Posts tonen met het label Nederlandse literatuur in Russische vertaling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlandse literatuur in Russische vertaling. Alle posts tonen

vrijdag 16 november 2012

De mythe van Odessa: Russische roofdruk

VERTALING OF PLAGIAAT IN ODESSA?

Publiekelijk inhakken op vertalers was vooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een geliefde bezigheid
Televisieprogramma in Odessa,
11 juni 2011.

Foto © Jan Paul Hinrichs
onder slavisten. Ook buitenstaanders smulden van de strijd tussen Revianen en Timmerianen die veel ingezonden persstukken opleverde. Zo moest Marko Fondse regelmatig belhamels die zich aan de oude Timmer vergrepen tot de orde roepen. Vertalers leden niet gering onder de strijd: levenslange vijandschappen ontstonden om een paar regeltjes in de krant. Of dat het allemaal waard was? Vertalen is handwerk waarbij het vergeeflijk is als een enkele keer iets mis gaat. Anders wordt het als vertalers op de stoel van auteurs gaan zitten: dan maken ze zichzelf vogelvrij. [...]

Jan Paul Hinrichs

| Fragment van een artikel n.a.v. het verschijnen van een Russische vertaling-roofdruk van mijn boek De mythe van Odessa, eerder verschenen in De Parelduiker 17 (2012), No. 3, pp. 69-71. In bijgewerkte vorm herdrukt in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 126-129. 

Zie verder hierover het bericht van 22 mei 2012.

vrijdag 27 april 2012

Willem Elsschot in Russische vertaling

BOURGEOIS LAARMANS ONTMASKERD

In het Elsschot-nummer van De Parelduiker (jrg. 6, 2001, nr. 4-5) beschreef ik de moeite die men moet doen, wil men in het bezit komen van uitverkochte Bulgaarse, Estische en Tsjechische vertalingen van werk van Willem Elsschot. In het stuk wees ik op het boek van mijn oud-docent dr. A.A. Fokker (1911-1990), Nederlands voor slavisten: een proeve van contrastieve grammatica(De Slavische Stichting te Leiden, 1988), waarin voorbeeldzinnen uit een Russische Elsschot-vertaling dienstdoen bij een vergelijking van de Nederlandse en Russische grammatica. In Karel van het Reves Siberisch dagboek (1966) treedt Fokker op als ‘Oom Fok’ die de auteur in 1961 in Moskou ontmoette en die toen beweerde dat het Russische ijs dat men op straat koopt naar petroleum smaakt. De Russische Elsschot-uitgave was ik tot op dat moment nooit ergens tegengekomen. Antiquarisch schijnt die nooit te worden aangeboden.
     In oktober 2004 kreeg ik een uitnodiging in de bus voor de verkoop van boeken uit het bezit van een in 2003 overleden slaviste, te houden in een woonhuis te Oegstgeest en georganiseerd door een andere oud-docent. Alle boeken die op tafel lagen, kostten één euro. Een exemplaar van de Russische Elsschot lag erbij. Het bleek het handexemplaar van A.A. Fokker te zijn, dat de laatste bezitster, die met Fokker bevriend was geweest, uit zijn nalatenschap had verworven. De aantekeningen met potlood die Fokker voor zijn studies had gemaakt, stonden er nog in. Zo kwam ook dit boek weer terecht bij de hoofdstedelijke Elsschot-verzamelaar die me voor elke gevonden vertaling met een gul diner pleegt te belonen.
     De Russische Elsschot is een ingebonden boek dat in 1972 verscheen in de reeks ‘Meesters van het hedendaagse proza’ van de Moskouse uitgeverij Progress. De lange boektitel dekt de inhoud: Villa roz: roman. Silki: roman. Syr: povestj. Tanker: povestj. Bloezjdajoesjtsji tsjelovek: povestj. Of te wel: Villa des roses: roman. Lijmen: roman. Kaas: vertelling. Het tankschip: vertelling. Het dwaallicht: vertelling. Aangezien Het been als deel twee van Lijmen is opgenomen, hebben we hier te maken met een beknopt Verzameld werk. Informatie over de oplage, die in Russische boeken gewoonlijk is vermeld, ontbreekt. Vermoedelijk komt dat omdat het een vertaling uit een taal van een kapitalistisch land betreft: hoewel de Sovjet-Unie de Berner Conventie op dat momnet niet getekend had, wilde men blijkbaar ook niet al te zeer te koop lopen met de precieze hoeveelheid boeken waarmee men auteursrechten ontdook. In het boek ontbreekt ook de informatie dat de vertaling van Het dwaallicht eerder verscheen in het toonaangevende tijdschrift Novy mir (1972, nr. 5). Hiermee bereikte Elsschot in één keer een oplage van 157.000 exemplaren: zo’n oplage zal hij wel nooit in wat voor taal dan ook hebben gehaald. De vertaling van Het tankschip verscheen eerder in de bundel Rasskazy beljgijskich pisatelj (Verhalen van Belgische schrijvers, Moskou, Progress, 1968). Dit gegeven ontleen ik aan de Bibliografie van de Nederlandse literatuur in Russische vertaling van Werner Scheltjens (Sint-Petersburg, Aletejja, 2003), een naslagwerk waarin men kan nagaan dat Multatuli in Rusland onze meest vertaalde auteur is.
     De Russische Elsschot uit 1972 is samengesteld en uitvoerig ingeleid door I.D. Skjoenajeva, die het verschijnen van het boek zelf niet meer heeft meegemaakt. Een redactionele voetnoot meldt dat in de tekst van het voorwoord enige veranderingen zijn aangebracht die niet meer met haar konden worden besproken. Misschien gaat het wel om de twee plichtmatige verwijzingen naar Lenins verzameld werk die men aantreft, of naar de slotzin waarin gesteld wordt dat in Elsschots proza ‘het zakelijke en politieke leven van de bourgeois met al zijn enorme banaliteit en cynisme wordt ontmaskerd’. Kennelijk wil het voorwoord de censuur ook ter wille zijn door bijzondere aandacht te geven aan de politiek meest incorrecte opmerking van het boek, de slotzinnen van Het tankschip: ‘Op de oorlog, Frans, want oorlog is een zegening. En het kapitalisme heeft toch zijn goede kant, is ’t waar of niet?’ Zo’n uitspraak, zo lezen we, hoort bij Elsschots uitbeelding van een zakenwereld waar de logica nu eenmaal absurd is en het absurde logisch heet.
     Aan de vertaling kwamen vier vertaalsters en één vertaler te pas. Een bijzonderheid van het boek zijn de zeven houtsneden van de kunstenares T. Tolstaja, die wel tot de top gerekend mogen worden van de illustraties die ooit bij Elsschots werk zijn gemaakt. Over de kunstenares – die niet dezelfde kan zijn als de gelijknamige romanschrijfster – heb ik verder niets kunnen achterhalen. Maar Tolstaja moet de vertaling nauwgezet hebben bestudeerd, anders had zij de donkere, cynische middenstandssfeer van Elsschots proza niet zo subtiel kunnen uitbeelden.
     Ten slotte nog een opmerking over de boekenmarkt in het oude Oostblok. Men pleegt die vooral te associëren met censuur die over alles waakte en met sombere, lelijke uitgaven. Toch werden in de oude tijd ook heel wat bijzondere boeken uitgegeven. Oostblok-redacties werden vaak bevolkt door erudiete redacteuren die een onleesbaar politiek boekje bedachten om ook een écht interessante uitgave te kunnen doordrukken. Vooral uit de DDR en Tsjecho-Slowakije ken ik verrassende vertalingen die alleen dankzij het gebrek aan marktwerking konden verschijnen. In de Sovjet-Unie ging alles wat moeizamer, maar ook daar gebeurden soms mooie dingen, zoals de uitgave van deze Elsschot: nog altijd de meest uitgebreide Elsschot-vertaling die ooit verscheen. Het was juist deze enigszins belegen uitgave op grond waarvan de Petersburgse docente neerlandistiek Irina Michajlova enkele jaren geleden in Neerlandica extra muros schreef dat Elsschot de meest geliefde Nederlandstalige auteur onder haar studenten is.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in De Parelduiker 9 (2005), No. 5, pp. 69-71.

[Zie het bericht van 22 april 2012 voor Willem Elsschot in Tsjechische, Estische en Bulgaarse vertaling]

woensdag 25 april 2012

Paustovskij en Multatuli

PAUSTOVSKIJ EN MULTATULI

In Rusland verschenen in boekvorm tenminste tweeëntwintig vertalingen uit het werk van Multatuli, herdrukken niet meegerekend. Dit blijkt niet uit de Nederlandse Multatuli-bibliografieën: bij De Mare (1948) vond ik verwijzingen naar drie vertalingen, Van der Plank (1987) noemt er vijf. Dat laatste aantal bevreemdt omdat Van der Plank wel de in 1971 in Moskou verschenen Multatuli-bibliografie van Ošis[1] vermeldt – waarin die tweeëntwintig vertalingen zijn opgesomd – en zelfs gegevens aan dit boekje ontleent.
            De Multatuli-titels van Ošis betreffen Russische vertalingen uit de periode 1907-1959. Niet noemt Ošis de Multatuli-bloemlezing die volgens De Mare in 1920 verscheen; wel noemt hij een bloemlezing uit 1919. Wat de secundaire literatuur betreft, die in het Russisch ook omvangrijk is, vermeldt Van der Plank op gezag van Ošis een schets van het leven en werk van Multatuli die de schrijver Konstantin Paustovskij (1892-1968)
Binnenplaats van het Paustovski Museum in Odessa,
16 oktober 2010.

Foto © Jan Paul Hinrichs
opnam in zijn boek Zolataja roza (De gouden roos).
[2]
            Weinig Russische schrijvers zijn in het hedendaagse Nederland zo populair als Paustovskij. Van zijn kant heeft Paustovskij ook belangstelling voor Nederland aan de dag gelegd. Hij schreef in 1929 een verhaal ‘Černye seti’ (Zwarte netten[3]) dat in Vlissingen speelt en hij wijdde in 1955 een essay aan Vincent van Gogh.[4] De Multatuli-bibliografie van Ošis vermeldt van Paustovskij enkel de passages uit De gouden roos. In werkelijkheid heeft Paustovskij ruim dertig jaar daarvoor reeds over Multatuli geschreven. De Russische Paustovskij-monografie van Ščelokova (1981) verwijst naar een stuk getiteld ‘Mnogostradal’nyj Mul’tatuli’ (Multatuli die veel geleden heeft) dat in april of mei 1923 in de karnt Gudok Zakavkaz’ja (De hoorn van Transkaukasië) zou zijn verschenen.[5] De schrijfster meldt dat Paustovskij hierin een vonnis uitspreekt over het volgens hem ‘verdorven en kwaadaardige Holland’ dat het Javaanse volk knechtte.[6] Vermoedelijk heeft zij zich gebaseerd op een knipselverzameling en de juiste vindplaats van het in de periferie verschenen artikel niet gevonden of opgezocht. In ieder geval ken ik geen andere plaatsen in de Paustovskij-literatuur waar naar dit stuk wordt verwezen. Ik heb het zelf niet gelezen.
            Kort daarop, in 1925, ontstond in Moskou het korte verhaal ‘Gollandskaja koroleva’ (De koningin van Holland). Het werd in 1926 gepubliceerd in de te Odessa verschijnende krant Morjak (De zeeman). Vervolgens heeft Paustovskij het in de jaren twintig en dertig in verhalenbundels opgenomen (nu onder de titel ‘Koroleva gollandskaja’). Het verhaal staat niet in het verzameld werk van Paustovskij dat in de jaren 1957-1958 in zes delen verscheen. Pas in een na Paustovskij’s dood gepubliceerde verhalenbundel dook ‘De koningin van Holland’ weer op.[7] Vond Paustovskij het verhaal, dat in de Multatuli-bibliografie van Ošis ontbreekt, uiteindelijk zelf te licht en te tendentieus?
            ‘De koningin van Holland’ doet denken aan het Vlissingse verhaal ‘Zwarte netten’. In beide verhalen is een Russische reiziger er in Nederland getuige van hoe een eenling uit woede tegen sociale wantoestanden in opstand komt. Waar in ‘Zwarte netten’ een krankzinnige vissersvrouw met een keukenmes een moord op een gefortuneerde Vlissinger pleegt, is ‘De koningin van Holland’ het verhaal van een matroos die uit woede over het lot van Multatuli een steen naar het rijtuig van koningin Wilhelmina gooit. Een antikolonialistische, antimonarchistische en antikapitalistische teneur is hier nadrukkelijk aanwezig.
            Het verhaal bevat voor Nederlandse ogen drie opmerkelijke beschrijvingen: van het leven van Multatuli, van Nederland als ‘een oude hutkoffer’ en van koningin Wilhelmina als een in luxe badende, hautaine dame. De beschrijving van een gure paasavond in Amsterdam ontleent Paustovskij niet aan een bezoek aan ons land: pas in 1956, meer dan dertig jaar na het schrijven van het verhaal, maakte hij zijn eerste buitenlandse reis. Als passagier op een Sovjet-schip heeft hij toen onder meer Rotterdam bezocht.
            De levensbeschrijving van Multatuli, die de matroos alvorens tot zijn daad over te gaan zijn gehoor in een Amsterdamse kroeg voorhoudt, is sterk geromantiseerd en gepolitiseerd. Dertig jaar later houdt Paustovskij aan zijn oude beeld van Multatuli vast als hij diens leven schetst in De gouden roos (1956). Hoe Paustovskij met Multatuli’s werk in contact is gekomen, weet ik overigens niet. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat hij Multatuli kende van Russische vertalingen van Max Havelaar en Minnebrieven. In De gouden roos maakt hij duidelijk beide boeken te kennen. Hoe dan ook, Paustovskij’s werk over Multatuli is een zeldzaam voorbeeld van wisselwerking tussen een prominent Russisch en Nederlands auteur. Het is ook opvallend dat Paustovskij’s belangstelling voor Multatuli zich over zo’n lange periode in zijn leven uitstrekte.
            Misschien heeft Paustovskij zelf niet beseft wat voor prachtige knipoog hij naar Multatuli gaf wanneer hij in ‘De koningin van Holland’ Wilhelmina sloffend en kauwend de kerk uit laat komen en daarna slechts één publieksreactie registreert: ‘ De koffiehandelaren namen hun bolhoeden af […]’. Alsof alleen koffiehandelaren hun bolhoed afnamen, of het samengestroomde publiek enkel uit koffiehandelaren bestond. De weerslag van de ideologie van de klassenstrijd op Paustovskij’s proza zorgt in ‘De koningin van Holland’ voor tal van groteske beelden waaraan het verhaal zijn gedateerdheid maar tevens een groot deel van zijn charme ontleent.

Jan Paul Hinrichs
           


NOTEN

[1] V.V. Ošis, Mul’tatuli. Biobibliografičeskij ukazatel’ (Moskou: Kniga, 1971).
[2] Konstantin Paustovskij, De gouden roos, vertaald door Wim Hertog, (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987).
[3] Konstantin Paustovskij, Zwarte netten, vertaald en ingeleid door Jan Paul Hinrichs (Middelburg: Stichting Kunstuitleen Zeeland, 1994).
[4] Zie Jan Paul Hinrichs, Van Nachtwacht tot Huizinga. Russische dichters over Nederland (Leiden: De Slavische Stichting te Leiden, 1994), p. 18.
[5] S.F. Ščelokova, K. Paustovskij – romantik i realist (Kiev: Višča škola, 1982), p. 45.
[6] Ibid., p. 47.
[7] K. Paustovskij, Rasskazy. Očerki i publicistika. Stati’i i vystuplenija po voprosam literatury i iskusstva, (Moskou: Chudožestvennaja literatura, 1972), pp. 51-55.


| Eerder verschenen in Over Multatuli 34 (1995), pp. 3-5.

maandag 23 april 2012

J.H. Leopold in Russische vertaling (Recensie)

LEOPOLD IN HET RUSSISCH

Lange tijd beperkten boekuitgaven met vertalingen uit de poëzie van J.H. Leopold (1865-1925) zich tot de huisvlijt van een Nederlander en twee Vlamingen. In 1957 gaf De Beuk Engelse vertalingen uit van het liberale Tweede-Kamerlid en voorman van het Algemeen Nederlands Verbond P.J. de Kanter (1868-1953) onder de titel The Valley of Irdîn. In 1980 kwam de Regulierenpers in een oplage van 75 exemplaren met een Engelse vertaling van het gedicht ‘Cheops’ door Paul Claes en Christine D’Haen. Dit soort vertalingen tellen vooral bibliografisch mee: over buitenlandse receptie zeggen ze niets. De eerste echte Leopold-vertaling die ik ken, verscheen eind 2005 in Sint-Petersburg onder de imprint van de Filologische Faculteit van de Staatsuniversiteit. De titel is net als die van de debuutuitgave van de dichter uit 1912: Stichi (‘Verzen’). De oplage bedraagt duizend exemplaren: heel wat voor het Rusland van nu. De uitgave was zonder steun van het Literair Productie- en Vertalingenfonds natuurlijk niet mogelijk geweest, maar het mag heel bijzonder genoemd worden dat er een courante Russische uitgave bestaat van een dichter die in Nederland toch vooral de kampioen is van bibliofielen en de academische neerlandistiek. Trouwens, er bestond al een tweetalige voorpublicatie van zestien gedichten uit deze bundel die onder gelijke titel in 2004 ter gelegenheid van de jaarlijkse Petersburgse ‘Nijhoff-lezing’ was verschenen. De oplage van dit geniete, vooral voor het publiek van één lezing gedrukte boekje, dat tot dusverre geen enkele Nederlandse bibliotheek bereikte, bedraagt 150 exemplaren: de verzamelaars kunnen aan de slag.
     Leopold is vertaald door de Petersburgse docente Nederlands Irina Michajlova en de dichter Alexej Poerin van wie Hans Boland een bundel in het Nederlands vertaalde (De Goudvink, Wagner & Van Santen, 2001). Dit duo tekende eerder voor vertalingen uit de poëzie van Martinus Nijhoff, een naam die enige bekendheid in Rusland kreeg omdat een coryfee als Iosif Brodski zich bewonderend over hem had uitgelaten. Het boekje van 134 bladzijden bevat veertig gedichten, waaronder werk van lange adem als ‘Cheops’ en ‘Albumblad’, bewerkingen van oosterse gedichten en zelfs postuum gepubliceerde gedichten waarin in het Nederlands (en nu ook in het Russisch) teksthaken onduidelijke passages markeren. Toegevoegd zijn Leopolds essay ‘Nabetrachtingen van een concertganger’, zijn recensie van Gerlof van Vlotens Oostersche schetsen en vertalingen en een uitvoerig commentaargedeelte met de Nederlandse titels en plaatsen van eerste publicatie. Ook staan er verwijzingen naar oudere Russische Leopold-vertalingen, vooral die van de Moskouse dichteres Nadezjda Maltseva, die vanaf de jaren zeventig verspreid waren verschenen.
     Hoe leg je een Russisch publiek uit waar de toch vooral modernistische Leopold in onze literatuurgeschiedenis staat? De vertalers noemen Leopold in hun inleiding ‘de grootste Nederlandse symbolistische dichter, een van de meest prominente maar tegelijkertijd ook meest ontoegankelijke Europese auteurs van rond 1900.’ Ze trekken een geslaagde vergelijking met de even autonome dichter Innokenti Annenski (1856-1909), ‘de Leopold van de Russische poëzie’, die ook tijdens zijn leven weinig publiceerde; overigens zonder erbij te vermelden dat deze net als Leopold lange tijd als leraar werkte en ook goed thuis was in de klassieke literatuur. Wat ik in dit verder gedegen voorwoord een beetje mis, zijn wat persoonlijke kanttekeningen over dit onalledaagse vertaalwerk zelf. Hoe keken de vertalers aan tegen Leopold, zijn verstechniek, dubbelzinnigheid, klanknabootsingen en hermetisme, zijn soms verbluffende kortheid? Want krijg daar maar eens greep op als vertaler: ‘Uw handen zij ver- / wijlen mogen / over mijn hoofd in / mededoogen.’ Niettemin komen de vertalers eruit, ook in tien Russische woorden, terugvertaald ongeveer zo: ‘Jouw handen / lagen, gehoorzaam, / op mijn arme voorhoofd, / edelmoedig.’
     Zo laten de vertaalde gedichten zich vaak lezen als interessante interpretaties, met verrassende vondsten, die zich ook als zelfstandige Russische gedichten laten lezen. Schitterend vond ik onder meer de vertaling van ‘Een stille dag is om mij heen’. Het is zonder meer duidelijk dat hier een vakkundig dichter aan het werk is geweest. Zoals we van Russen gewend zijn, blijven in vertaling de rijmschema’s van de originelen gehandhaafd. Natuurlijk leidt dat inhoudelijk nogal eens tot een gedwongen vlucht van het origineel, maar per saldo blijft de vertaling nog redelijk dicht in de buurt, waarbij het Russisch, afgezien van de lidwoorden die het niet kent, ook typografisch dicht bij het origineel blijft. Eigenlijk leent Leopolds zangerige taal, met haar talrijke tegenwoordige deelwoorden en vaak ongebruikelijke syntaxis, zich wel voor het Russisch, dat een veel vrijere zinsbouw dan het Nederlands kent en ook veel in deelwoorden uitdrukt.
     Leopolds werk is met deze uitgave eindelijk in een internationale context geloodst. En telt men bij het werk van Michajlova en Poerin en enkele andere vertalers het veelomvattende, helaas nooit met een Nijhoff-prijs bekroonde en zonder enige Nederlandse subsidie tot stand gekomen vertaalwerk van Jevgeni Vitkovski op (zie De Parelduiker 1, 1996, nr. 3), dan biedt het Russische taalgebied intussen voldoende materiaal voor een ruime bloemlezing van Nederlandse poëzie van de Gouden Eeuw tot op heden. Wellicht dat het Productiefonds daar eens zijn gedachten over laat gaan?

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in De Parelduiker 11 (2006), No. 2, pp. 70-72.

           

donderdag 12 april 2012

Constantijn Huygens in Russische vertaling

NAWOORD [BIJ DE RUSSISCHE VERTALING VAN ZEDE-PRINTEN DOOR CONSTANTIJN HUYGENS]

Nederlandse literatuur telt momenteel aardig mee: moderne auteurs worden op grote schaal vertaald. Uitgevers aan de Grachtengordel schijnen zelfs telefonische veilingen te organiseren, waarbij vertaalrechten bij opbod worden verkocht en forse voorschotten in het spel zijn voor Nederlandse boeken die nog niet eens zijn geschreven. Elk jaar speculeert de pers wel even over een Nederlandse Nobelprijswinnaar. Tegelijkertijd steken literaire fondsen nogal wat geld in de subsidiëring van vertalingen uit het Nederlands. Vertalers krijgen de mogelijkheid een tijdje in het Amsterdamse Vertalershuis door te brengen om sfeer te proeven. Ook tot Rusland dringen onze letteren ruimschoots door. Zo zagen Margriet de Moor, Hella Haasse, Leon de Winter, Cees Nooteboom, Gerard Reve, Kees Verheul en A.F.Th. van der Heiden hun werk in het kielzog van de recente Peter de Grote-herdenking in het Russisch vertaald.
     Een enkele keer verschijnen vertalingen ook nog vanzelf, zonder actuele aanleiding of subsidie, zonder vertaalcontract, honorarium of reis naar Amsterdam: gewoon omdat iemand ooit zelf de onweerstaanbare roeping voelde het werk aan te vatten. Zo’n vertaling de profundis is deze Russische Huygens. Maar vertaler Jevgeni Vitkovski heeft decennia geen flauw benul gehad of zijn werk ooit zou verschijnen.
     Heel lang geleden heb ik al eens over deze vertaling gehoord. De gedachten gaan daarbij terug naar een plek in het oude centrum van Leiden, waarlangs Huygens als student in de rechten moet hebben gelopen. Tegenover het Academiegebouw, op de hoek met de Kloksteeg, ligt aan het Rapenburg de kroeg Barrera, die in mijn studententijd populair was bij slavisten. Het was ook de plaats waar Karel van het Reve (1921-1999), hoogleraar Slavische letterkunde, na college onder studenten zijn campari placht te drinken. Het moet in juni 1978 zijn geweest dat hij daar vertelde dat hij uit Moskou een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie had ontvangen. Omdat enkele studenten die zomer naar Moskou zouden gaan, stelde hij voor de afzender, die tevens de vertaler was, enkele Nederlandse dichtbundels aan te bieden. We zaten nog diep in de Koude Oorlog: een tijd dat Russen voorzichtig waren in hun contacten met buitenlanders. ‘Die man moet niet al te bang zijn’, meende daarom Van het Reve, ‘anders stuur je zo’n boek niet zo maar naar Amsterdam.’
     Tijdens het korte bezoek dat ik met twee reisgenoten in 1978 aan Vitkovski bracht, sprak hij in het Russisch vol gloed over de Nederlandse poëzie van de Gouden Eeuw, en met name over twee dichters: Constantijn Huygens en Heiman Dullaert. Hij deed dat zo overtuigend dat ik Dullaert jaren later eens uit nieuwsgierigheid ging lezen. Gedichten als ‘Een korenwanner aan de winden’ en ‘Aan myne uitbrandende kaerse’ waren niet aan dovemansoren gericht. Zo kwam een keuze uit Dullaerts poëzie – dus via Moskou – in de mede door mij geredigeerde Leidse reeks Cahiers van De Lantaarn terecht. De Dullaert-uitgave kreeg een onverwacht vervolg: Rob Nieuwenhuys (1908-1999) kwam erdoor op de gedachte ons een keuze uit de poëzie van een andere zeventiende-eeuwse dichter toe te sturen die hij al tijden uitgegeven wilde zien: Constantijn Huygens. Zo verscheen ook de Huygens-bloemlezing Rad van onrust bij De Lantaarn.
     Inmiddels zijn drieëntwintig jaar voorbijgegaan. De wereld is enorm veranderd: de Koude Oorlog is voorbij. Aangetekende post uit en naar Moskou, die vroeger wel eens niet wilde aankomen, is vervangen door razendsnel contact per e-mail; hele manuscripten die vroeger langs kronkelwegen vervoerd moesten worden, vliegen nu als attachments in no time de grenzen over. In Rusland zijn in plaats van een paar logge staatsuitgeverijen honderden particuliere uitgeverijen ontstaan die de interessantste boeken uitgeven. Huygens hoeft de Russische lezer niet meer in de Lenin-Bibliotheek met de hand over te schrijven, want al zijn gedichten laten zich nu ook in Moskou van het internet plukken. Maar verder is er veel stabiliteit: Vitkovski woont nog op het adres waar ik hem in 1978 onaangekondigd bezocht; ik werk nog op de universiteit waar ik toen student was. Op het Rapenburg staat de tijd nog altijd stil. Zelfs De Lantaarn staat nog in de Gouden Gids. Vitkovski publiceert tegenwoordig ook romans, maar onveranderd bleef zijn enthousiasme voor de Nederlandse poëzie.
     De Nederlandse poëzie is in weinig talen zo ruim in vertaling beschikbaar als in het Russisch. Dat is de verdienste van Vitkovski als samensteller en belangrijkste vertaler van omvangrijke bloemlezingen uit de twintigste-eeuwse (1977) en zeventiende-eeuwse Nederlandse poëzie. Dit is pionierswerk: in Rusland wist men al langer veel over Rembrandt, Van Gogh, Spinoza en Erasmus maar serieuze vertalingen uit onze poëzie waren eerder niet verschenen. Hoe zeer dit vertaalwerk een leemte vult die de puur literaire sfeer ontstijgt, blijkt uit een recent artikel van de Petersburgse neerlandica Irina Michajlova in Neerlandica extra muros: ‘In de jaren tachtig liep ik eens door de Nederlandse zalen van de Hermitage. Voor een stilleven van Willem Kalff stonden mensen die door Perepjolkin werden rondgeleid. Perepjolkin was een diepzinnige en universele kunsthistoricus die niet door de sovjetautoriteiten erkend werd. Hij hield in zijn hand het pas verschenen boek Uit de Nederlandse poëzie van de 17e eeuw waaruit hij het gedicht van Jacob Cats “Lof op de Hollandse boter” voorlas. Toen zei hij triomfantelijk: “Eindelijk! Eindelijk kunnen we deze gedichten lezen, eindelijk leren we de literaire tegenhanger kennen van de grote Nederlandse schilderkunst!”’
     Op de genoemde bloemlezingen volgden Vitkovski’s vertalingen van zesendertig gedichten uit Slauerhoffs bundel Oost-Azië (1988) en van drie tragedies van Vondel (1988). Een soort samenvatting van Vitkovski’s vertaalwerk uit het Nederlands geeft de uitgave 500 let poèzii Niderlandov. Dit is een anthologie in de vorm van een ongeniete krant die in 1995 verscheen als de nrs. 1-6 van het door colportage aan de man gebrachte Moskouse blad KonSTAnta. Het colofon vermeldt een oplage van 1121 exemplaren (Vondel werd nog gedrukt in 50.000 exemplaren), een prijs van 3500 roebel in Moskou, 5000 roebel in de rest van Rusland. De mededeling op de titelpagina ‘Ter mededinging naar de Martinus Nijhoff-prijs’ leek ironisch bedoeld: die alleszins verdiende prijs was juist ver weg voor een vertaler die zijn omvangrijkste bijdrage aflevert in een krant die eerder in handen kwam van welwillende Moskouse metro- of treinreizigers dan van juryleden van Nederlandse prijzen of catalogisanten op de Koninklijke Bibliotheek.
     Maar inmiddels is de tijd in Moskou kennelijk weer rijp voor echte boekuitgaven. Vitkovski’s door Nederlandse neerlandici bewonderde Vondel-vertalingen zijn in 2000 herdrukt in een oplage van vijfduizend exemplaren. Als Nederlander stel ik me de vraag: welke Nederlandse uitgever is vandaag de dag in staat ook maar vijfhonderd Vondels in eigen land te slijten? Tegelijkertijd moet men vaststellen dat Vondel alleen in het Russisch in een omvangrijke moderne vertaling beschikbaar is. Nu ligt Huygens voor ons. Een keuze uit de poëzie van Huygens werd een paar jaar gelden in het Engels vertaald: een in Amsterdam – helaas niet in Oxford! – verschenen uitgave in het kader van de herdenking  van de vierhonderdste geboortedag van de dichter. Maar andere omvangrijke vertalingen uit de moderne tijd zijn mij niet bekend. Het zij herhaald: wederom gaat het hier om een volledig Russisch initiatief, waar geen Nederlandse subsidiepot aan te pas kwam.
     Huygens is in eigen land een beroemd en bestudeerd maar ook tamelijk ongelezen dichter. Dat geldt ook voor Huygens’ eigen vertalingen. J.C. Bloem slaakte eens typisch Hollandse zuchten over ‘de meesterlijke vertalingen van enkele gedichten van Donne door Huygens (vertalingen, die in elk land dan het onze, althans onder de lettré’s, vermaard zouden zijn)’. Zede-printen (1623/1624) is ook nog een enigszins omstreden werk van de ‘taalgeleerde Hagenaar’. Hij schreef deze cyclus toen hij door een oogziekte geveld was. Door de jaren heen hebben Huygens-kenners deze gedichten om hun levendigheid, spits vernuft en taalvondsten geprezen, maar ze ook wel gezocht, eentonig en wijsneuzig genoemd.
     Hoe vertaalt men de nogal flauwe woordspeling ‘’S volckx will is dat sijn will voor aller willen will” (‘Een koning’) in het Russisch? Het is maar een van de talloze problemen van een vertaler, die, zoals Vitkovski, de versificatie van het origineel zo goed mogelijk wil handhaven. Het is onontkoombaar dat daarbij iets van de inhoud verloren gaat. Ook de toon verandert: het soms bonkige, burleske, zelfs agressieve Nederlands dat Huygens kennelijk voor ‘profijtelick vermaeck’ had bestemd, klinkt in een Russische interpretatie al gauw strakker en meer classicistisch. Maar Russische lezers zullen in deze vertalingen ware poëzie herkennen en daarbij waarschijnlijk gauw een verband zien met de Nederlandse schilderkunst, die in de Hermitage en in andere Russische musea al heel lang als een ware ‘oogentroost’ fungeert.
     Wat mij betreft is dit de meest verrassende en eigenzinnige Russische vertaling uit het Nederlands die er bestaat. Volkomen anachronistisch en onverwacht toch heel actueel: zonder dat de vertaler er iets van wist, valt de verlate uitgave van zijn werk samen met het verschijnen van de eerste historisch-kritische editie van Huygens’ vroege poëzie sinds mensheugenis: Nederlandse gedichten 1615-1625, een fraaie uitgave van het Haagse Constantijn Huygens Instituut. Maar onwillekeurig denken we nu toch even aan de oudere Huygens, die in 1654 dichtte:

Wij soecken Oost en West in afgelegen oorden:
T’huijs kennen wij niet half recht Zuijden uit recht Noorden,
Denckt, Holland, hoe de man gedanckt dient en geeert,
Die u de gulden less, K e n t e e r s t v s e l v e n, leert.

Oegstgeest, 9 november 2001

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in:  Konstantejn Chejgens [Constantijn Huygens], Nazidatel’nye kartinki (Tomsk-Moskva: Vodolej, 2002), pp. 173-178 [op pp. 179-186 van deze tweetalige uitgave staat de tekst in Russische vertaling].