Posts tonen met het label August von Platen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label August von Platen. Alle posts tonen

vrijdag 12 september 2014

Triëst: de zee als literaire ontdekking

DE ONTDEKKING VAN DE ZEE
VON PLATEN, GRILLPARZER EN STIFTER OP WEG NAAR TRIËST 

Eind maart 1876 komt een negentienjarige Weense student in de medicijnen, Sigmund Freud, naar Triëst. Het stipendium dat hij heeft gekregen, brengt enige weken onderzoek met zich mee in het zojuist in Triëst opgerichte ‘Zoologische Station’. Freuds observaties van de voortplantingsorganen van alen vinden hun weerslag in zijn artikel ‘Beobachtungen über Gestaltung und feineren Bau der als Hoden beschriebenen Lappenorgane des Aals’ dat het jaar daarop in een band van de Weense academie van wetenschappen verschijnt. De zee kende Freud van een reis naar Manchester in 1875 maar het is in Triëst dat hij voor het eerst kennis maakt met zuidelijke sferen.
            Gegevens over Freuds Triëstijnse verblijf staan in twee uitvoerige brieven die hij vanuit Triëst aan zijn jeugdvriend Eduard Silberstein schrijft. Op 5 april 1876 bekent hij Silberstein dat hij een persoon is ‘met de ongelukkige neiging alles gewoon te vinden en snel aan alles te wennen’. Hij weet dat hij zich aan ‘de kust van een der mooiste zeeën’ bevindt; tegelijkertijd laat dit hem ‘al op de tweede dag zo onverschillig, als was ik eigenlijk op een vissersboot geboren’.
            Een soortgelijke ervaring heeft de student Freud met vrouwen. Op 23 april schrijft hij Silberstein dat ‘op de eerste dag van mijn verblijf in Triëst het me voorkwam, dat louter Italiaanse godinnen Triëst bevolken, en ik werd er bang van, maar toen ik op de tweede dag vol verwachting de straat opging, kon ik er geen meer vinden en sindsdien behoort een mooie donna tot de zeldzaamste dingen die ik op straat zag.’ Het is amusant te lezen dat Freud in dezelfde brief hoog opgeeft van de vrouwen in het stadje Muggia, waarheen hij een excursie heeft gemaakt. Een terugkeer naar het stadje zou waarschijnlijk ook weer tot een teleurstelling hebben geleid.
            Freuds brieven uit Triëst wijzen in kort bestek op het gemak waarmee eerste indrukken verworpen kunnen worden. Ze herinneren ons eraan dat veel reisberichten gebaseerd zijn op indrukken van het eerste moment die later niet zijn herbeleefd.
            Triëst, sinds het begin van de achttiende eeuw belangrijk handelscentrum, was voor menig zakenman een doel op zichzelf. Toeristen, Bildungsreizigers en schrijvers deden de stad vooral aan als ze vanuit het Habsburgse land op weg waren naar Venetië, andere Italiaanse steden of de badplaatsen in Istrië. Een klassiek voorbeeld van een dergelijk reiziger is de schrijver Gustav von Aschenbach in Thomas Manns novelle Der Tod in Venedig (1911). Voor reizigers uit Midden-Europa betekende Triëst  nog meer dan de kennismaking met een onvermijdelijk tussenstation. Op weg naar Triëst, bij Opicina, werd iets gezien dat Freud snel verveelde maar in de oude tijd – brieven en dagboeken getuigen ervan – een welhaast mystieke aantrekkingskracht bezat: de zee.

De dichter August von Platen (1796-1835) is bijna achtentwintig jaar oud als hij eind augustus 1824 vanuit Erlangen via Nürnberg naar Salzburg reist. Op dat moment is hij enigermate bereisd: als jongeling heeft hij Zwitserland verkend, in Duitsland is hij tot aan Keulen gekomen en Frankrijk kent hij als deelnemer aan een veldtocht in 1815. Via Villach gaat Von Platens reis over huidig Sloveens en Italiaans grondgebied via Görz naar Triëst. Görz (nu Gorizia) is de eerste stad met een Italiaans karakter die hij ziet. Triëst bereikt hij op 5 september 1824, na een tocht vol verrassingen waarover hij de volgende dag in zijn dagboek noteert:

De weg hierheen is bezaaid met kleine plaatsjes, maar niettemin vreselijk, je reinste steenachtige Arabië. Tussendoor zijn van tijd tot tijd wijngaarden en moerbeiboomgaarden te zien. Overal in het rond massieve of merkwaardig gespleten brokken kalksteen, die soms tot muurtjes zijn gestapeld of tot steenhopen bijeengebracht. Reeds vóór Monfalcone is een smalle streep van de zee waar te nemen. In Monfalcone, waar wij even uitstapten, beklom ik de berg waarop de ruïnes van een eertijds hertogelijk slot staan, en aanschouwde in de verte de zee waar vanwege de hitte van de dag een lichte nevel overheen hing. Ook bij Duino ziet men eigenlijk meer kanalen en lagunes dan de open zee zelf; pas bij Opicina strekt die zich in haar volle kracht uit. Zo heb ik de zee voor het eerst gezien: doodstil en roerloos, door zelfs geen briesje bewogen. De avondzon wierp van achter een dunne wolk een stralend witte glans op het water. Daartoe daalde ik de steile berg af en liep de drukke straten van Triëst in. Als eerste viel de klederdracht van de boeren – het was juist zondag – op, die op het klimaat is afgestemd. Hun vilten hoed is voorzien van een brede rand, het jasje hangt met de mouwen over hun schouders en de korte broek slobbert losjes om hun knieën.[1]

De reis naar Triëst openbaart aan Von Platen de mediterrane wereld. Het Zuiden biedt hem zoveel vooroordelen boven de kleinburgerlijke Duitse provincie waar hij noch met zijn werk noch met zijn homoseksuele geaardheid gedijen kan, dat hij spoedig, vanaf 1826, permanent in Italië verblijft. Het is evenwel niet Venetië, waarheen hij op weg is en waar hij zijn beroemde sonnetten zou schrijven, maar Triëst en omgeving die hem de eerste schok der herkenning van een warmere, vrijere wereld geven. Dit blijkt uit het dagboekproza van Von Platen dat ineens verrassend spontaan en beeldend overkomt en gespeend is van de neerslachtige toon van de eenzame studentenkamer waarop de dichter ons in Duitsland trakteert.
            Op 27 augustus klaagde Von Platen in Salzburg, waar hij alleen met de politiecommissaris (die hem over zijn pas wilde spreken) en kelners had gepraat, nog over een ‘gevoel van eenzaamheid dat onbeschrijfelijk’ is. In Triëst heeft hij ook geen aanspraak maar vervelen doet hij zich niet. Triëst fascineert Von Platen schijnbaar als geen andere stad die hij voordien zag. Hij maakt er ook kennis met de zee en geeft ons een aardig beeld van Triëstijnse badcultuur dat duidelijk maakt dat onze ‘golfzwembaden’ ingenieuze voorlopers hebben:

Triëst overvalt en verdooft me te zeer dan dat ik er een volledig beeld van kan krijgen en mijn indrukken van de eerste avond ordenen en aan mijn geestesoog voorbij kan laten gaan. Ik nam mijn intrek in de ‘Locanda grande’ die aan de ene kant uitziet op de Piazza Grande, de markt, en aan de andere kant op de haven. Ik kreeg een mooie ruime kamer met uitzicht op zee en op de talloze masten van schepen die hier voor anker liggen. Als ik de deur van mijn kamer opendoe kan ik over een balkon heen op de piazza kijken. Eerst voelde ik een sterke behoefte om een bad te nemen en ik liet me de weg wijzen naar de ‘Soglio di Nettuno’, een heel mooi als badhuis ingericht schip dat door een loopbrug met de wal is verbonden. De badkuipen kunnen door middel van een lattenbodem in zee zakken, terwijl men met een handvat de diepte kan regelen, dus stijgen of dalen. Het water blijft steeds door de openingen van de balustrade binnen stromen en daardoor raakt men in een soort golvende beweging. Hier nu vond mijn eerste kennismaking met zeewater plaats. Het is zo doorzichtig als glas en onder water ziet het lichaam er uit als spierwit marmer. Na zo’n bad begint je huid enigszins te gloeien. De smaak komt vrijwel overeen met die van de zoutwaterbronnen in Hallein, denk ik. Na het bad ging ik naar het dek waar de gasten kunnen gaan zitten om wat te drinken. De maan stond al boven het paleis van Hieronymus Buonaparte en in het zuiden was het af en toe aan het weerlichten.

In maart 1819, enige jaren voor Von Platen, reist Franz Grillparzer (1791-1872), de hypochondrische Oostenrijkse dramaturg en beambte, naar Triëst. Het is twee jaar na de zelfmoord, door verdrinking in de Donau, van zijn zeventienjarige broer Adolf en twee maanden na de zelfmoord van zijn moeder die zich in haar kamer had opgehangen. Grillparzer hoopt zich op een reis door Italië van zijn depressie te bevrijden. Evenals Von Platen noteert hij zijn indrukken van de woeste weg door het Karstgebergte naar Triëst. Een dagboekaantekening van 28 maart 1819:

Toen eindelijk de lang verbeide morgen aanbrak hadden wij Planina, Adelsberg Prewald reeds achter ons gelaten en Sesana, de laatste pleisterplaats voor Triëst, lag voor ons. Nu de duisternis langzaam week en ik om mij heen kon kijken, kwam het mij voor alsof ik door een tovenaar in de nacht naar een ver verwijderd land was overgebracht. Voor ons lag een kaal, verlaten landschap, vrijwel zonder enige bebouwing; slechts hier en daar verspreid stonden enkele kastanjebomen, die uit de vorige herfst hun verdroogde bladeren – een droevig overschot – tot in de nu aangebroken lente hadden weten vast te houden, daartussen kromgegroeide moerbeibomen waaromheen zich wijnranken slingerden. De velden waren bezaaid met rotsblokken en gaven het geheel het aanzien van een stenen zee. Het was alsof God hier op deze plek had gestaan toen hij na de zondeval van de mensen zijn vloek over de aarde uitsprak.

De kennismaking met de zee beschrijft Grillparzer met meer enthousiasme dan Von Platen. Zijn verhouding tot dit nieuwe fenomeen heeft erotische kanten die zijn latere, in vraagstukken van seksuele verbeelding gespecialiseerde stadgenoot dr. Sigmund Freud interessant kon hebben gevonden:

Naarmate wij dichter bij Triëst kwamen, merkten wij steeds duidelijker hoe het klimaat veranderde: de gure, kille lucht werd milder, en alles scheen ons aan te kondigen dat wij de toegang tot Hesperia hadden bereikt. Een paar mensen van het platteland die wij onderweg tegenkwamen, met paard en wagen en met bizar bruine en rode kleren aan, stemden met dit alles volkomen overeen en daardoor waren onze verwachtingen, na 3 doorwaakte nachten en een reis van 80 mijl met de postkoets, zo hoog gespannen als maar enigszins mogelijk was. Eindelijk de dogana van Opicina – een heuvel! – Omhoog! – Ah! en daar lag zij dan voor ons, wijd en blauw en helder, en het was de zee. Ik sprong uit de koets en liep er zo snel naartoe dat mijn reisgenoot mij toeriep op te passen om niet naar beneden te storten. Een merkwaardige gewaarwording drong zich bij mij op. Voorheen was ik al uit de verhalen die mij waren verteld ervan overtuigd geraakt dat de aanblik van de zee mij bij lange na niet dat verheven gevoel zou schenken dat het in mijn fantasie had teweeggebracht en ik had derhalve het moment waarop ik haar in werkelijkheid zou aanschouwen eerder met vrees dan met vreugde tegemoet gezien. Ik vreesde namelijk een verheven schouwspel armer te worden en in ruil daarvoor een waarheidsgetrouwer beeld te krijgen – voor een dichter een twijfelachtig voordeel. En het voorgevoel van weleer werd inderdaad ten dele bewaarheid. Het visioen van de zee was in mijn fantasie stellig indrukwekkender en geweldiger geweest dan de werkelijkheid, maar toch was ik zo onder de indruk en geboeid dat ik mij er nauwelijks van kon losmaken: dat de zee zo mooi, zo onbeschrijfelijk mooi was, had ik mij namelijk niet voorgesteld. Zoals zij daar lag, een liefelijk tafereel dat het midden hield tussen een groene golvende weide en de stille blauwe hemel, zo weldadig voor het oog dat de taal geen woorden kent om dit te beschrijven, zo zachtaardig en mild dit weerbarstige, tomeloze element, als een geliefde, die nog tweemaal zo schoon is wanneer na een opwelling van woede en razernij haar toorn is geluwd en zij dan, tweemaal zo liefdevol, haar beminde teder en verzoenend in de armen neemt.- Zo had ik het mij nooit voorgesteld en daarom was ik uitermate verrast en geboeid. Eigenlijk biedt de zee bij Triëst niet eens een echt grootse aanblik. De onmetelijkheid waarmee voor het geestesoog het visioen van de zee gepaard gaat en deze tot het meest verheven tafereel maakt dat de zichtbare wereld bezit, verdwijnt hier volkomen, want aan 3 zijden zijn de oevers zichtbaar en aan de 4de, oeverloze, lijkt zich voor het oog ook uit wolken en nevels gemakkelijk een oever te vormen.
                Overigens biedt Triëst allerwegen, zowel vanaf het gebergte waaraan het ligt als vanuit zee gezien, een buitengewoon fraaie aanblik. De zee met al haar majestueuze pracht, de talloze scheepsmasten, de drommen mensen in allerlei kleding en met allerlei talen, alles is nieuw en fascinerend. En het is een uiterst vreemd gezicht als men op open plekken midden in de stad flinke zeeschepen ziet liggen die met hun masten ver boven de omringende huizen uitsteken.

Hoe overweldigend de indruk ook is die de zee bij Triëst op Grillparzer maakt, de verdere reis door Italië deprimeert hem voornamelijk. Reeds luttele dagen later noteert hij in Venetië, waar Von Platen schijnbaar de gelukkigste tijd van zijn leven doorbrengt, dat de eerste indruk van deze stad met haar ‘moerassige lagunen, deze stinkende kanalen, de smerigheid en het geschreeuw van dit onbeschaamde bedriegersvolk’ op hem ‘bevreemdend, benauwend, onaangenaam’ werkt. Ook in Rome komt hij niet tot opwekkende gedachten. Grillparzer, die ondanks het grote oeuvre dat hij op zijn naam brengt, veroordeeld blijft tot een levenslang Weens beambtenbestaan, is een zeldzaam voorbeeld van een Duitstalig schrijver voor wie de Italië-ervaring geen verrijking van het leven heeft betekend. 

Adalbert Stifter (1805-1868), Oostenrijks prozaschrijver en meester van de natuurschildering, bereikt in tegenstelling tot Grillparzer het eigenlijke Italië nooit. Het grootste deel van zijn leven brengt hij door in de Oostenrijkse provincie. Stifter, zoon van een linnenwever, voelt zich in de ‘grote wereld’ ook niet thuis. Zijn imago is dat van een gekwelde kleinburger, die in zijn leven achter een façade van Biedermeier-harmonie heel wat examenangst, liefdesverdriet, geldzorgen en onzekerheid heeft moeten verdragen. Hij is al ver over de vijftig, van beroep inspecteur bij het lager onderwijs, wanneer hij in juni 1857 voor het eerst in zijn leven een reis richting Italië maakt (tot dan toe is hij niet verder dan Zuid-Duitsland gekomen). In zijn gezelschap bevinden zich zijn echtgenote Amalie en zijn pleegdochter Juliana, die twee jaar later zelfmoord pleegt door in de Donau te springen.
            Op 28 juni 1857 doet Stifter vanuit Klagenfurt verslag van zijn zeeërvaringen in een brief aan Johann Ritter von Fritsch:

Gisteren zijn wij na een reis vanuit Triëst via Udine hier weer aangekomen. Ik heb nu de zee gezien. O, mijn vriend, wat zijn de Alpen en al die andere dingen bij ons, vergeleken met de grootsheid van de zee? Nu ik die gezien heb denk ik dat ik beslist niet meer verder had kunnen leven als ik haar niet had gezien. De bekoring en de grootsheid van dit fenomeen heeft op mij een indruk gemaakt die een keerpunt in mijn geestesleven teweegbrengt. Ik ben plotseling rijk geworden en vervuld geraakt  van een niet aflatend verlangen, de ‘eeuwige zee’ (zoals Homerus zegt) nooit meer geheel uit het oog te verliezen. Het is alsof mijn ziel is uitgedijd, ruimer is dan vroeger en alsof de oneindigheid buiten mij een gestadige stroom voedsel schenkt aan de oneindigheid binnen in mij. Veel daarover mondeling. In Opicina heb ik op een ochtend 2 uur op een heuvel gezeten. In Triëst heb ik vele uren aan het kijken naar de open, wijde zee besteed.

Een paar weken later, op 20 juli 1857, komt Stifter nogmaals over zijn ervaringen te spreken, dit keer in een brief aan Gustav Heckenast, zijn uitgever. Een beschrijving van een Triëstijnse nacht met storm en onweer is Stifter wel toevertrouwd:

Hoe groot is God, hoe wonderbaarlijk is Zijn wereld! Ik heb u mondeling zeer veel te zeggen; het papier is te klein voor welke mededeling dan ook. De volgende dagen heb ik, vlak aan het water staande, eveneens vele uren aan zee doorgebracht en ik kon er maar niet genoeg van krijgen, ernaar te kijken. Ik had nooit kunnen vermoeden dat de zee zo liefelijk kan zijn. Van dag tot dag, van uur tot uur was zij weer anders en steeds even behoorlijk. In vele kleuren, als bleek smaragd, als stralend azuurblauw of ultramarijn, ja als een pantser met louter zilveren schubben lag zij daar flonkerend voor mij, al naar gelang er een zonnestraal overheen gleed of dat zich een met wolken bedekte of stralend heldere hemel erboven welfde, al naar gelang des morgens de lucht er stil en intens blauw dan wel door de middaghitte bijna witgloeiend uitzag. Op de 21ste zag ik des namiddags in het westen een onweer uit zee opkomen. De wolken stonden er loodrecht boven, het leek een reusachtig meer en de wolken leken duizelingwekkend hoge bergen, hoog oprijzend aan zijn oever in de verte. Zoals ik dat ook onder andere omstandigheden had gedacht, vond ik toch ook ditmaal de zee op haar mooist. Ik vertoefde in het Hotel de la Ville, rechtstreeks tegen de rede gelegen. Tegen de 300 schepen lagen voor mij. Omstreeks 8 uur begon het te weerlichten, waarbij de bliksemschichten zo werden weerkaatst dat hemel en zee dikwijls een en al vuur lijken en de talloze schepen telkens een ogenblik in de leegte hingen. Intussen heerste een ademloze stilte. Om 11 uur kwam de storm, en het onweer hing boven onze hoofden. Helaas kon ik wegens de duisternis het schuimen van de zee niet zien, alleen maar horen. En zij hoorden wij ook het geroep van de scheepslieden in de touwen, bij tijd en wijle het luiden van de scheepsklokken, het geratel van kettingen van uitgeworpen noodankers en af en toe een kanonschot. Er schijnen 3 schepen van hun kettingen losgerukt maar door stoomschepen weer binnengesleept te zijn. Van ongelukken verder de zee op werd niets vernomen. De volgende dag was de zee onrustig. De fraaie, roodachtig schemerende rotsachtige kusten van Muggia, Capodistria, Pirano en daarachter het grijsgrauwe, eentonige Karstgebergte staken prachtig af tegen het donkerblauwe, uitgestrekte, golvende zeeoppervlak en de talrijke zeilen bewogen zich helder blinkend, vooral wanneer er af en toe een zonnestraal op viel, voort over hun donkere ondergrond. Vluchtige schaduwen van voorbijtrekkende wolken gleden over het tafereel. Tegen de namiddag werden lucht en water kalmer.

De zee zou Stifter niet meer terugzien. Hij komt op deze reis ook niet verder dan Triëst: van een bezoek aan Venetië, Florence en Rome moet hij uit geldgebrek afzien. Hij gelooft dat hij heel wat heeft gemist. In dezelfde brief schrijft hij Heckenast: ‘Goethe is pas door Italië een groot dichter geworden; ware ik 20, 25 jaar gelden voor de eerste maal en daarna nog meermalen in Italië geweest, dan was er ook van mij iets terechtgekomen. Als bedenkt wat er eigenlijk niet tot stand is gekomen, dan zou je hart bijna breken.’ Maar Stifters hart breekt ook al op het moment dat hij tot dit inzicht komt:

Ik ben door de zee en door de indrukken die ik van een onbekend volk heb opgedaan nog ééns zo rijk geworden als ik voordien was. Maar juist uit dit beginstadium is mij duidelijk geworden hoe arm ik nog ben. Vreemde landstreken en mensen verruimen de blik en maken dat de kunst grootser en universeler wordt. Zelfs van Der Nachsommer, hoe Duits deze ook is, had ik iets anders gemaakt wanneer ik hem na deze reis had geschreven. Ook mijn echtgenote zwelgde van verrukking, iets wat ik vroeger nooit bij haar had meegemaakt. Wij verlieten in de omgeving van Duino de zeekust en dat was dan ook welhaast een deprimerende ervaring, en het landschap van het Karstgebergte kwam ons voor als vloeipapier. En toch is dat gebergte in al zijn verlatenheid ook merkwaardig te aanschouwen, en telkens weer zie ik het voor mij.

Triëst, als poort naar de zee, heeft een plaats in de Duitse literatuur die meer dan anekdotisch is. Met de uitbouw van het Europese spoorwegennet, de val van het Habsburgse rijk en de opkomst van de luchtvaart is Triëst ondertussen economisch minder  belangrijk geworden. De lijnboten op Ancona, Igoumenitsa en Venetië varen nog steeds maar de rol die de stad als aankomst- en transithaven speelt is veel minder opvallend dan in de tijden van Winckelmann, Van Platen en Von Aschenbach. Ondertussen lijkt de zee al lang niet meer ‘doorzichtig als glas’ als bij Von Platen, het ‘verheven beeld’ of de ‘geliefde’ van Grillparzer, niet meer een louterende ervaring die het leven verandert en het verleden in een ander licht stelt als bij Stifter.
            Grillparzer, Von Platen en Stifter reisden per koets naar Triëst – de gauw verveelde Freud nam reeds de trein. De mogelijkheden om je snel over de aardbol te verplaatsen, zorgen er inmiddels voor dat voor een Europeaan niets meer ver is: de supermarkt-reiscultuur uit ons tijdperk van de chartervlucht brengt de toerist eerder aan de hete stranden van Thailand of voor de tempels van Mexico dan in het Karstgebergte boven Triëst. Eigenlijk is onze wereld de afgelopen eeuwen voortdurend gekrompen.

Jan Paul Hinrichs

geciteerde literatuur

Sigmund Freud, Jugendbriefe an Eduard Silberstein 1871-1881 (ed. Walter Boehlich), Frankfurt am Main 1989.
Grillparzers Werke (ed. August Sauer), Zweite Abt., vii, Wien 1914.
August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken (vert. C.R. Vink; keuze en nawoord van Jan Paul Hinrichs), Leiden 1990.
Die Tagebücher des Grafen August von Platen (ed. G. von Laubmann & L. von Scheffler), 2 dln., Stuttgart 1896-1900.
Adalbert Stifter, Sämtliche Werke (ed. Adalbert Horcicka & Gustav Wilhelm), xix, Prag 1923.




[1] De in dit artikel geciteerde fragmenten uit het werk van Von Platen, Grillparzer en Stifter zijn uit het Duits vertaald door C.R. Vink.

| Eerder verschenen in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (eds.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2de druk 2012), pp. 26-36. 
In Duitse versie verscheen dit stuk onder de titel 'Die Entdeckung des Meeres - Platen, Grillparzer und Stifter auf dem Wege nach Triest' in: Jattie Enklaar & Hans Ester (eds.), Geborgenheit und Gefährdung in der epischen und malerischen Welt Adalbert Stifters (Würzburg: Königshausen und Neumann, 2006), pp. 179-185 (Deutsche Chronik; 55).

vrijdag 5 juli 2013

August von Platen en Jan Vermeulen

KANTTEKENINGEN BIJ AUGUST VON PLATEN

[…] Een waarschuwing voor het gevaar van persoonsverwisseling bij biografisch onderzoek geeft de geschiedenis van de Nederlandse Von Platen-receptie. In mijn nawoord bij Memorandum van mijn leven [Leiden: Plantage-Gerards & Schreurs, 1990] ben ik op die receptie uitvoerig ingegaan, zonder te pretenderen een volledig beeld te bieden. Geen weet had ik van de Von Platen-vertaling in het clandestiene Haagse blad Maecenas, waarvan Klaus Siegel in zijn Maatstaf­-essay [nr. 9-10, 1990] melding maakt. Het zou hier gaan om ‘een zekere John Vermé, achter welk pseudoniem de Leidse dichter Jan Vermeulen zich verschuilde’.
     Van Maecenas (‘Communicatiemiddel onder redactie van Peter de Raedt’, pseudoniem van Willem Karel van Loon) verschenen in de jaren 1944-1945 zeven nummers. Het gaat om in een oplage van hooguit honderd exemplaren gestencilde blaadjes van rond de twintig bladzijden. De bedoelde Von Platen-vertaling staat in nr. 4 (1944), p. 19-20. Het betreft hier het sonnet ‘Was kann die Welt für unser Glück empfinden’, geschreven in 1822 en gericht aan Justus Liebig (1809-1873), de later wereldberoemd geworden chemicus, met wie Von Platen in Erlangen bevriend raakte:

SONNET (naar von Platen)

De koude wereld met haar valse ziele
Kán ons geluk niet meegevoelen.
Zij kan het niet bestend’gen of vernielen,
Kan ons niet scheiden of te zamen voegen.

Rondom ons heen verdwijnen alle dingen
Daar zij de Liefde slechts kunnen omschrijven.
Geen derde mag zich bij ons binnendringen;
Verborgen moet de ware liefde blijven.

Wie, tussen and’ren, ons zien gaan,
Mogen niet weten dat, geheim en stil,
We in verliefde smarten als vergaan.

Vergeten wil ik ied’re vreemde gril
Als ik om jou mijn blijde arm mag slaan
En als voor jou zich buigt mijn starre wil.

Er staat nóg een Von Platen-vertaling in Maecenas. In het tweede nummer (1944) vinden we op pagina 19 een vertaling van Von Platens uiterst sombere sonnet uit 1821 ‘Wem Leben Leiden ist und Leiden Leben’:

SONNET (naar von Platen)

Wien leven lijden is, en lijden leven,
Mag zelve, wat ik voelde, ondervinden.
Wie elk geluk terstond zag ontbinden,
Zodra het slechts begon er naar te streven,

Wie zich ooit in een doolhof heeft begeven,
Waarvan de uitweg nooit meer was te vinden,
Wien slechts de liefde daarom zocht te binden
Om hem daarna de vertwijfeling prijs te geven,

Wie elke bliksem zwoer, hem neer te vellen
En iedre stroom, dat hij hem weg zou spoelen
Met alle kwalen die zijn hart doorwoelen,

En wie den dooden zelfs hun harde bedden
Misgunt, waar liefde niet meer kan vervoeren,
Kent mij geheel, en voelt wat ik moest voelen.

Ook deze vertaling is ondertekend met John Vermé. In het laatste nummer van Maecenas (nr. 7, 1945, p. 19) vermeldt een overzicht van pseudoniemen die in het blad zijn voorgekomen dat achter deze naam Jan Vermeulen schuilgaat. Het ligt voor de hand dat men hierbij denkt aan de dichter en graficus aan wie Reinold Kuipers in zijn Gerezen wit (Amsterdam, Querido, 1990) enkele bladzijden wijdt. Dat was een ‘Leidse dichter’, autreur van onder meer de bundels De terugtocht (Leiden, Molenpers, 1944), Het ontoereikende (Leiden, Molenpers, 1944) en Vergeefse herfst (’s-Gravenhage, A.A.M. Stols, 1946). Hierin vinden we vertalingen uit het werk van Trakl, Rückert en Von Hofmannsthal. Von Platen lijkt heel goed binnen zijn brede interesse voor de Duitse dichtkunst te passen.
     Naar Hans van Straten, die bevriend was met de ‘Leidse’ Jan Vermeulen (1923-1985), mij meedeelde, was de vertaler van Von Platen een ándere Jan Vermeulen. Willem Karel van Loon, de redacteur van Maecenas, bevestigde dit tegenover mij en herinnerde zich dat de tweede Jan Vermeulen, die een stuk ouder was dan de eerste, als leraar of onderwijzer de kost verdiende en in Rotterdam woonde. Beide heren konden zich niet herinneren na de oorlog nog werk van de Rotterdammer gezien te hebben, noch wisten zij wat er verder van hem was geworden. Wellicht hebben we hier te maken met een dichterlijke carrière die zich tot de publikatie van twee Von Platen-vertalingen beperkt. […]

| Deel van een artikel dat eerder verscheen in Het Oog in ’t Zeil 8 (1991), nr. 2, pp. 57-58. Het hele artikel beslaat pp. 56-59.

vrijdag 31 mei 2013

August von Platen in Nederlandse vertaling

DE TERUGKEER VAN AUGUST VON PLATEN

Arethusa, zo valt in naslagwerken te lezen, is een veel voorkomende Griekse naam van bronnen. Het bekendst is de zoetwaterbron Arethusa op het eiland Ortygia ten oosten van de haven van de Siciliaanse stad Syracuse. Aan deze bron ontleende stellig ‘Locanda dell’Aretusa’ haar naam, de herberg in Syracuse waarin op 11 november 1835 de Duitse graaf August von Platen-Hallermünde zijn intrek nam. Von Platen, die in Duitsland vergeefs naar liefde en roem had gezocht, verbleef toen reeds negen jaar vrijwel onafgebroken in Italië. In Syracuse wilde hij de winter doorbrengen, nadat hij uit angst voor de cholera eerst Napels en later Palermo had verlaten. De maagkramp die hij op 23 november kreeg, zag hij aan voor een cholerabesmetting. Door overmatige inneming van medicijnen werd hij nog zieker. Op 5 december 1835 stierf hij, negenendertig jaar oud. De volgende dag is hij begraven in de tuin van een lokaal edelman die zich zijn lot had aangetrokken. Geen Duits dichter ligt zo zuidelijk en eenzaam begraven als Von Platen.
     Ik kan niet nalaten aan Von Platens laatste herberg te herinneren nu in 1988 in een oplage van honderd genummerde exemplaren bij de Arethusa Pers te Baarn een uitgave van Von Platen verscheen: Zeven sonnetten uit de Sonette aus Venedig, vertaald door J.C. Ebbinge Wubben. Curieus ogen in een bibliofiele editie de paginacijfers op blanco bladzijden, maar verder kan men met dit tweetalige boekje (zonder zetfouten in het Duits) alleen maar blij zijn. Het onderstreept weer eens de speciale band die de Nederlandse literatuur met Von Platen heeft.
     Wie door middel van Fritz Redenbachers Platen-Bibliographie (Erlangen 1935; tweede druk, met aanvullingen, Hildesheim 1972) nagaat wat de Nederlandse bijdrage aan de Von Platen-literatuur is, zal tot de conclusie komen dat die weinig voorstelt: een gedicht van Albert Verwey op Von Platen, openomen in de in 1935 te Peking verschenen bundel Dem Andenken Platens én een bibliofiele editie Venedig. Sonette, in 1945 uitgegeven door Stichting De Roos te Utrecht. Gedichten op Von Platen vindt men evenwel ook bij Willem Kloos en Willem de Mérode, vertalingen uit zijn poëzie bij Hélène Swarth, Victor van Vriesland en Hans Warren, toespelingen op zijn fameuze gedicht ‘Tristan’ bij Jacques Perk en Martinus Nijhoff. Uitvoeriger ga ik op een en ander in in mijn nawoord bij Memorandum van mijn leven, een keuze uit Von Platens dagboeken die zojuist in de vertaling van C.R. Vink verscheen bij uitgeverij Plantage-Gerards & Schreurs te Leiden.
     Bij mijn weten zijn Von Platens dagboeken niet eerder in vertaling verschenen. Maar voor een Von Platen-primeur zorgde Nederland al véél eerder. Een belangrijke omissie in Redenbachers bibliografie is de Nederlandse vertaling van het toneelstukje Der Turm mit sieben Pforten: De toren met zeven deuren, blijspel, in één bedrijf, ‘Naar het Hoogduitsch van den graaf Platen-Hallermünde’, omsteeeks 1828 te Brussel verschenen bij de drukker en boekhandelaar J. Sacré. Dit werkje, No. 11 in de reeks Nederlandsche Schouwburg, of verzameling der voornaamste tooneelstukken, is in één bandje uitgegeven met een ander toneelstuk, Maria door August von Kotzebue. Het bijzondere van deze editie is dat zij, afgaand op Redenbachers bibliografie, de eerste separaat verschenen vertaling van Von Platen is in welke taal dan ook. Von Platen zal er vermoedelijk zelf niet van op de hoogte zijn geweest. Noch in zijn dagboeken, noch in zijn brieven zijn verwijzingen – die anders ook Redenbacher op een spoor hadden moeten brengen – naar dit Brusselse boekje te vinden.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Het Oog in ’t Zeil 8 (1990), nr. 1, p. 61.

August von Platen: Death in Syracuse

VON PLATEN IN SYRACUSE

Een verarmde Beierse graaf, negenendertig jaar oud, komt aan het einde van het jaar 1835 in Syracuse aan om, zoals hij in zijn dagboek schrijft, zijn ‘winterkwartier te betrekken’. De graaf kent niemand in de stad en niemand kent hem. Een aanbevelingsbrief van een Duitse vriend uit Napels verschaft hem toegang tot een lokale edelman die hem een herberg aanbeveelt. Een paar dagen later wordt de graaf ziek, moet bed houden en sterft. De edelman, diens factotum en een Siciliaan die vice-consul is van Oostenrijk, de behartiger van de Beierse belangen in Syracuse, handelen de zaak af. Ze begraven de graaf, berichten familieleden, vrienden en superieuren over zijn dood en verzamelen zijn nagelaten bezittingen voor transport naar het vaderland.
     Als deze graaf August von Platen (1796-1835) heet, dan worden de brieven en documenten die op zijn dood betrekking hebben in de loop van de tijd uitgegeven. In biografieën en geleerde artikelen worden vraagtekens gezet, tegenstrijdigheden opgespoord, maar niemand weet met zekerheid wat er in het verre Sicilië met de dichter is gebeurd.
     Over de dood van Von Platen is tot dusverre vooral geschreven aan de hand van brieven en documenten. Men kan de zaak ook eens vanuit de lokale situatie bekijken. Wat betekende het als aan het einde van 1835 in een stadje als Syracuse een man als Von Platen ziek werd en stierf? Wat voor beeld kunnen we ons van die situatie vormen en hoe verhoudt dat zich tot de documenten die we erover kennen? Dat is het alleszins interessante uitgangspunt van het boekje van Pino Di Silvestro, August von Platen. Morire a Siracusa, dat in 1987 bij de voortreffelijke uitgeverij Sellerio in Palermo verscheen.
     Onze kennis van de laatste dagen van Von Platen is gebaseerd op twee brieven van edelman Mario Landolina Nava en zijn factotum Salvatore Chindemi gericht aan vrienden van Von Platen in Napels en Bergamo. Deze brieven willen ons doen geloven dat de zieke Von Platen omgeven was door zorgzame Syracusanen, in de eerste plaats Landolina en Chindemi zelf. Von Platens dankbaarheid is weerspiegeld in zijn laatste woorden: ‘U bent voor mij een engel, u bent voor mij alles geweest!, gericht aan Landolina, wiens hand hij op zijn sterfbed vasthield.
     Di Silvestro vraagt zich af of in Syracuse van die dagen voor Von Platen wel zoveel gastvrijheid te verwachten was. De streng katholieke Syracusanen wisten dat Von Platen protestant was, wat wantrouwen moet hebben gewekt. Maar nog groter kan de vrees zijn geweest dat hij cholera had opgelopen. Een besmetting van dien aard was in het bijgelovige Sicilië afschrikwekkend, niet minder dan aids in onze dagen. Een besmette, misschien als homoseksueel herkende, protestantse dichter was een vreemde snuiter die, zo stelt Di Silvestro zich voor, men desnoods in grote eenzaamheid kon laten sterven. Het is niet uitgesloten dat lokale autoriteiten, bevreesd voor de cholera die op dat moment in Toscane woedde, hadden bevolen dat de zieke volledig afgezonderd moest liggen.
     Peter Bumm, schrijver van August von Platen. Eine Biographie (Paderborn, Schöningh, 1990; zie mijn artikel in dit blad van januari 1991) is kennelijk niet van het bestaan van Di Silvestro’s boekje op de hoogte. Hij is niet zonder scepsis over Landolina’s en Chindemi’s berichten maar stelt vast: ‘In elk geval moet de hulp erkend worden die de baron de zieke en stervende onvermoeibaar gaf. Dat de artsen hem te gronde richtten, was zijn schuld niet.’ Uiteindelijk stoelt ook deze conclusie op de berichten van Landolina en Chindemi. Het is ook niet zeker dat een arts Von Platen heeft bezocht.
     Maar Von Platen was een graaf: daar had Landolina, als lokale ontvanger van buitenlandse gasten, rekening mee te houden. Hij had er alle belang bij dat de buitenwereld ervan overtuigd raakte dat Von Platens dood niet als een vloek op Syracuse en op zijn huis mocht worden beschouwd. Dat hij Von Platen in zijn tuin heeft begraven, mag niet als een bewijs gelden dat hij hem ook bij leven werkelijk heeft geholpen. Er lagen al meer buitenlanders in zijn tuin. Dat Landolina snel na Von Platens dood een grafmonument voor hem oprichtte zegt ook niets: in Sicilië bestaat daarin een traditie, en, bovendien versterkte zo’n monument het zorgzaam onderhouden imago van Landolina als gastvrij edelman.
     Di Silvestro houdt het erop dat het gezien de lokale angst voor besmetting waarschijnlijk is dat Von Platen aan zijn lot is overgelaten en dat de berichten van Landolina en Chindemi grotendeels verzonnen zijn. Bewijzen kan ook hij niets, maar zijn boekje schetst heel aardig specifiek Siciliaanse omstandigheden die op gespannen voet staan met mededelingen in de brieven. Het is volgens Di Silvestro zelfs niet met zekerheid te zeggen of de dichter werkelijk in zijn graf ligt. Wie stierf aan een besmettelijke ziekte werd in de regel in een zak buiten de stad gedeponeerd, overgoten met kalkmelk.
     Het laatste woord heeft Von Platen zelf. Op 13 november 1835, twee dagen na aankomst in Syracuse, schrijft hij, in wat zijn laatste dagboekaantekening was, het volgende over Landolina (citaat uit: August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken, Leiden, Plantage/G&S, 1990; vert. C.R. Vink): ‘Die Don Mario is een buitengewoon goedaardige en behulpzame oude man, maar helaas een beetje doof, wat hinderlijk is bij de conversatie, en hoewel de geleerdste man van Syracuse, is hij bepaald niet gespeend van de wijdverbreide Siciliaanse onwetendheid, iets wat in een land waar boeken noch kranten bestaan niet anders dan te verwachten is. Hij verkeerde onder andere in de mening dat Beieren geregeerd wordt door de familie Poniatowski.’

Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Het Oog in ’t Zeil 9 (1992), nr. 3, pp. 69-70.

Trefwoord: Tomba di August von Platen a Siracusa

donderdag 30 mei 2013

Van August von Platen naar Luchino Visconti

OVER AUGUST VON PLATEN

[…] Na Luchino Visconti’s film Death in Venice (1971) zullen velen niet meer het melancholieke en tedere Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie kunnen horen zonder zich daarbij filmbeelden te herinneren van donkere, nevelige wateren waarover het stoomschip met Von Aschenbach aan boord Venetië nadert; of beelden van het labyrint aan steegjes waardoor de dodelijk verliefde held de jonge Tadzio volgt. Door deze film, die klassiek is geworden door de geniale wijze waarop beeld en geluid met elkaar zijn verweven, is de mening dat de componist Gustav Mahler voor de componist Gustav von Aschenbach in Thomas Manns novelle Der Tod in Venedig model heeft gestaan zeer hardnekkig geworden.
     Een belangrijke bijdrage aan de uiterlijke trekken van Von Aschenbach heeft Mahler, die op sterven lag toen Thomas Mann zijn novelle in 1911 schreef, onmiskenbaar geleverd. Maar het verhaal is ook autobiografisch getint, tot en met de oude gek aan boord van het schip, de geschiedenis met de koffer en de cholera toe. Voor Tadzio heeft werkelijk een Poolse jongen model gestaan, die Thomas Mann weliswaar niet tot in de stad is gevolgd maar die hem wel zeer heeft gefascineerd. Dat kan men nalezen in de memoires van Katia Mann, waarin ook het curieuze detail wordt vermeld dat haar dochter Erika van een oude Poolse graaf een brief ontving waarin deze stelde zichzelf en zijn hele familie zeer precies beschreven in de novelle herkend te hebben.
     Niet alleen autobiografische achtergronden zijn in Der Tod in Venedig verwerkt, ook literair-historische parallellen liggen er duidelijk in besloten: met name het leven en werk van August von Platen hebben Thomas Mann geïnspireerd. Hij lijkt reeds in de naam van zijn held een sleutel te hebben verborgen. De voornaam Gustav moge van Mahler afkomstig zijn, de achternaam Von Aschenbach  lijkt op Von Platen te duiden, die geboren is in Ansbach.
     Von Platen en Von Aschenbach hebben van alles gemeen: beiden stammen uit een verarmde beambtenaristocratie, dragen een gouden bril, verblijven in Italië vanuit een soort ‘escapisme’, dreigen ziek te worden door de cholera, jagen dezelfde visioenen van het goddelijk-schone na, hebben homo-erotische neigingen, moeten het als kunstenaars meer van een enorme zelfdiscipline en hardnekkigheid dan van inspiratie hebben, lijden op het einde van hun leven aan artistieke onvruchtbaarheid. Beiden hebben Venetië over de zee bereikt; de beschrijving van Von Aschenbachs aankomst doet denken aan het sonnet ‘Mein Auge liess das hohe Meer zurücke’ waarin Von Platen Venetië van zee uit beschrijft. Zoals Von Aschenbachs liefde voor de jonge Tadzio onbeantwoord bleef, kwam ook Von Platen, de ridder van de ingebeelde liefde, in Venetië niet nader tot de door hem aanbeden nobile  uit het geslacht Priuli. De diepste overeenkomst zit evenwel in het doodsdronken estheticisme van Von Platen en Von Aschenbach, waarvoor de coulissen van Venetië, de stad van de schijn, symbool zijn. In zekere zin is Der Tod in Venedig een parafrase in novellevorm van het gedicht ‘Tristan’, wel het bekendste werk van Von Platen, dat door Victor van Vriesland aldus in het Nederlands is vertaald:

Wie de schoonheid zag met eigen ogen
Is reeds aan de dood ten prooi gegeven,
Deugt voor niets meer in het aards vermogen,
En toch zal hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid zag met eigen ogen.

Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten,
Want een dwaas slechts kan op aard’ verlangen
Te voldoen aan deze drang des harten:
Wie eens door het schone werd gevangen,
Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten.

Ach, hij wil wel als een bron verzanden,
Had met de adem gif graag ingezogen,
Wil op bloemgeur bij de dood belanden.
Wie de schoonheid zag met eigen ogen,
Ach, hij wil wel als een bron verzanden.

Von Aschenbach, in Thomas Manns novelle, probeert het tijdstip van zijn vertrek voor zich uit te schuiven. Ook Von Platen bleef in Venetië langer dan hij van plan was. De Venetiaanse omgeving overweldigde hem zo dat hij zichzelf en zijn verleden dat hij steeds als een zware last met zich meedroeg als het ware vergat. Hier en in deze voor hem zonderling gelukkige toestand vond hij onvermoed de inspiratie voor zijn sprankelende Venetiaanse sonnetten die zich met de beste werken uit de wereldliteratuur kunnen meten.
     Von Aschenbach bleef in Venetië, ook toen de cholera daar was uitgebroken, at zelfs van aardbeien waarvan hij moest weten dat ze hem konden infecteren. Von Platen ging op de vlucht voor de cholera. Begin september bevond hij zich in Napels waar hij aanvankelijk van plan was de winter door te brengen. Het opduiken van de cholera in Toscane, Genua en Livorno maakte hem onzeker. Zoals Von Aschenbach in een Venetiaans reisbureau door een Engelsman over de cholera werd ingelicht, maar de raad om ogenblikkelijk te vertrekken niet opvolgde, had Von Platen in een Napolitaans eethuis een gesprek met een Fransman die zelf een cholerabesmetting overleefd had maar – en daar was de dichter niet minder bang voor dan voor de dood – zijn oude frisheid van geest had verloren. […]

 Jan Paul Hinrichs

| Fragment uit ‘Over August von Platen’, eerder verschenen als nawoord in: August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken, vert. C.R. Vink; keuze en nawoord Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage-Gerards & Schreurs, 1990), pp. 229-257 [fragment op pp. 250-253].

Klik op het label hieronder voor een overzicht van andere berichten over Venetië op deze blog.