Posts tonen met het label Sint-Petersburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sint-Petersburg. Alle posts tonen

vrijdag 1 november 2013

Petersburgse dichters (Recensie)

DE AARDE KENT MAAR ÉÉN HOOFDSTAD

Sint-Petersburg, Jelagin-eiland, 24 maart 1996.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Van ‘Moskouse poëzie’ heeft nooit iemand gehoord maar in het bestaan van een specifiek Petersburgse dichterschool wordt, met name in Petersburg zelf, heilig geloofd. Onmiskenbaar bestaat er ook een Russische traditie van dichters, van Alexander Poesjkin in de vroege negentiende eeuw, over de symbolist Alexander Blok en Anna Achmatova tot aan Joseph Brodsky in recente tijd wier leven en werk onlosmakelijk met de Petersburgse architectuur en mistige sfeer waren verbonden. De Petersburgse critici Andrej Arjev en Samuil Lurje stellen in het aprilnummer van Optima dat de traditie voortleeft. Nog altijd, aldus Arjev en Lurje, zijn er dichters die het Petersburgse leven als een soort droom ervaren, die opereren op ‘een speciaal gebied tussen het zijn en het niet-zijn, tussen het leven en de dood’ en die in hun regionale isolement een teken van uitverkorenheid zien.
    De ingrediënten van het Petersburg-gevoel zijn bekend: de barokke en classicistische paleizen en kerken die volstrekt in tegenspraak zijn met de Finse moerassen waarop ze zijn gebouwd (‘Palladio aan de poolcirkel’, volgens de filosoof Fjodotov), het vreemde noordelijke licht met witte zomernachten en zwarte winterdagen, en natuurlijk de ‘spoken van de literatuur’ die in elke wijk en in elk huis wonen. Met enige verbeeldingskracht kan men zich in Petersburg een figurant voelen in een hoogst merkwaardig toneelstuk, waarin romanpersonages van Dostojevski even werkelijk zijn als het verkeer op straat. En dit is geen toeristisch cliché: Petersburgse dichters beamen dit zelf tot vervelens toe.
     Toch zijn de tijden radicaal veranderd. Petersburg is niet meer de hoofdstad van de Russische literatuur die zij in het begin van de eeuw onder Alexander Blok was. Achmatova leefde weliswaar nog decennia in Leningrad en Brodsky groeide er op, maar in het Sovjetimperium was de nieuwe hoofdstad Moskou duidelijk ook het literaire centrum. In Jeltsins Rusland bleef dat zo, zij het dat Petersburg sinds de stad weer ‘Sankt-Peterboerg’ heet wel in aanzien is gestegen. Wat de ‘nieuwe Petersburgers’ met de Moskouse collega’s van dit moment gemeen hebben, is hun tamelijk marginale maatschappelijke rol: de oplagen van literaire boeken zijn een fractie van die van enkele jaren gelden. De laatste dichtbundel van Elena Sjvarts, Mundus imaginalis (1996), verscheen in een oplage van duizend exemplaren, waarmee een Petersburgs dichter beslist aan de top zit. De essaybundel Herinneringen aan Euterpe (1996) van Aleksej Poerin heeft in een miljoenenstad een oplage van maar vijfhonderd exemplaren. Waarschijnlijk hebben Russische auteurs het ook moeilijk zich te bewijzen in een omgeving waar men tot voor kort alleen schreef voor de eigen la, een kleine achterban van ‘kenners’ of voor een onbekend buitenlands tijdschrift. Artistiek gesproken hoefde zo’n semiclandestien bestaan niet per se slecht uit te pakken. De censuur werkte een compromisloze poëtica in de hand, terwijl de vrije markt soms weer andere codes vereist die opnieuw bevochten moeten worden.
     Sergej Stratanovski (1944) is als dichter gegroeid in het ondergrondse circuit van de Brezjnev-tijd. Tot 1985 publiceerde hij alleen in emigrantentijdschriften en in Leningradse samizdat-uitagven. In Optima is in vertaling van Arthur Langeveld een cyclus ‘Kanttekeningen bij de bijbel’ opgenomen die dateert van het begin van de jaren tachtig. Hieruit spreekt duidelijk de poëtica van het ondergrondse: een zwartgallige sfeer van dreiging en afkeer van het dagelijkse leven die in een cryptische taal is gegoten.
    Elena Svjarts (1948) is van het in Optima opgenomen viertal het bekendste dankzij de dichtbundels die zij in de jaren tachtig in Amerika en Frankrijk publiceerde. Svjarts schrijft een grillige, soms naar het experimentele neigende, emotionele, religieus getinte poëzie. Haar scala aan onderwerpen en decors is tamelijk breed en varieert van uitstapjes naar het Rome van Propertius naar de alledaagse werkelijkheid in Petersburg, ‘in ijzig Hyperborea, in tuinen van beton, in gras van steen’ (vertaling Peter Zeeman). Ook woordspelingen zijn haar niet vreemd: zo noemt ze Petersburg in een gedicht ‘Pepelburg’, ofwel ‘Stad van as’.
    Tatjana Voltskaja (1960) en Aleksej Poerin (1955) horen tot de jongere generatie die ten tijde van de ‘perestrojka’ hun eerste publicaties beleefde en die poëtisch minder door de beperkingen van de censuur werd gevormd. Volstkaja, vertaald door Miriam Van hee, schrijft gedichten die evenals die van Sjvarts een duidelijk religieuze achtergrond hebben. Ze lijkt wat traditioneler en ingetogener en laat zich leiden door een subtiel natuurgevoel. Petersburgse contouren zijn op het eerste gezicht ver te zoeken, of het zou moeten zijn in de regel: ‘Mijn leven staat tegen de muur, als een kunstwerk uit de Hermitage / dat zijn kleur verloren heeft.’
     Aleksej Poerin laat zich in de vertaling van Hans Boland lezen als een dichter van aanstekelijke poëzie die op gelegenheidswerk lijkt, speels en vol verrassende associaties. De reisthematiek, bekend van Joseph Brodsky, treft men veelvuldig bij hem aan, maar zijn gedichten zijn duidelijk minder strak en psychisch geladen dan bij zijn befaamde stadgenoot. Poerin lijkt een dichter van het anekdotische moment en van het woordspel. Hij heeft ook een gedicht over Amsterdam compleet met het blozen van de dichter over wat in de vertaling ‘condomendom’ heet: een dergelijk detail zou de naar metafysica neigende Brodsky niet uit zijn pen hebben gekregen. Toch is Poerins kosmopolitisme niet uitsluitend het gevolg van de huidige reisvrijheid maar ook de weerslag van de oude sovjetrealiteit. In een gedicht over zijn diensttijd in Karelië, ‘Euraziërs’, schildert hij het bonte, multinationale karakter van het Sovjetleger, met soldaten uit alle regionen: ‘Hier in Scandinavië lijkt het Montenegro wel.’
    Het Petersburg-gevoel is niet zo maar uit elk gedicht van het viertal dichters te distilleren. Maar hoezeer Aleksej Poerin zich met de Petersburgse traditie verbonden voelt, blijkt in ieder geval uit zijn essaybundel Herinneringen aan Euterpe waarin we in een essay over de Grote Zeestraat, de geboortestraat van Vladimir Nabokov, lezen: ‘We hebben een stad waarin we ons allen “buitenlanders” voelen en waarin we “emigreren” uit het Russische leven.’ Alleen al het schrijven van een essay over zo’n straat is typisch Petersburgs, vanwege het geloof dat eruit preekt in de specifieke poëtica van de Petersburgse ruimte, ook op straatniveau. Eigenlijk vinden veel Petersburgers dat de buitenwereld hen moet benijden voor het verloren paradijs waarin ze leven, en ze genieten ook stilletjes van hun zorgvuldig gecultiveerde traditie. Arjev en Lurje zetten niet voor niets twee prachtige regels van Georgi Adamovitsj als motto boven hun stuk: ‘De aarde kende maar één hoofdstad. Al die andere waren gewoon steden.’

Rec. van Optima, nr. 54 (1997).

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 19 april 1997, p. 75.

| Trefwoorden: Елена Шварц | Сергей Стратановский | Татьяна Вольтская | Алексей Пурин | Георгий Адамович | "На земле была одна столица, / Все другое - просто города."

dinsdag 28 mei 2013

Venetië en Sint-Petersburg

VENETIË IN PETERSBURG


Sint-Petersburg, 24 maart 1996.

Foto Copyright © Jan Paul Hinrichs

Petersburg is gezegend met een hele reeks literair-publicistische bijnamen, zoals het Noordelijke Palmyra, de Noordelijke Hoofdstad, de Hoofdstad aan de Neva, het Paradijs, het Paradijs aan de Neva, Petropol, Petropolis en Stad van Peter. In reisgidsen en toeristische reclamefolders – maar niet alleen daar – wordt Petersburg met grote hardnekkigheid ook het ‘Venetië van het Noorden’ genoemd. Daarin staat Petersburg niet alleen: Amsterdam en Brugge worden ook zo opgevoerd. Ogenschijnlijk vallen er ook veel dingen op te sommen die een vergelijking van Petersburg met Venetië rechtvaardigen: de geografische ligging aan de periferie van een land in een ongezond, winderig, moerassig gebied; de Italiaanse architectuur van talloze paleizen en kerken, en niet te vergeten de kanalen. Beide steden hebben ook een prominente plaats in de literatuurgeschiedenis, zij het dat die wat Venetië betreft uitgesproken internationaal is terwijl de literaire beeldvorming over Petersburg vrijwel uitsluitend door Russen wordt bepaald. Beide steden hebben ook een bijzondere positie binnen hun cultuurgebied: Petersburg was Ruslands venster op het Westen, Venetië dat van Italië op de Oriënt. Petersburg en Venetië hebben vanuit het perspectief van de twintigste eeuw beide iets verdoemds: Venetië was een republiek die door toedoen van de dictator Napoleon haar zelfstandigheid kwijtraakte, Petersburg een hoofdstad die door de dictator Lenin van haar regeringszetel werd beroofd. Bovendien lopen beide steden door het water het risico van overstromingen: letterlijke ondergangsscenario’s dringen zich op.
     Toch is er veel meer dat de steden van elkaar doet verschillen. Petersburg is een stad waarin alles lang en weids is, met een stadsplattegrond waarin alles beredeneerd lijkt. Zonder kaart verdwaalt men er niet: de piek van de Admiraliteit en de Nevski Prospekt dienen zich in het centrum steeds weer aan. Venetië is daarentegen zo gecomprimeerd dat men er zelfs met een kaart de weg kwijtraakt en om de hoek bij het San Marcoplein er nog in het ongewisse van kan zijn dat het centrale plein zo nabij is. Als men door de straatjes van Venetië loopt kan men de stad moeilijk panoramisch bekijken; dat lukt pas vanaf een boot op de Canal Grande, of nog beter wanneer men naar het Lido of een van de eilanden vaart.
     Petersburg is een heel vlakke stad. Je kunt de stad alleen horizontaal bekijken. Natuurlijk, men kan op de Isaäkskathedraal klimmen, maar dat is iets eenmaligs. De straten en het water genereren een sterk gevoel van ‘oneindigheid’: er zijn punten waar men kilometers in de verte kan kijken. Venetië is weliswaar ook vlak, zonder heuvels, maar is toch besloten, labyrintisch, onlogisch en het oog gaat in de nauwe straten eerder naar boven of naar wat vlakbij ligt dan naar de verte zoals in Petersburg.
     Venetië en Petersburg hebben iets uitgesproken façade-achtigs en komen over als operadecors. Maar achter deze façades bestaan heel andere sociale structuren. In Venetiaanse paleizen zitten de laatste restanten van de oude adel, de nouveaux riches, hotels, instellingen en bedrijven. In Petersburgse paleizen kom je hoogstens een stoffige bureaucraat tegen die elk ogenblik door een andere bureaucraat de laan uit kan worden gestuurd. Maar niet alleen in paleizen, ook in ‘gewone’ huizen leeft in Petersburg vrijwel geen enkele familie in een ruimte waar honderd jaar geleden voorouders woonden. En dan spreek ik niet alleen over de adel, maar over de doorsneebevolking.
     Ik moet bekennen dat Petersburg mij zelf nauwelijks Venetiaanse associaties geeft. Of het zou moeten zijn tijdens een boottocht op de Neva of op een wandeling over de Troitskibrug, waar in de verte het Vasilevski-eiland opduikt; de Sint-Catharina-kerk met haar grote koepel dicht bij het water op de kop van het eiland neemt een even dominerende positie in als de kerk S. Maria della Salute aan het begin van de Canal Grande. Verder: de boogbrug tussen de Oude Hermitage en het Hermitagetheater boven het Wintergrachtje herinnert natuurlijk aan de Brug der Zuchten. En er zijn ook paleizen die Venetiaans aandoen, zoals het kantoor van Aeroflot op de Nevski Prospekt dat zelfs in de volksmond het Dogenpaleis wordt genoemd. Anderen hebben op heel andere plekken Venetiaanse sensaties beschreven die ik zelf niet kan navoelen. Maar dit soort vergelijkingen blijft per definitie vaag. Als er mist opsteekt kunnen tenslotte ook steden als Dordrecht en Zutphen Venetiaanse associaties oproepen.
     De schilderkunst heeft het vermeende verband tussen Petersburg en Venetië soms heel verleidelijk onderstreept. Daarbij denk ik vooral aan de doeken van Fjodor Jakovlevitsj Aleksejev (ca. 1753-1824), een Russische schilder die enige tijd in Venetië heeft gewoond en mede door zijn Italiaanse ervaringen tot een soort Russische Canaletto wist uit te groeien. Aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw schilderde hij talrijke doeken van de Hofkade die door zijn groene, aan de Adriatische lagune herinnerende water en de dromerige, als het ware boven het water zwevende paleizen onmiskenbare Venetiaanse associaties oproepen. Dit effect hebben ze vooral omdat Aleksejev de breedte van de Neva drastisch verkleint, zodat de Petersburgse afstanden meer intieme, Venetiaanse trekken krijgen. Deze schilderijen bewijzen dat de indeling van de ruimte aan een kunstwerk een effect kan meegeven dat de werkelijkheid niet kan bieden, of zoals G. Kaganov het zegt in een recent boek over Petersburg in de schilderkunst: ‘En zo staat [bij Aleksejev] de Hofkade dichter bij de Peter- en Paulsvesting, zodat die op het oog niet meer (of zelfs minder) daarvan afstaat dan de kade van het Dogenpaleis van, laten we zeggen, de rand van het eiland San Giorgio Maggiore op de doeken van Canaletto.’
     Dergelijke schilderijen, op talloze plaatsen gereproduceerd, houden de Venetiaanse associaties in Petersburg voortdurend in leven. In werkelijkheid gaat de vergelijking Petersburg-Venetië zo vaak mank dat men aan vondsten op dit gebied niet al te veel waarde moet toekennen. Toch is het begrip ‘het Venetië van het Noorden’ niet zo maar een toeristisch cliché. Tussen Petersburg en Venetië bestaat namelijk op het literaire vlak een band die tussen steden als Venetië en Amsterdam of tussen Petersburg en Amsterdam niet zo gemakkelijk blootgelegd kan worden. Dat heeft allemaal meer met Petersburg en Rusland te maken dan met Venetië: geen mens zou op het idee komen om Venetië te beschrijven met verwijzing naar Petersburg. Anderszins hebben Russen Venetië wel degelijk vaak beschreven met Petersburg in hun achterhoofd.
     Op het eerste gezicht is dit niet zo duidelijk. Er bestaan talloze bloemlezingen met literaire teksten over Venetië, waarin het gouden repertoire met werk van auteurs als Goethe, Byron, August von Platen, Thomas Mann en Marcel Proust wordt afgedraaid. Naar Russische auteurs hoeft men in dit soort boeken met titels als Venedig poetisch en Venice: a literary companion niet te zoeken, of het zou een enkel, misschien nog uit het Engels vertaald gedicht van Joseph Brodsky moeten zijn. Het heeft me altijd verbaasd dat de samenstellers van die anthologieën nooit aan zo’n ruim vertaalde roman als Aan de vooravond (1860) van Ivan Toergenjev hebben gedacht waarin lyrische Venetiaanse passages staan. Maar neemt iemand ooit een fragment op dan zal het ook niet weg zijn te slaan, want samenstellers van dergelijke boeken putten in de regel ruim uit het werk van hun voorgangers.
     Ook in de wetenschappelijke literatuur over de Venetiaanse thematiek – de afgelopen jaren gaven daarvan om een of andere reden een ware explosie te zien, met name in Duistland – hoeft men niet naar Russisch materiaal te zoeken. Niettemin treft men in de Russische literatuur niet minder Venetiaanse thematiek aan dan in de Duitse, Franse of Anglo-Amerikaanse letteren. Dat is iets waar je geleidelijk achter kunt komen. Er blijken dan ineens Venetiaanse teksten van zeker honderdvijftig Russische schrijvers te bestaan, onder wie vrijwel alle prominente, zodat men niet de vraag moet stellen wie in het Russisch over Venetië heeft geschreven maar wie er niet over heeft geschreven. Venetië is overigens maar een aspect van een nog veel bredere Russische literatuur over Italië: ook de Russische Rom-Dichtung is zeer omvangrijk. Er is geen land waar Russen zich zo massaal lyrisch over hebben uitgelaten als Italië (Lev Tolstoj behoort tot de uitzonderingen). De Italië-gekte duurt al sinds het begin van de negentiende eeuw vrijwel ononderbroken voort.
     Het Russische Venetië blijkt bij nadere beschouwing niet louter iets exotisch-romantisch en toeristisch te zijn, maar een aspect van een Russische traditie van ‘zelfprojectie’ die veel over Rusland zelf zegt, en dan wel speciaal over het Petersburgse Rusland dat vaak door dit Venetië heen schijnt. Deze stelling laat zich illustreren met het werk van talloze auteurs. Ik beperk me hier tot enkele dichters die niet veel introductie behoeven, en ieder voor zich drager zijn van een heel tijdperk: Alexander Poesjkin, Alexander Blok en Joseph Brodsky. Zij zijn bij uitstek vertegenwoordigers van een Petersburgse traditie, maar, zo blijkt, ook van een Venetiaanse tak daarvan.

‘De Russische literatuur begint bij Poesjkin’, ‘Poesjkin is de grootste Russische dichter’: dit zijn van die uitspraken waar je aanvankelijk sceptisch tegenover staat, die niemand kan bewijzen maar die ook niemand wil bestrijden.  De betekenis van Poesjkin (1799-1837) blijkt evenwel als men de grote woorden vergeet en men op details gaat letten: dan openbaart zich de duizelingwekkende kracht van de traditie die hij heeft ingezet. Neem bijvoorbeeld Venetië. Poesjkin was een van de eersten – net niet de eerste, auteurs als P.A. Gabbe en A.A. Delvig waren hem in 1822 reeds voor – die in het Russisch over Venetië ging dichten nadat na afloop van de Napoleontische oorlogen en de ondergang van de Venetiaanse republiek onder meer Byron (Childe Harold’s Pilgrimage) en E.T.A. Hoffmann (het verhaal ‘Doge und Dogaressa’) het thema in Europa en ook in Rusland populair hadden gemaakt. Venetiaanse thematiek vindt men op vele plaatsen in Poesjkins werk (zie het Poesjkin-woordenboek bij ‘Venetsija’ en ‘gondola’) maar één plaats is wel de klassieke: strofe XLIX uit het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin, in1823 geschreven. In de vertaling van L.H.M. van Stekelenburg en Frans-Joseph van Agt luiden deze regels als volgt:

O Adria, uw golven, baren!
O Brenta! Ja, ik kom gewis,
Bezield aanhoor ik dan Uw klare,
Betoverende stem! Zij is
Hoogheilig voor Apollo’s zonen,
En mij verwant, ik ken haar tonen
Door Albions beroemde lier.
De tijd komt dat ik vrij en fier
De Italiaanse nacht bewonder
Met een Venetiaanse, die
Ik spreken hoor of zwijgen zie
In een mysterieuze gondel,
Met haar leer ik dan zonder faal
Petrarca’s en de liefdes taal.

Nabokov schrijft in het provocerende commentaar bij zijn Engelse prozavertaling van Jevgeni Onegin dat het ‘jammer is dat Poesjkin zoveel talent, verbaal vernuft en lyrische kracht aanwendde om in het Russisch een thema te vertolken dat reeds kapot was gezongen in Engeland en Frankrijk’. Maar slaat Nabokov de plank hier niet mis? Het is niet ondenkbaar dat Poesjkin de romantische gemeenplaatsen over Venetië slechts ironisch opvoert en een bestaande mode parodieert. Maar belangrijker is de unieke context waarin Venetië in Jevgeni Onegin ter sprake komt: Poesjkins visioen van een Venetiaans decor volgt namelijk direct op een beschrijving van het nachtelijke Petersburg (strofe XLVIII) waarin de dichter en zijn vriendin Jevgeni tegen het graniet van de balustrade aan de Neva staan. De plaats waar ze staan, op de Hofkade tegenover de Peter- en Paulsvesting die aan de overkant van de Neva ligt, kunnen we bepalen door een tekening die Poesjkin zelf van de scène maakte. De situering van deze scène blijkt ook uit de tekst zelf, waarin het Venetiaanse visioen wordt geboren uit de combinatie van een rivier en een nachtelijk lied, zoals dat behalve in Venetië ook in bootjes van Petersburgse rijkelui was te horen:

Uit de Miljoenstraat, onverhoeds,
Klonk soms geratel van een koets;
Een enkel bootje, langzaam roeiend,
Bewoog zich in de stille stroom;
Ver weg weerklonk, als in een droom,
Een hoorn en een gezang, ons boeiend…
Doch wat de nacht aan heerlijks biedt,
Het zoetste is Torquato’s lied!

Direct op het Venetiaanse visioen van strofe XLIV volgt in strofe L het aanroepen van de vrijheid door de dichter. Van belang is dat Poesjkin op het moment dat hij die schreef zelf naar Odessa was verbannen – de kust waarvan hij spreekt is die van de Zwarte Zee – en dat Afrika verwijst naar zijn afstamming van de Moorse voorouder van zijn moeders kant Abram Petrovitsj Annibal:

Zal ik mijn vrijheid weldra vinden?
Kom snel, kom snel! – roep ik tot haar;
Ik zwerf de kust langs, wacht op winden,
Ik wuif naar schepen en sta klaar.
In stormgeweld met golven strijden,
Naar vrije keus de zee doorsnijden,
Wanneer ben ik daartoe in staat?
Dit mij vijandige klimaat,
De trieste kust moet ik ontvluchten
Om aan een zuidelijker strand,
In Afrika, mijn eigen land,
Naar ’t somber Rusland te verzuchten,
Waar ik beminde, waar ik leed,
Waar ik mijn hart begraven weet.

De drie aangehaalde strofen hebben betrekking op drie situaties die volstrekt verschillend zijn maar niettemin ten nauwste met elkaar in verband staan. Het melancholieke Petersburg (XLVIII) verandert in het exotische Venetië (XLIX), waarna ineens, vanuit Odessa, de vrije zee en Afrika opdoemen van waaruit de dichter naar Rusland kijkt, ‘waar ik leed, / Waar ik mijn hart begraven weet’(L). Dit laatste is frappant, omdat Poesjkin aanduidt dat het buitenland geen verlossing biedt: daar zal de dichter beginnen ‘Naar ’t somber Rusland te verzuchten’. Kortom, letterlijk genomen: het buitenland kan Rusland niet doen vergeten, zodat – in het aangezicht der censuur geredeneerd door een dichter die Rusland nooit had verlaten en dat ook later nooit zou doen – het buitenland wel een verlangen blijft maar ook een idee van waaruit men zich kan bezighouden met zelfbespiegeling.
     Poesjkin heeft in deze drie strofen op zijn bekende soepele, schijnbaar achteloze manier heel veel betekenis gelegd: de tegenstelling Rusland (XLVIII) vs. buitenland (XLIX) en buitenland/verbanning vs. Rusland (L). Verbanning en de onmogelijkheid vrij te reizen bleven uitgangspunten van veel Russische Venetië-gedichten na Poesjkin, ook uit de sovjettijd. Dan blijken dit soort gedichten eigenlijk niet minder over Rusland dan over Venetië te gaan. Venetië is een ideaal oord om beschouwingen over Rusland aan op te hangen.

Ook Alexander Blok (1880-1921) heeft Petersburg met Venetië verbonden, zij het heel wat explicieter dan Poesjkin kon doen. Maar Blok, de grote symbolistische dichter, opereerde in een tijd dat vrij reizen voor een Rus vooralsnog een normale zaak was. Deze Petersburger maakte in 1909 een reis door Italië waaraan we een Italiaanse cyclus van drieëntwintig gedichten danken. Venetië was de eerste stad die hij aandeed; eigenlijk was het de enige stad in Italië waar hij zich meteen helemaal thuis voelde.
     Voor Blok was Venetië al een onderwerp voor zijn gedichten voordat hij er geweest was. Dat blijkt uit het gedicht ‘We kwamen naar het Lido in het uur van zonsopgang’ (1903) waarin hij het Venetiaanse Lido opvoert om de kust nabij Petersburg aan te duiden. Een jaar eerder had hij de stad nog tot achtergrond gemaakt van een gedicht waarin hij zijn geloof in de verbondenheid van alles wat leeft, in onsterfelijkheid en reïncarnatie had aangeduid: ‘Eeuwen en landen verstrengelden zich. / We gingen noordwaarts vanuit Venetië. / We zagen regenachtige nevels. / We braken los en bereikten het Lido.’ In het echte Venetië moet hem de gelijkenis – hoe illusoir ook – met zijn geboortestad Petersburg zijn opgevallen, alhoewel hij er in zijn drie gedichten over Venetië niets over zegt.
     Het beeld van Petersburg komt in Bloks poëzie niet erg concreet voor; eerder is zijn poëzie van Petersburg doordrongen, hebben de verzen de stad geabsorbeerd. Zelf heeft hij de stad, al was hij er geboren en ermee vertrouwd als geen ander, altijd als iets bijzonders ervaren, als een plaats waar, zoals hij schreef, ‘Rusland zowat in het niets oplost, waar het Rusland is en niet meer Rusland is, […] een punt van vertrek naar de oneindigheid’. Blok was zich bewust van de bijzondere status van de stad in Rusland, of beter gezegd, tegenover Rusland, en na zijn Italiaanse reis verwoordde hij zijn bevindingen aldus, een gouden zin voor het repertorium der Petersburg-exegeten: ‘Venetië is eigenlijk nog geen Italië, maar verhoudt zich tot Italië als Petersburg tot Rusland, kortom staat er in geen verhouding mee.’

In het begin van deze eeuw groeide Italië, Venetië in het bijzonder, bij Russische schrijvers uit tot een onderwerp van haast epidemische populariteit. Maar na 1914, bij het uitbreken van de wereldoorlog, en na de Oktober-revolutie van 1917 was die mode voorlopig voorbij. Het bestaande Venetië bleef bereikbaar voor sommige geëmigreerde schrijvers, maar werd onbereikbaar voor velen die in communistisch Rusland achterbleven. Een opleving kwam in de jaren zestig, zowel onder emigranten als sovjetschrijvers die allemaal maar wat graag aan de achterban lieten merken dat ze er waren geweest. De ware bloei van het Venetië-gedicht ontstond onder invloed van dichters die aanvankelijk zelf niet mochten reizen. Het is de verdienste van de Amerikaanse Rus Jospeh Brodsky (!940-1996) die tot 1972 als Iosif Brodski in Leningrad woonde dat het Venetiaanse thema in de Russische poëzie vanaf de jaren zeventig zo’n enorme vlucht ging nemen. Zijn poëtische perspectief was onmiskenbaar dat van een inwoner van Leningrad.
     Volgens Alexander Koesjner, een dichter die samen met Jevgeni Rijn tot Brodsky’s hardnekkigste epigonen behoort en die veel over Venetië schreef vanuit het standpunt van de thuisblijver, was zijn vriend Brodsky reeds in Leningrad vastbesloten Venetië te bezoeken. Na Brodsky’s dood in 1996 schreef hij: ‘Op zijn achtentwintigste zwoer Brodsky dat hij Venetië te zien zou krijgen. Op zijn tweeëndertigste wist hij zijn droom te verwezenlijken.’ Sinds zijn emigratie naar het westen bezocht Brodsky elk jaar rond Kerstmis Venetië.
     De oorsprong van deze Venetiaanse passie van Brodsky ligt naar zijn eigen zeggen in de gelijkenis van Venetië met zijn geboortestad en in de lectuur van de Venetiaanse romans van Henri de Régnier in de vertaling van de dichter Michail Koezmin (met zo’n twintig gedichten nummer twee in de reeks meest productieve Russische Venetië-dichters; eenzaam koploper, met zo’n veertig stuks op zijn naam, is Poesjkins tijdgenoot Pjotr Vjazemski). Ook noemt Brodsky een Leningradse vertoning van Visconti’s film Morte a Venezia. Weliswaar vond hij de film even slecht als Thomas Manns novelle, maar de openingsscène met een fragiele Dirk Bogarde in een dekstoel op een stoomschip bleef hem lang bij: ‘Het speet me dat ik geen dodelijke ziekte had; tot op de dag van vandaag kan ik die spijt navoelen.’ Ook is er sprake van een Venetiaanse schone die in Leningrad Russisch studeerde.
     Brodsky vertelt een en ander in zijn in 1989 geschreven en in 1992 in het Engels gepubliceerde boekje Watermark, in het Nederlands vertaald als De Kade der Ongeneeslijken. Naar mijn smaak is dit wel het zwakste werk van Brodsky: pretentieus, krampachtig geschreven in een volgens natives niet al te best Engels. Niettemin laat dit boekje bij vlagen wel degelijk zien waar Brodsky’s kracht ligt: in de beschrijving van kou, vochtigheid, mist, duister, watergeuren, winterlicht, een sfeer vol neerslachtigheid en vervreemding. Hier zien we de weerspiegeling van een andere stad die Brodsky als prozaïst veel beter aan kan: Petersburg.
     Inmiddels zijn weer wat jaren voorbijgegaan en is Brodsky dood. Leningrad en Petersburg heeft hij sinds zijn vertrek uit Rusland in 1972 niet meer teruggezien. Na Brodsky’s begrafenis in New York werd aangekondigd dat hij herbegraven zou worden: in Venetië. Literair gesproken kwam een dergelijke verhuizing van stoffelijke resten heel dichtbij een begrafenis in Petersburg, waar hij zich, toen de stad nog Leningrad heette, de Venetiaanse beelden eigen had gemaakt die hij later in de werkelijkheid ging nalopen en tot onderwerp maakte van veel mooie gedichten. De herbegrafenis die in juni 1997 plaatsvond, mag gelden als de bekroning van een poëtische traditie: nadat Brodsky zijn geboortestad had opgegeven, maakte hij van haar verre weerspiegeling, Venetië, zijn vaste fixatie in het leven en uiteindelijk zijn graf.

Venetië en Petersburg: begeeft men zich op de velden waar deze steden elkaar kruisen, dan blijkt al gauw hoe diep Venetië in Petersburg ligt verankerd, zonder dat de stad ook werkelijk ‘het Venetië van het Noorden’ is. In de Russische literatuur bieden beide steden een ruimte voor de projectie van abstracte zaken, zoals de tegenstelling Petersburg vs. Rusland, Rusland vs. buitenland, verbanning vs. terugkeer. Uiteindelijk lijkt Venetië een haven van waaruit Russische auteurs in werkelijkheid of via de sluipwegen der poëtische verbeelding iets kunnen zeggen over Rusland. Wie de literatuur sinds Poesjkin overziet, beseft de verpletterende kracht van zijn door een denkbeeldige geografische driehoek tussen Petersburg, Odessa en Venetië gesluisde regels waarin hij zei ‘Naar ’t somber Rusland te verzuchten, / Waar ik beminde, waar ik leed, / Waar ik mijn hart begraven weet’.  De Russen kennen misschien ook eigenlijk geen buitenland omdat ze Rusland steeds met zich meedragen. Blok drukte het naar aanleiding van zijn Italiaanse reis aldus uit: ‘[…] van Russische nachtmerries kan men zich zelfs in de Italiaanse zon niet ontdoen.’

Zie voor informatie over het Venetiaanse thema in de Russische literatuur mijn boek In search of another St Petersburg: Venice in Russian poetry (1823-1997) (München: Sagner, 1997).

Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Jan Paul Hinrichs (ed.), De façades van Sint-Petersburg (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 20032 [1ste druk 1997]), pp. 157-168.


Klik op het label hieronder voor een overzicht van andere berichten over Venetië op deze blog.
 

           

 

 

vrijdag 6 juli 2012

Daniil Charms: op zoek naar zijn kamer in 1992

NAWOORD

Sint-Petersburg, september 1992. Majakovskistraat 11 blijkt een gigantisch archaïsch wooncomplex met een poort waar een hooiwagen door kan. Links van de openstaande deur, aan de binnenplaats die toegang tot trap nr. 5 geeft, hangt een langwerpig blauw bordje, waarop nummers van appartementen in wit zijn aangegeven: 5, 6, 7, 57, 9, 10, 11, 12, 13. Het nummer van Daniil Charms, wiens interesse voor kabbalistiek mij bekend is, ontbreekt in de rij precies op de plaats waar het te verwachten was. Hij woonde immers op nr. 8. Is dit een postume grap van een absurdist of ben ik verkeerd geïnformeerd?
     Op de tweede verdieping bel ik aan bij nr. 57. Op het moment dat een roodharige vrouw van een jaar of vijftig open doet, trippelt een wit hondje met een bruin snuitje naar buiten. Als ik de naam Charms laat vallen, nodigt de vrouw me uit binnen te komen. Het appartement bestaat uit een ruime kamer met uitzicht op de binnenplaats, een langwerpige keuken waarin een tweede, jongere vrouw bezig is, een piepklein, met affiches beplakt kamertje zonder deur en ramen waaruit een meisje van een jaar of vijftien tevoorschijn komt, een badkamer en een wc. Alles straalt een grote orde en rust uit.
     De oudste vrouw, Nina, voert bevlogen het woord. Het huis waarin Charms tot aan zijn arrestatie in 1941 woonde, blijkt tijdens de oorlog te zijn gebombardeerd. Muren werden opgetrokken waar vroeger deuren waren, veel ruimtes kregen nieuwe plafonds, enzovoorts. Ze tikt op de muren om me duidelijk te maken welke zwaar en oud zijn en welke dun en nieuw. In het kamertje van het meisje is zo’n dunne muur: Nina gaat ervan uit dat daar in de tijd van Charms de ingang van het appartement was. De trap waarboven ik naar boven was gekomen, fungeerde toen als achteruitgang: de ware ingang werd gevormd door een hal en trap die men via de straatkant bereikt. De wc-muren zijn volgens haar origineel. Of de grote kamer er ten tijde van Charms ook zo heeft uitgezien, betwijfelt ze, maar wel lijkt het haar waarschijnlijk dat Charms uitkeek op de binnenplaats en zag wat zij zien: de overkant, akelig nabij, talloze woonkazerneachtige ramen.
     Ik ben niet de eerste die voor Charms komt, vertelt Nina. Charms heeft haar altijd geïnteresseerd. Als bewijs laat ze een getypte uitgave van Charms’ proza zien zie zij zelf een jaar of tien geleden heeft vervaardigd. Pas drie jaar geleden, na de verhuizing naar dit appartement, was het haar duidelijk geworden dat zij in het huis van haar idool terecht was gekomen. Ze raadt me aan het trappenhuis aan de straatkant in te gaan: zo komt men bij het huidige appartement nr. 8. Bij het afscheid zegt ze: ‘Het hele leven komt vanzelf naar me toe, Charms, maar ook dit hondje. Het stond gewoon een keer voor de deur en toen heb ik het binnengelaten.’
     Aan de straatkant is een ruimer trappenhuis: de oude hoofdingang. Ik betreed de brede grijze trap waarover Charms moet hebben gelopen. Nr. 8, op gelijke hoogte als nr. 57 aan de achterkant, heeft een houten deur zonder deurknop. Een vrouwenstem wil weten wat ik wil. Als ik de naam Charms laat vallen, klinkt een diepe zucht. Ze verwijdert zich sloffend van de deur en ik betwijfel of ze terugkomt. Maar even later heeft ze de sleutels gehaald en wordt de dubbele toegangsdeur ontgrendeld. De vrouw kijkt me enigszins wantrouwend aan, maar laat me tenslotte met een vermoeide glimlach binnen.
     Het blijkt een verrassend ruim appartement met drie grote kamers. In de achterste kamer, vol fraaie oude meubelen en met oude familieportretten aan de muur, stelt de vrouw, Tamara, me voor aan twee vrienden, een arts en een schilder die me met een welwillendheid ontvangen, alsof ze lange tijd op me hadden gewacht. De schilder stond op het punt om te vertrekken en citeert, als bewijs dat ik op het verkeerde spoor ben, een versje van Charms, beginnend met de regel ‘Ik woonde in appartement nr. 4’. Als hij vertrokken is, verklaart de arts dat het regeltje niet van Charms is.
     Het appartement kijkt uit op de Majakovskistraat. Tamara, die me en passant een kopie uit het adelsregister laat zien waaruit moet blijken dat zij van adellijke komaf is, bevestigt het verhaal van het bombardement. Wellicht, vertelt ze, is de toegangsdeur van Charms’ woning indertijd ergens geweest waar nu haar appartement is, maar waar het precies is, is volgens haar niet te zeggen. Een stokoude buurvrouw, die in Charms’ tijd ook in het huis woonde, herinnert zich ook niets meer. Zelfs als er oude bouwtekeningen boven water komen, valt het moeilijk te zeggen waar Charms woonde, want zij neemt aan dat nr. 8 indertijd een gemeenschappelijk appartement was, waar zich achter een voordeur verschillende huishoudens bevonden.
     Tamara schenkt koffie en wodka. Ze vertelt dat haar man, een professor in de bestuurskunde, haar uitdrukkelijk had verboden nog langer Charms-bezoek binnen te laten. ‘Ze kunnen je wel vermoorden of van alles stelen’, had hij haar voorgehouden. Haar kan het niet schelen waar Charms nu precies woonde. ‘Eerlijk gezegd ben ik Charms zat. Er komt een dag dat ik een bordje ga aanbrengen: “Hier geen Charms”.’
     Ik  vertrek na een uur of twee. Of ik Charms’ woning heb betreden, weet ik niet. Misschien was ik alleen in de driedimensionale ruimte waar die ooit geweest is. Tamara wijst me op vlekken en krassen in haar voordeur. Steeds schrijven Charms-fans op haar deur waarna zij hun teksten weer wegboent. Maar die op de liftdeur laat ze staan. ‘Een groet aan Charms!’ lees ik en de dichtregel van Charms ‘Ik sla op achterwerken omwille van de dames.’

Jan Paul Hinrichs

| Fragment van een nawoord dat eerder verscheen in Daniil Charms, Tsjak (Leiden: Plantage/G&S, 1993), pp. 137-139. Met wijzigingen herdrukt onder de titel 'Daniil Charms: op zoek naar zijn kamer' in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 105-107.




Literary Russia: a guide (Recensie)

BOENINS EENZAAMHEID
Sint-Petersburg, maart 1996.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Een jaar geleden liep ik in Sint-Petersburg in de Grote Zeestraat op goed geluk het geboortehuis van Vladimir Nabokov binnen. Er was een krantenredactie gevestigd. Op de deur stond niets, maar binnen bleek een heus Nabokov-museum in oprichting te zijn. Het leverde me de meest intensieve rondleiding op die ik ooit heb gehad: maar meer dan één kamer was er ook niet. Een door Nabokov gevangen vlinder kwam uit de kluis. Toen kon men buiten Sint-Petersburg ook nog het familielandgoed Rozjdestveno bezoeken, dat inmiddels is afgebrand. Een foto van dit landgoed staat in Literary Russia: A Guide, een gids die zowel informatie over bestaande als verdwenen plaatsen van literair belang geeft. Anna Benn en Rosamund Bartlett behandelen, alfabetisch gerangschikt, vooral musea en schrijvershuizen, maar ook worden lemma’s opgehangen aan gebeurtenissen in romans: zo zijn enige Petersburgse straten alleen opgenomen omdat ze in Dostojevski’s Misdaad en straf voorkomen. De samenstellers hebben hun best gedaan de wijzigingen die straatnamen de laatste jaren hebben ondergaan te verwerken, maar verder schiet de adressering wel eens te kort doordat appartementnummers ontbreken. Russische ‘huizen’ zijn vaak gigantische woonkazernes met verschillende ingangen en trappenhuizen op één enkel huisnummer. Als men geen Russisch kent, heeft men weinig aan de plaquette met meer informatie die misschien tegen een gevel hangt.
     Het praktische nut van dit boek is tamelijk gering waar het de beroemdste schrijvers betreft: gewone reisgidsen vermelden ook wel waar Poesjkin en Dostojevski woonden. De dosering van de informatie roept evenwel vragen op, omdat men vaak veel meer biografische details krijgt dan gegevens over de plaatsen in kwestie en er nogal wat onbekende figuren zijn opgenomen van wie geen letter vertaald is. Het lemma ‘Taurische Tuin’ is helemaal opgehangen aan de vertaling van een verhaaltje van Charms waarin iemand zich in de richting van dat park begeeft en waarin verder niets over het park zelf staat. Maar zou Achmatova echt niets hebben gedicht dat wel over dit park gaat? Feiten lijken ook zelden ter plekke te zijn vergaard of geverifieerd. Her materiaal beperkt zich vooral tot Moskou en Sint-Petersburg en omgeving en Centraal Rusland, de geboortestreken van Toergenjev, Tolstoj en Boenin. Op zich is daar niets mis mee, maar over Siberië en de Kaukasus staat zo weinig dat deze ‘rest’ beter weggelaten had kunnen worden. Tenslotte is er ook voor gekozen Oekraïne buiten beschouwing te laten, waardoor men dus niets leest over Odessa en de Krim, waar juist veel over te zeggen valt.
     Toch is dit goed geïllustreerde boek leuk voor thuisblijvers en vakantieplanners: dat Boenin-museum in Orjol (waar zich juist niet het grootste deel van zijn archief bevindt, dat is in Leeds) blijkt een bezoek waard. Ze hebben een band waarop men kan horen hoe Boenin zijn gedicht ‘Eenzaamheid’ voordraagt onder pianobegeleiding van zijn vriend Rachmaninov. En wie had nu gedacht dat er ergens in het onder Jeltsin in puin geschoten en nog bepaald niet veilige Tsjetsjenië een Tolstoj-museum is? De samenstellers hebben zich er kennelijk zelf niet gewaagd, want ze melden over het museum alleen dat het klein is. Wel voegen ze twee hele pagina’s toe over Tolstoj die naar de Kaukasus ging omdat hij ‘zuchtte naar avontuur’. De lezer die zich uitgedaagd voelt zij gewaarschuwd: een adres van dit Tsjetsjeense museum ontbreekt.

Recensie van Anna Benn & Rosamund Bartlett, Literary Russia: A Guide, Picador, 1997.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 5 september 1998, p. 61.


zaterdag 5 mei 2012

Joseph Brodsky over Venetië (Recensie)

‘HET WATER VERLEENT AAN SCHOONHEID ZIJN DUBBELGANGER’

Sint-Petersburg als Venetië, 24 maart 1996.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Venetië figureert wonderlijk vaak in de Russische literatuur, vooral bij dichters. Het is dan ook niet de vraag welke Russische dichter over Venetië heeft geschreven maar wie er niet over heeft geschreven. Het bijzondere aan de Russische Venetië-traditie is dat alle grote dichters eraan meedoen: Poesjkin, Fet, Tjoettsjev, Boenin, Blok, Pasternak, Achmatova, Mandelstam, Goemiljov, Chodasevitsj en nog zo’n honderd anderen uit de eerste rijen van het Russische dichterscorps. Een keur van dit werk is gepubliceerd in het Venetië-nummer van De Tweede Ronde (herfst 1991). Venetië is voor menig Russisch dichter niet alleen een sprookjesachtige stad maar ook de spiegel van Petersburg. De oude tsarenstad biedt met stille kanalen, bruggen, lantaarns, binnenplaatsen, beelden en kerkkoepels vooral ’s nachts alle ruimte voor Venetiaanse associaties. Als Italiaanse stad is Venetië voor Russen bovendien symbool voor een vrijer, gelukkiger, warmer, in wezen onbereikbaar leven dat precies het tegendeel biedt van het grimmige, dictatoriale Rusland. Vandaar dat ook zoveel Russen uit ‘escapisme’ over Venetië dichten, zonder er ooit te zijn geweest.
     Venetië neemt ook een opvallende plaats in in het leven en werk van de Amerikaanse Rus Joseph Brodsky, die tot zijn gedwongen vertrek in 1972 als Iosif Brodski in Leningrad woonde. Hij schreef twee Russische gedichtencycli over Venetië, ‘Lagune’ en ‘Venetiaanse strofen’, beide ook in het Nederlands vertaald. Sinds zijn aankomst in het Westen bezoekt Brodsky elk jaar rond Kerstmis Venetië. De oorsprong van deze passie zoekt hij in de gelijkenis met zijn geboortestad Petersburg en de lectuur van de Venetiaanse romans van Henri de Régnier in de vertaling van de dichter Michail Koezmin (met zo’n twintig gedichten nummer twee in de reeks meest productieve Russische Venetië-dichters; eenzaam koploper, met ruim veertig stuks op zijn naam, is Poesjkins tijdgenoot Pjotr Vjazemski). Ook noemt Brodsky een Leningradse voorstelling van Visconti’s Dood in Venetië. Weliswaar vond hij die film even slecht als Thomas Manns novelle, maar de openingsscène met een fragiele Dirk Bogarde in een dekstoel op een stoomschip bleef hem lang bij: ‘Het speet me dat ik geen dodelijke ziekte had; tot op de dag van vandaag kan ik die spijt navoelen.’ Ook is sprake van een Venetiaanse schone die in Leningrad Russisch studeerde.
     Een en ander vernemen we uit Brodsky’s in 1989 geschreven en pas dit jaar in het Engels gepubliceerde boekje Watermark dat de kwintessens van zeventien opeenvolgende in Venetië doorgebrachte winters bevat. Een Italiaanse vertaling verscheen in 1989 onder de titel Fondamenti degli Incurabili. De titel van de Nederlandse vertaling is ‘op verzoek van de auteur’ ontleend aan de Italiaanse vertaling, die ook dienst doet als titel van de Russische editie. Deze is overigens niet door Brodsky zelf vertaald. Of de Amerikaanse literatuur met Watermark nu zoveel rijker is geworden is evenwel de vraag. De nestor van het gilde van Venetië-watchers, de met het meubilair van de London Library vergroeide Lord John Julius Norwich, beklaagde zich in een vernietigende recensie van Watermark in de Literary Review over het volgens hem abominabele Engels van Brodsky en vroeg zich af hoe het mogelijk was dat hij ooit de Nobelprijs had kunnen krijgen. Je hoeft evenwel geen native te zijn om aan te voelen dat dit boek, anders dan menig hoofdstuk in Brodsky’s essaybundel Less Than One (1986) niet loopt. Anders merk je het wel in de vertaling, en daar kan de vertaler weinig aan doen.

Het begin is overigens sterk. De schrijver komt eind 1972 voor het eerst in Venetië aan. De sfeer van een duister vreemd station, de muffe lucht van een pensione, het wachten op die Venetiaanse slaviste uit Leningrad, ‘de-enige-die-ik-in-deze-stad-kende’, is prachtig beschreven. Brodsky en zijn vrienden tilden indertijd in Leningrad niet te zwaar ‘aan haar lidmaatschap van de Italiaanse CP en haar daarmee samenhangende voorliefde voor onze avantgardistische naïevelingen’. Ze deden het maar af als ‘westerse frivoliteiten. Zelfs als ze een verklaarde nazi was gewest, hadden we ons volgens mij niet minder hevig in haar verlustigd. Ze was absoluut verpletterend, en toen ze naderhand viel voor de ergst denkbare onbenul aan de periferie van onze kring, een dikbetaalde druiloor van Armeense afkomst, was de gezamenlijke reactie verbazing en boosheid in plaats van jaloezie of mannelijke ontgoocheling’. Zo mag ik Brodsky graag lezen.
     Al gauw maakt de licht ironische toon van de memoirist echter plaats voor topzware dichterlijk-filosofische constructies waarmee hij Venetië te lijf gaat. Vergeeflijk is nog het grossieren in moeilijke woorden als ‘atavistisch’, ‘anomalie’, ‘causaliteit, ‘tautologie’. Maar eenvoudige woorden leveren vaak even pretentieuze en duistere redeneringen op. Brodsky’s proza wemelt dan ook van schijnwijsheden en oplossingen van schijnproblemen. Hoeveel ‘context’ is er wel niet nodig om een dergelijke bewering gewicht te geven: ‘Ik geloof dat ik tot degenen behoor die keus prefereren boven wisseling, en steen is altijd een keuze.’ Zo gaat het bladzijden verder: ‘Het oog eigent zich in deze stad het soort autonomie van een traan toe.’ ‘Misschien is kunst gewoon het protest van een organisme tegen zijn beperkte bevattingsvermogen.’ ‘Mocht de wereld een eigen genre toegewezen krijgen, dan zou haar voornaamste stijlmiddel zonder twijfel het water zijn. Gebeurt dat niet, dan komt het ofwel doordat ook de Almachtige blijkbaar niet zo ruim in Zijn alternatieven zit, ofwel doordat een gedachte van zichzelf al een waterpatroon heeft.’
     Gemakkelijk verzandt Brodsky’s proza, ook al begint het soms veelbelovend, in een causerie vol geheimtaal waarin de hele cultuurgeschiedenis overhoop wordt gehaald: ‘Dus je weet op je tocht door deze labyrinten nooit of je een doel nastreeft of op de loop bent voor jezelf, of je de jager bent of diens prooi. Een heilige zeker niet, maar misschien ook nog geen vuurgevaarlijke draak; een Theseus niet bepaald, maar ook geen maagdbeluste Minotaurus.’ Uiteindelijk komen we buiten adem en niet veel wijzer van onze ‘tautologisch aandoende meandertochten’ uit bij de ‘pasiphaïsche, ariadnische en phaedrische eigenschappen’ van het licht. Brodsky lijkt aan het einde niet meer zo zeker van zichzelf want hij komt in het laatste van zijn eenenvijftig korte hoofdstukken de ontredderde lezer te hulp: ‘Laar me resumeren: water is gelijk aan tijd en verleent aan schoonheid zijn dubbelganger. Omdat we ten dele water zijn, dienen wij de schoonheid op dezelfde wijze. Door een wrijfafdruk van het water te maken verbetert deze stad het aanzien van de tijd, verfraait zij de toekomst.’
     Zo gaat het nog even door, maar als filosoof en Venetië-beschouwer is Brodsky al niet meer te redden. Het water is dus de tijd. Maar wat van een dichter bijblijft, zijn niet combinaties van krampachtige metaforen en kromme wijsheden maar directe poëtische beelden. Venetië is een eervolle maar opzichtige plaats voor experimenten. In Kade der ongeneeslijken waagt Brodsky zich aan poëtisch proza maar stapelt roekeloos zoveel op elkaar dat hij zijn eigen beelden weer afbreekt. ‘Uniek’ is het resultaat wel, maar waarmee moet dit prozamozaïek kwalitatief worden vergeleken? Met de klassieke Venetië-literatuur, met Brodsky’s eigen Venetië-gedichten? Met het Engelse proza van een andere Amerikaanse Rus, Vladimir Nabokov? Dergelijke vergelijkingen kunnen niet positief uitvallen. Niettemin laat dit boekje bij vlagen wel degelijk zien waar Brodsky’s kracht ligt: in de directe beschrijving van kou, vochtigheid, mist, duister, watergeur, winterlicht, een sfeer van neerslachtigheid en vervreemding. Hier zien we de weerspiegeling van een andere stad die Brodsky veel beter aankan: Petersburg.

Jan Paul Hinrichs

Rec. van Joseph Brodsky, De kade der ongeneeslijken. Fondamenti degli Incurabili (vertaling Sjaak Commandeur), Uitg. De Bezige Bij, 1992.

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 12 december 1992, p. 105.

Klik op het label hieronder voor een overzicht van andere berichten over Venetië op deze blog.
 

zaterdag 21 april 2012

De boekwinkels van Sint-Petersburg

VAN LENINGRAD NAAR SINT-PETERSBURG: NOTITIES UIT EEN RUSSISCHE BOEKENSTAD
Sint-Petersburg, 24 maart 1996.

Foto © Jan Paul Hinrichs
Van het bezoek aan een boekhandel hoefde men in de oude Sovjet-Unie niet veel armer te worden: het aanbod van die tientallen logge staatsuitgeverijen noodde, zeker als het om literatuur ging, niet gauw tot kopen. Inmiddels is de situatie drastisch veranderd: in het huidige Rusland opereren vele duizenden uitgevers. Ondoorgrondelijke distributiekanalen, de geringe levensduur van uitgeverijen, lage oplagen en een onvoorspelbaar aanbod maken de Russische literaire boekenwereld vandaag de dag tot een kleurrijk terrein. Veel boeken – waar de belangrijkste publicaties bij kunnen zitten – zijn snel uitverkocht en worden niet meer herdrukt. Maar de meest interessante boeken zijn soms nog lang op achterafplaatsen te koop en bereiken nooit de catalogi van de westerse tussenhandel. Wie zich beroepshalve bezighoudt met de aanschaf van Russische literatuur heeft dus alle reden om niet alleen vanachter de computer maar ook in Rusland zelf een kijkje te nemen.
     Eens per jaar begeef ik me daarom naar de directievleugel van mijn werkgever, de bibliotheek van ’s lands oudste universiteit, voor een paraafje ter financiering van een zogenaamde ‘acquisitiereis’ naar Rusland. Uiteraard heeft zo’n onderneming ambtelijk gezien alleen zin als de reis- en verblijfkosten ‘terugverdiend’ worden. In de praktijk betekent dit dat de kostprijs van een ter plaatse aangeschaft boek – het resultaat van de rekensom ‘reis- en verblijfkosten, gedeeld door het aantal gekochte boeken’ – een stuk lager moet liggen dan de boekenprijs die men bij transacties met in Russische boeken gespecialiseerde westerse firma’s als Kubon & Sagner in München en Pegasus in Amsterdam gemiddeld betaalt. Het is dus zaak niet te veeleisend te zijn.
     Daarom nam ik bij mijn bezoek aan Sint-Petersburg van maart 1997 wederom genoegen met het niet-gerenoveerde gedeelte van hotel Moskva, helemaal aan het einde van de Nevski Prospekt. Hier maakt men de nadagen mee van de afgezaagde sovjet-hotelfolklore  van een gehorige kamer, gammel meubilair, een non-stop ruisende wc, Russisch dronkemansgebrul en wangedrag van aangeschoten Finnen. Wie nog in de oude sovjettijd is opgevoed, besluit al gauw dat een dergelijke atmosfeer toch ‘echter’ is dan de klinische pracht van hotels als Nevski Palace of Europe. Dergelijke glanzende marmeren hotelketenpaleizen verschillen in geen enkel opzicht van hun pendanten in Berlijn of Wenen, waardoor men zich eerder in de wereld der creditcards dan in Sint-Petersburg terechtgekomen voelt; een glaasje wodka smaakt er al niet meer. Toch is dat de werkelijkheid die menige Rus voor de meest ‘echte’ houdt.

Met een rugzak en een stapel in roebels omgezet Nederlands belastinggeld vertrok ik elke ochtend tegen half tien per metro naar station Majakovskaja op de Nevski Prospekt, vanwaar ik te voet naar mijn werkterrein afzakte. Het doel was steeds het kopen van boeken op het gebied van Russische literatuur, taalkunde en geschiedenis. Belangrijker dan de afrekening – die op het reisverslag inderdaad weer voordelig bleek uit te vallen – was de inhoudelijke kant van de zaak: de aanschaf van belangrijk en curieus materiaal dat in veel gevallen Nederland anders nooit bereikt zou hebben.
     Op boekengebied laat het centrum van Petersburg zich grofweg in drieën verdelen. De meeste boekhandels zitten op de Nevski Prospekt tussen de kruispunten met de Grote Zeestraat (Bolsjaja Morskaja) en het Gribojedovkanaal. Hier bevindt zich ook ‘Dom Knigi’ (Het Huis van het Boek), de grootste boekhandel van de stad. Een tweede gebied is de Litejny Prospekt, een boulevard die op de Nevski uitkomt, met onder andere de antiquarische boekhandel ‘Boekinist’ waarvoor zich altijd een nogal morsig, met tasjes en plastic zakken gewapend gezelschap boekenscharrelaars ophoudt. Verderop bevinden zich een filiaal van Akademkniga, het netwerk van academische boekwinkels, en het  Anna Achmatova-museum met zijn ‘boekensalon’, waar men altijd wel iets verrassends vindt. Een derde concentratie van boekhandels biedt het universiteitsgebied op de kop van Vasilevski-eiland. Deze winkels zijn vanaf de straat niet te zien: men moet de universiteit in. In de pijpenla van De Twaalf Colleges is een boekhandel gevestigd, evenals in de foyer van de Filologische Faculteit aan de Universiteitskade. Mijn favoriete boekhandel ligt verscholen in een gebouw aan de Medelejevlijn, tegenover de grijze kolos van de Bibliotheek van de Academie van Wetenschappen.
     Bij mooi weer wordt de Petersburgse boekenwereld uitgebreid met een onafzienbaar leger straatverkopers die tot zeer laat ’s avonds op de Nevski Prospekt blijven zitten, vooral in het stuk van de Mojka tot aan de Fontanka. Ook zijn er boeken te koop rond vrijwel elk metrostation. Net als in de boekwinkels kan op straat het aanbod flink variëren: veel boeken zijn maar op één plaats te koop. Voor wie een goed overzicht van het aanbod wil krijgen, is het dus zaak heel wat af te lopen.
     Het wonderlijke van de huidige Russische boekenmarkt is haar uitgesproken regionale karakter. In Petersburg zijn weliswaar enige boeken uit Moskou te koop, maar het aanbod geeft geen redelijke afspiegeling van de hoofdstedelijke productie, zeker wat betreft secundaire literatuur. Uit steden als Irkoetsk, Vladivostok of Novosibirsk, waar ook hele uitgeverswerelden bestaan, wordt vrijwel niets aangeboden. Maar Petersburg is een wereld op zichzelf en een goede reden om juist daar te kopen schuilt in de schier eindeloze hoeveelheid Petersburgiana die op de markt komt en die blijkbaar ook goed wordt verkocht. De belangrijkste huidige trend is dan ook makkelijk vast te stellen: Petersburg is zelf de onbetwistbare held van de lokale markt.
     Trouwens, de stad is dat al jaren. De omdoping in 1991 van Leningrad tot ‘Sankt-Peterboerg’ heeft de stoot gegeven tot een hausse aan publicaties. Dat was allereerst te merken aan praktische publicaties als plattegronden en gidsen, die ineens allemaal verouderd waren. Niet alleen de naam van de stad veranderde immers, maar ook de namen van tientallen straten: zij kregen in veel gevallen eveneens hun oude naam terug. Veel publicaties vermeldden aanvankelijk nog de namen uit de sovjettijd erbij, maar aangezien die praktijk al bijna is verdwenen, zijn gidsen van Leningrad inmiddels een waardevol bezit. En niet alleen stratengidsen van voor 1991: wat is het nuttig om bijvoorbeeld een museumgids van Leningrad uit 1989 te hebben, met al die inmiddels gesloten typisch communistische instellingen, zoals een handvol Leninmusea die nu op geen kaart meer staan.
     Petersburg, als oude hoofdstad van het tsarenrijk de belichaming van waarden die de communisten hadden bestreden, was in de sovjettijd een onderwerp dat alleen selectief ter  sprake kon komen. Inmiddels hebben de minutieuze beschrijvingen van de stad een ongekende vlucht genomen. Dat is nauwelijks provincialisme te noemen: de stad is zo verbonden met de Russische geschiedenis en litteratuurgeschiedenis, dat vrijwel elke straat en elk groot huis in het centrum van belang is voor de literatuurgeschiedenis en de biografie van talloze personen. En zo verschijnt nu  menig boek over straten, paleizen, huizen en hun bewoners. Die hoeveelheid doet vermoeden dat veel materiaal al opgepot was toen er, in de sovjettijd, van uitgave nog geen sprake kon zijn.

Petersburgse literatuur is ook de trend in het lokale aanbod van belletrie. De belangrijkste nieuwe uitgave is ongetwijfeld het eerste verzamelde werk van de ‘Leningradse’ auteur en cultfiguur (ook in Nederland) Daniil Charms (Polnoje sobranije sotsjinenij, uitg. Akademitsjeski projekt, 1997). Beschikbaar zijn het eerste en tweede deel van een vierdelige uitgave, respectievelijk met alle poëzie van Charms en al zijn proza; deel drie zal zijn werk voor kinderen bevatten en deel vier zijn briefwisselingen, dagboeken en notitieboekjes. Dit is de eerste wetenschappelijke uitgave van een oeuvre dat tijdens Charms’ leven ongepubliceerd bleef en dat, aanvankelijk vooral in het Westen, op grond van verschillende afschriften in druk is verschenen: zo zijn er ook vertalingen gemaakt aan de hand van foutieve teksten. Deze uitgave is gebaseerd op Charms’ manuscripten uit de Petersburgse Nationale Bibliotheek van Rusland, tot voor kort de Saltykov-Sjtsjedrin-bibliotheek. Ook Charms’ tekeningen in de marge van zijn manuscripten zijn opgenomen. Uiteindelijk blijft het een mirakel dat dit werk thans beschikbaar is: het overleefde een huiszoeking na Charms’ arrestatie in 1941, een Duitse bom op het huis en de ongetwijfeld barre tocht van Charms’ vriend Jakov Droeskin, die het archief tijdens zijn evacuatie uit Leningrad met zich meesjouwde. Dat dit werk nu nog bestaat, danken we uitsluitend aan deze Droeskin.
     Charms werd na zijn arrestatie vermoedelijk meegnomen naar het hoofdkwartier van de geheime dienst op de Litejny Prospekt, een gebouw dat door de bevolking het Grote Huis wordt genoemd en momenteel keurig wordt opgeverfd. Een stukje terug op de Litejny Prospekt, op de kruising met de Pestelstraat, woonde de beroemdste ‘Leningrader’ uit de nieuwe tijd, Iosif Brodski, die na zijn emigratie in 1972 als ‘Joseph Brodsky’ aan een nieuwe carrière in het Westen begon. Tot aan zijn dood in 1996 is hij nooit meer in zijn geboortestad terug geweest. Bij alle bewieroking van Brodsky in het Westen vond ik het eigenlijk een verademing om de hand te leggen op twee recente uitgesproken anti-Brodsky-geschriften. Het pamflet Novy revizor (De nieuwe revizor, uitg. Kompozitor, 1996) van het echtpaar Vladimir en Nataja Jevsejev, dat opereert onder het pseudoniem VIN (d.w.z. Vladimir I [=en] Natalja), heeft wel iets weg van een uitgave van een vaag religieus gezelschap, gefotokopieerd als het is in een oplage van 999 exemplaren en voorzien van een nietje. Het hoofdstuk ‘De onbekende Brodsky’, dat een groot deel van het boekje beslaat, omvat een collectie ongegeneerde roddel waarin Brodsky wordt afgeschilderd als een opportunistische figuur, omringd door vrienden die van hem wilden profiteren.
     Veel venijniger, dubbelzinniger en ‘gevaarlijker’ is de brochure van de filoloog Joeri Konstantinovitsj Begoenov, getiteld Pravda o soede nad Iosifom Brodskim (De waarheid over het proces tegen Iosif Brodski, uitg. A.S. Soeverin, 1996). In dit pamflet, ook al verschenen in een oplage van 999 exemplaren, stelt Begoenov dat Brodsky in 1964 niet tot verbanning is veroordeeld als dichter, zoals het Westen dat graag zag, maar daadwerkelijk voor wat in de aandacht stond: klaploperij. Zijn grootste bezwaar tegen Brodsky is dat hij anti-Russisch is: ‘De dichter heeft Rusland nooit nodig gehad. Hij verachtte alles wat Rusland was en zijn “poëtische avances” in Russische richting waren slechts aanstellerij.’ Vervolgens plaatst hij Brodsky op één lijn met Gorbatsjov als ‘vernietiger van Rusland’ en wrijft hem het lidmaatschap van een vrijmetselaarsloge aan. Begoenov maakt zich sterk voor ‘Russische’ waarden, maar hij maakt niet duidelijk wat we daaronder moeten verstaan. Hij schrijft over Brodsky: ‘Hij is niet geïnteresseerd in de Russische idee, de idee van de redding van het Russische volk van de wrede genocide.’ Uitleg wordt er niet gegeven. Wat voor genocide? Door Hitler? Door Stalin? De Tsjetsjenen? Nergens neemt Begoenov afstand van het oude communisme, maar nergens leest men dat hij het communisme een goede zaak vond. In die zin is zijn brochure een sprekend voorbeeld van de moderne ontwikkeling in de politiek waarin communisten en ultra-nationalisten het goed met elkaar kunnen vinden en zich beide bedienen van een nogal duistere retoriek, waar soms ook antisemitische ondertonen niet vreemd aan zijn.
     In de stapel nieuwe literatuur over paleizen en huizen bevindt zich een boekje van A. Kobak en L. Loerje met de titel Dom Moeroezi (uitg. Papiroes, 1996). Het Moeroezi-huis is het in ‘Moorse’ stijl opgetrokken gebouw op de hoek van de Litejny Prospekt en de Pestelstraat, waarin Brodsky en zijn ouders de ‘anderhalve kamer’ bewoonden waarover de Nobelprijswinnaar later een onvergetelijk essay zou schrijven.  Het huis is aan het eind van de vorige eeuw gebouwd voor de schatrijke prins Moeroezi, een afstammeling van een Byzantijns geslacht. Er hebben allerlei illustere persoonlijkheden gewoond, zoals generaal-majoor Alexander Alexandrovitsj Poesjkin (1833-1914), de oudste zoon van de dichter, de schrijver N.S. Leskov en het schrijversechtpaar D.S. Merezjkovski en Zinaïda Gippius. Na de revolutie vernaderden de luxueuze appartementen in ‘communale’ woningen, waar in kleine ruimten hele gezinnen kwamen te huizen, onder wie op de eerste verdieping de familie Brodsky. Zouden we ooit wat van de kosmopolitische, zo in de grillen van de architectuur geïnteresseerde dichter gehoord hebben als hij in zijn jeugd niet in dit bizarre, on-Russische huis met uitzicht op een Italiaans-ogende orthodoxe kerk had doorgebracht? Ga er eens voor staan en men begrijpt de bekentenis dat hij als schilder een soort Carel Willink was geworden.
     Mijn leukste aankoop is Joeri Aljanski’s Oeveselitelnyje zavedenija strarogo Peterburga (De amusementsgelegenheden van het oude Petersburg, uit. Bank Petrovski, 1996). Dit boek, met een oplage van duizend exemplaren, bevat de namen, adressen en jaartallen van zo’n vijfhonderd cafés, restaurants, bars, variététheaters en cabarets uit het oude Petersburg, een wereld die na de revolutie vrijwel geheel instortte. In zijn inleiding schrijft Aljanski dat het boek is gebaseerd op de kaartenbak van zijn inmiddels overleden stadgenoot German Alexandrovitsj Ivanov, die ruim vijftig jaar lang vrijwel dagelijks naar bibliotheken was gegaan om uit kranten en tijdschriften materiaal op amusementsgebied te verzamelen. Ivanov woonde ergens op één kamer met zijn zuster. Hij ging zelf nooit uit, maar ‘hij vulde’, aldus Aljanski, ‘zijn leven van eenzaam mens met zwakke gezondheid met de sfeer van vreugde, vrolijkheid en zorgeloos vermakelijk spel […]. Hij vond troost in het eindeloze labyrint van het zich amuserende Petersburg…’
     Het Moeroezi-huis? Ook dat staat erin. Zo komen we aan de weet dat er op die plaats in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een houten vrijstaand huis stond, met een tuin en een restaurant dat bekend stond onder de naam Sjoechardina… en dat dezelfde Leskov die enige jaren later in het Moeroezi-huis kwam te wonen, zijn herinneringen aan dit etablissement heeft opgeschreven.
     Het interessantste boek dat ik begin maart kocht en tegelijkertijd de beste nieuwe bijdrage aan het onuitputtelijke thema Petersburg is Michail Koerajevs Poetsjestvije iz Leningrada v Sankt-Peterboerg (Reis van Leningrad naar Sint-Petersburg, uitg. Roessko-Baltijski informatsionny tsentr BLITS, 1996). Van Koerajev werd het talent al eerder in het buitenland opgemerkt: men leze de vertaling Night patrol and other stories (Durham, Duke University Press, 1994). Dit nieuwe boekje, waarvan de titel een toespeling is op De reis van Petersburg naar Moskou (1790) van Alexander Radisjtsjev, belicht slechts zijdelings de veranderingen in het moderne Petersburg, waarvan de naamsverandering er maar één is. Het blijkt Koerajev vooral te gaan om de constante factoren die sinds Peter de Grote politieke klimaatwijzigingen in Rusland bepalen.
     Een belangrijke stelling van Koerajev is dat er geen reden is om in de omdoping van Leningrad tot Sint-Petersburg een wedergeboorte van de stad te zien. Naamsveranderingen ziet hij als verschillende etappes in het leven van de stad, waarvan niet ‘Sankt-Peterboerg’ maar het haast Hollandse ‘Sankt-Piter-Boerch’ de eerste naam was. Die naam moet in 1703, aldus Koerajev, voor het Russische oor ongeveer net zo vervreemdend hebben geklonken als nu ‘Snickers! Tampax! Bounty! Marketing!’ Peters Petersburgse onderneming ziet Koerajev als een soort zelfverloochening van Rusland: in feite richtte Peter in de periferie van zijn rijk voor zichzelf ‘een buitenland’ in. Waarom hij dat deed? Misschien om de Hollanders een plezier te doen? ‘Om dit deel van Rusland voor hen begrijpelijk te maken?’
     Peter de Grote werd, aldus Koerajev, met zijn hervormingen en de stichting van Sint-Petersburg de uitvinder van een systeem van ‘interne emigratie’, als gevolg waarvan de inwoners van Rusland emigranten in eigen land zijn geworden: mensen die leven volgens regels die ze zelf niet hebben opgesteld en ook niet hebben aanvaard. De gewoonte buitenlandse woorden in te voeren is ook begonnen bij Peter, die er bijvoorbeeld op stond dat Russische zeelui hem ‘schout-bij-nacht’ noemden: een aanspreektitel die voor een Rus onmogelijk vervreemdend klinkt. Volgens Koerajev blijkt telkens dat een programma van hervormingen in Rusland niet te beginnen is zonder invoering van nieuwe woorden. Dat was zo onder Lenin, met zijn verwarrende ‘Newspeak’ van afkortingen en zijn aan de marxistische pseudowetenschap ontleende lexicon, maar ook onder Jeltsin, met de radicale veramerikanisering van de woordenschat. Maar eigenlijk vindt Koerajev dat er in Rusland na Peter geen grote hervormingen zijn gelukt omdat het systeem van de macht nooit is veranderd. Het heeft alleen steeds een andere naam gekregen: Lenin en Stalin waren gewoon zijn erfgenamen.
     Koerajevs boekje biedt duidelijk iets anders dan de zoete folklore rond Peter de Grote die we onlangs in eigen land hebben meegemaakt. Vragen als ‘wie was die Peter de Grote nu eigenlijk?’ en ‘wat moeten we in Nederland met hem?’ kwamen slechts marginaal aan bod. Na alle tentoonstellingen en manifestaties rond Peter en Catharina is het tijd voor ontnuchtering en overdenking waar men nu eigenlijk mee bezig is geweest. Koerajev moet mijns inziens ook onverwijld worden vertaald, al zullen de subsidiepotten waaruit rijkelijk geput werd voor catalogi over de ‘schatten der tsaren’ – die soms al in stapels bij De Slegte lagen toen de tentoonstellingen nog aan de gang waren – wel niet meer opengaan voor een sarcastische schrijver die beweert dat Peter de Grote Rusland tot een kolonie van Petersburg en de Russen tot vreemdelingen in eigen land heeft gemaakt.

De nieuwe kolonisatie, dat wil zeggen veramerikanisering van het centrum van Sint-Petersburg gaat, althans voor het oog, tamelijk snel haar gang. In menig warenhuis ziet men helemaal geen Russische producten meer: invoer is blijkbaar goedkoper dan namaken. Zo blijven boeken eigenlijk het meest Russische product. Maar de lage oplagen duiden er al op dat ‘de Russen’, van wie toch altijd gezegd werd dat ze ‘veel lezen’, daar niet massaal hun geld aan uitgeven: de prijzen liggen voor de modale beurs gewoon te hoog. Daar komt bij dat veel boeken alleen nog maar verschijnen dankzij sponsors: zo staat er op de achterkant van het boekje over het Moeroezi-huis een kleurenreclame van een Franse parfumerie op de Litejny Prospekt, terwijl op het stofomslag van Aljanski’s etablissementenboek duidelijk werd gemaakt dat het alleen heeft kunnen verschijnen dankzij de steun van twee casino’s en een nachtclub. Sponsoring in stijl! Wellicht moet men in het huidige Rusland de ware cultuurdragers in zakenkringen zoeken, zelfs in sectoren die menigeen, wellicht volkomen ten onrechte, met de maffia associeert.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in De Parelduiker 2 (1997), No. 2, pp. 25-32.