verschillende vertalers beschikbaar. Opzienbarend is de hartstochtelijke ijver van twee vertalers die zelf hun werk uitgeven en blijkbaar alles op alles hebben gezet om de gevestigde uitgeverij en misschien ook nog elkaar af te troeven. Wie de romans van Ilf en Petrov kent, waarin een race met de tijd en Elsschottiaanse dekmantelorganisaties en gelegenheidsondernemingen een belangrijke rol spelen, kan het niet uitgaan dat de Nederlandse vertaalgeschiedenis trekken van het onderwerp zelf heeft aangenomen. De moeite was het allemaal wel waard: de romans van Ilf en Petrov zijn zo knap en onderhoudend dat ze ook wel een dundrukdeeltje in Van Oorschots ‘Russische Bibliotheek’ hadden verdiend.
     De twaalf stoelen is het verhaal van de charmante oplichter Ostap Bender die in het rommelige Rusland van de NEP op zoek is naar twaalf stoelen waarin een schat is verborgen. Uiteindelijk wordt Bender na de vondst van de laatste stoel door zijn handlanger met een scheermes vermoord. In Het gouden kalf hebben Ilf en Petrov Bender weer tot leven gewekt. Ditmaal is hij op zoek naar het geld van de miljonair Korejko die in de fantasiestad Tsjernomorsk, waarin men Ilfs en Petrovs geboortestad Odessa herkent, een onopvallend leventje leidt en met zijn kapitaal op de terugkeer van het kapitalisme wacht. Benders doel is simpel: hij wil een miljoen roebel en daarmee uitwijken naar Rio de Janeiro. Via Odessa, Kazachstan, Moskou en weer Odessa weet Bender het geld te pakken te krijgen. Het geld maakt evenwel niet gelukkig en geeft hem geen aanzien. Treinen en vliegtuigen zijn vol en vervoeren hem ineens niet meer. Prostituees zijn onvindbaar. Hotels blijken volgeboekt met arbeiders en specialisten. Op zijn vlucht over de Sovjet-Roemeense grens wordt Bender door Roemeense grenswachten beroofd, waarna hij weer terug moet naar de Sovjetoever en uitroept: ‘Graaf van Monte Christo worden zat er  niet in. Omscholing tot huismeester is het devies.’ Waarmee de roman eindigt.
     Het gouden kalf is evenals De twaalf stoelen een ouderwets spannende en humoristische schelmenroman die staat of valt met de persoon van Bender. Eigenlijk is hij de enige romanpersoon die geheel uit de verf komt. Hij is slagvaardig, onbeschaamd en goedhartig tegelijk en heeft ruimte voor zelfironie. Hij bedriegt en chanteert waar het uitkomt, maar fysiek geweld gaat hij uit de weg. De populariteit van Ilf en Petrov hangt behalve met hun geslaagde romanheld ongetwijfeld samen met de openhartige kritiek die zij op het Sovjetsysteem spuien. De wereld waarin Bender opereert is er een van corruptie, loze beloften, bureaucratische manipulatie en willekeur. Uitspraken in de trant van ‘In Sovjet-Rusland is het gekkenhuis de enige plek waar een normaal mens kan leven’ hebben met de loop der tijd een enorme lading gekregen. Voor de hedendaagse lezer lijkt het zelfs onbegrijpelijk dat Het gouden kalf de Sovjetcensuur ooit is gepasseerd. De conclusie moet zijn dat Bender, die zich tegen het Sovjetsysteem verzet, door de censor niet als een politieke figuur werd gezien maar als een dwaas door wiens optreden allerlei ‘tijdelijke onvolkomenheden’ van het Rusland van het einde van de jaren twintig aan het daglicht kwamen. De satire diende dus als bijdrage aan de opbouw van het communisme. Ilf en Petrov wezen het communisme ook zeker niet af. Dat het hun niet alleen om satire ging, blijkt uit het einde van het boek waar Bender het illusoire van het bezit van geld aan den lijve ondervindt en de Sovjetmaatschappij ineens niet meer zo corrupt lijkt.
    Niettemin geldt voor Het gouden kalf net als voor De twaalf stoelen dat Ilfs en Petrovs schets van de Sovjet-Unie tijdens de NEP onmiskenbare parallellen met het hedendaagse Rusland vertoont. Wederom gaan socialisme en kapitalisme een confrontatie met elkaar aan die het land in een chaos heeft gestort. Toch zal een miljonair in het Rusland van Jeltsin niet de gênante moeilijkheden hebben om zijn geld te besteden die er ineens voor Bender in het aangezicht van het reële socialisme waren weggelegd. De bestemming Rio de Janeiro is allang geen illusie meer.

Jan Paul Hinrichs

Rec. van Ilja Ilf & Jevgeni Petrov, Het gouden kalf (vertaling Frans Stapert), Uitg. M Bondi & Galerie Onrust, 1994; Ilja Ilf & Jevgeni Petrov, De twaalf stoelen & Het gouden kalf (vertaling Arie van der Ent), Uitg. Wereldbibliotheek, 1994.

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 17 december 1994, pp. 110-111.

woensdag 25 april 2012

Paustovskij en Multatuli

PAUSTOVSKIJ EN MULTATULI

In Rusland verschenen in boekvorm tenminste tweeëntwintig vertalingen uit het werk van Multatuli, herdrukken niet meegerekend. Dit blijkt niet uit de Nederlandse Multatuli-bibliografieën: bij De Mare (1948) vond ik verwijzingen naar drie vertalingen, Van der Plank (1987) noemt er vijf. Dat laatste aantal bevreemdt omdat Van der Plank wel de in 1971 in Moskou verschenen Multatuli-bibliografie van Ošis[1] vermeldt – waarin die tweeëntwintig vertalingen zijn opgesomd – en zelfs gegevens aan dit boekje ontleent.
            De Multatuli-titels van Ošis betreffen Russische vertalingen uit de periode 1907-1959. Niet noemt Ošis de Multatuli-bloemlezing die volgens De Mare in 1920 verscheen; wel noemt hij een bloemlezing uit 1919. Wat de secundaire literatuur betreft, die in het Russisch ook omvangrijk is, vermeldt Van der Plank op gezag van Ošis een schets van het leven en werk van Multatuli die de schrijver Konstantin Paustovskij (1892-1968)
Binnenplaats van het Paustovski Museum in Odessa,
16 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
opnam in zijn boek Zolataja roza (De gouden roos).
[2]
            Weinig Russische schrijvers zijn in het hedendaagse Nederland zo populair als Paustovskij. Van zijn kant heeft Paustovskij ook belangstelling voor Nederland aan de dag gelegd. Hij schreef in 1929 een verhaal ‘Černye seti’ (Zwarte netten[3]) dat in Vlissingen speelt en hij wijdde in 1955 een essay aan Vincent van Gogh.[4] De Multatuli-bibliografie van Ošis vermeldt van Paustovskij enkel de passages uit De gouden roos. In werkelijkheid heeft Paustovskij ruim dertig jaar daarvoor reeds over Multatuli geschreven. De Russische Paustovskij-monografie van Ščelokova (1981) verwijst naar een stuk getiteld ‘Mnogostradal’nyj Mul’tatuli’ (Multatuli die veel geleden heeft) dat in april of mei 1923 in de karnt Gudok Zakavkaz’ja (De hoorn van Transkaukasië) zou zijn verschenen.[5] De schrijfster meldt dat Paustovskij hierin een vonnis uitspreekt over het volgens hem ‘verdorven en kwaadaardige Holland’ dat het Javaanse volk knechtte.[6] Vermoedelijk heeft zij zich gebaseerd op een knipselverzameling en de juiste vindplaats van het in de periferie verschenen artikel niet gevonden of opgezocht. In ieder geval ken ik geen andere plaatsen in de Paustovskij-literatuur waar naar dit stuk wordt verwezen. Ik heb het zelf niet gelezen.
            Kort daarop, in 1925, ontstond in Moskou het korte verhaal ‘Gollandskaja koroleva’ (De koningin van Holland). Het werd in 1926 gepubliceerd in de te Odessa verschijnende krant Morjak (De zeeman). Vervolgens heeft Paustovskij het in de jaren twintig en dertig in verhalenbundels opgenomen (nu onder de titel ‘Koroleva gollandskaja’). Het verhaal staat niet in het verzameld werk van Paustovskij dat in de jaren 1957-1958 in zes delen verscheen. Pas in een na Paustovskij’s dood gepubliceerde verhalenbundel dook ‘De koningin van Holland’ weer op.[7] Vond Paustovskij het verhaal, dat in de Multatuli-bibliografie van Ošis ontbreekt, uiteindelijk zelf te licht en te tendentieus?
            ‘De koningin van Holland’ doet denken aan het Vlissingse verhaal ‘Zwarte netten’. In beide verhalen is een Russische reiziger er in Nederland getuige van hoe een eenling uit woede tegen sociale wantoestanden in opstand komt. Waar in ‘Zwarte netten’ een krankzinnige vissersvrouw met een keukenmes een moord op een gefortuneerde Vlissinger pleegt, is ‘De koningin van Holland’ het verhaal van een matroos die uit woede over het lot van Multatuli een steen naar het rijtuig van koningin Wilhelmina gooit. Een antikolonialistische, antimonarchistische en antikapitalistische teneur is hier nadrukkelijk aanwezig.
            Het verhaal bevat voor Nederlandse ogen drie opmerkelijke beschrijvingen: van het leven van Multatuli, van Nederland als ‘een oude hutkoffer’ en van koningin Wilhelmina als een in luxe badende, hautaine dame. De beschrijving van een gure paasavond in Amsterdam ontleent Paustovskij niet aan een bezoek aan ons land: pas in 1956, meer dan dertig jaar na het schrijven van het verhaal, maakte hij zijn eerste buitenlandse reis. Als passagier op een Sovjet-schip heeft hij toen onder meer Rotterdam bezocht.
            De levensbeschrijving van Multatuli, die de matroos alvorens tot zijn daad over te gaan zijn gehoor in een Amsterdamse kroeg voorhoudt, is sterk geromantiseerd en gepolitiseerd. Dertig jaar later houdt Paustovskij aan zijn oude beeld van Multatuli vast als hij diens leven schetst in De gouden roos (1956). Hoe Paustovskij met Multatuli’s werk in contact is gekomen, weet ik overigens niet. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat hij Multatuli kende van Russische vertalingen van Max Havelaar en Minnebrieven. In De gouden roos maakt hij duidelijk beide boeken te kennen. Hoe dan ook, Paustovskij’s werk over Multatuli is een zeldzaam voorbeeld van wisselwerking tussen een prominent Russisch en Nederlands auteur. Het is ook opvallend dat Paustovskij’s belangstelling voor Multatuli zich over zo’n lange periode in zijn leven uitstrekte.
            Misschien heeft Paustovskij zelf niet beseft wat voor prachtige knipoog hij naar Multatuli gaf wanneer hij in ‘De koningin van Holland’ Wilhelmina sloffend en kauwend de kerk uit laat komen en daarna slechts één publieksreactie registreert: ‘ De koffiehandelaren namen hun bolhoeden af […]’. Alsof alleen koffiehandelaren hun bolhoed afnamen, of het samengestroomde publiek enkel uit koffiehandelaren bestond. De weerslag van de ideologie van de klassenstrijd op Paustovskij’s proza zorgt in ‘De koningin van Holland’ voor tal van groteske beelden waaraan het verhaal zijn gedateerdheid maar tevens een groot deel van zijn charme ontleent.

Jan Paul Hinrichs
           


NOTEN

[1] V.V. Ošis, Mul’tatuli. Biobibliografičeskij ukazatel’ (Moskou: Kniga, 1971).
[2] Konstantin Paustovskij, De gouden roos, vertaald door Wim Hertog, (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987).
[3] Konstantin Paustovskij, Zwarte netten, vertaald en ingeleid door Jan Paul Hinrichs (Middelburg: Stichting Kunstuitleen Zeeland, 1994).
[4] Zie Jan Paul Hinrichs, Van Nachtwacht tot Huizinga. Russische dichters over Nederland (Leiden: De Slavische Stichting te Leiden, 1994), p. 18.
[5] S.F. Ščelokova, K. Paustovskij – romantik i realist (Kiev: Višča škola, 1982), p. 45.
[6] Ibid., p. 47.
[7] K. Paustovskij, Rasskazy. Očerki i publicistika. Stati’i i vystuplenija po voprosam literatury i iskusstva, (Moskou: Chudožestvennaja literatura, 1972), pp. 51-55.


| Eerder verschenen in Over Multatuli 34 (1995), pp. 3-5.