zondag 19 juni 2016

Bloemlezing Castrum Peregrini-dichters (Recensie)

CORRADO HOORWEG CANONISEERT EEN SEKTE
 
Uitgeverij TIEM in Baarn produceert boeken over management en ict maar ook de Prominent-reeks die in vormgeving nogal eenvoudig en inhoudelijk soms marginaal overkomt. Dat geldt zeker voor Florilegium, een bloemlezing met ‘humanistische’ poëzie  van eigen bodem. Humanistische geest is volgens samensteller Corrado Hoorweg, pseudoniem van classicus Conrad Stibbe (1925), ‘een geestesgesteldheid die […] zich beroept op twee fundamentele waarden: die van  de Grieks-Romeinse oudheid en die van het Christendom’. Vertegenwoordigd zijn de Tachtigers, Leopold, Roland Holst, Boutens, Gerhardt en vijf dichters uit de Castrum Peregrini-sekte, leerlingen van Wolfgang Frommel (zie De Parelduiker 2015/1): Vincent Weyand, Adriaan Gaaikema (=Chris Dekker), Gabriel van Emmichoven, Corrado Hoorweg en Reinout Vreijling (=Jaap van Rossum du Chattel). De suggestie van Hoorweg is duidelijk: wat Willem Doorenbos voor Kloos en de zijnen was, was Frommel voor Weyand en de zijnen. Of onze literatuurhistorici deze parallel gaan overnemen? De bloemlezing bewijst dat de Castrum-dichters uitgesproken sektarisch opereerden: hun werk was bijna uitsluitend bekend onder elkaar en in eigen beheer uitgegeven, hoewel Komrij zo vriendelijk was twee gedichten van Hoorweg en Weyand in een latere druk van zijn bloemlezing op te nemen. De langst levende, Hoorweg, reconstrueert op negentigjarige leeftijd een stroming waarvan het bestaan hoogstens binnen eigen kring aannemelijk is geweest. Zelfs dat lijkt niet zeker. De vormvaste Castrum-dichters voelden zich boven de Vijftigers verheven: ‘Vernieuwing, zo dachten wij, hangt niet af van een literaire mode of van inspiratie door een sociale beweging of een andere levensbeschouwing, maar van een vernieuwing van het leven zelf, een vita nova, zoals dat telkens weer nodig is in een levende cultuur. Dat hadden wij, zo meenden wij, in onze vriendenkring in de oorlog en daarna verwerkelijkt. Bij ons lag de vernieuwing, niet bij deze of gene literaire stroming.’ Als zijn poëzie in de bloemlezing aan de beurt is, spreekt Hoorweg over zichzelf in de derde persoon. Hoorwegs gedicht bij de begrafenis van Chris Dekker (1923-1996), jarenlang woonachtig tussen de Maya’s in Mexico,  eindigt met een mooi beeld: ‘En toch – een leven lang hield stand bij ons / De jacht op ’t hert dat niet te vangen is. / Ik zag zijn zilveren hoef boven jouw graf.’ Het slotgedicht, ‘Strand’ van Vreijling, is dramatisch. Het gaat over het joodse meisje Liselotte dat vlak na de bevrijding met Frommel ging zwemmen en verdronk: ‘Opgebaard, een mis gelezen / naar je graf gebracht. / Aan Auschwitz wel ontkomen.’ Oorlog, onderduiking en trouw aan dode medeleden verschaften een ondergrond aan deze poëtische sekte die draaide op ruime giften. El gran bal (uitg. Van Gruting, 2005), het interessante herinneringsboek voor Chris Dekker, onthulde al dat Castrum Peregrini zonder diens financiële hulp niet was verschenen.

Corrado Hoorweg, Florilegium: een humanistische stroming in de Nederlandse dichtkunst sinds 1880. Baarn: TIEM, 2014. 276 p. € 19,95 (info@uitgeverijtiem.nl).
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 20 (2015), nr. 3,  pp. 66-67.

Herman Gorter, Hugo Claus en Kees Fens (Recensie)

HUIS CLOS: HERMAN GORTER, HUGO CLAUS EN KEES FENS
 
Sinds jaar en dag geeft Huis Clos subliem door Piet Gerards vormgegeven boeken uit rond eigenzinnige schrijvers en kunstenaars. De laatste tijd komen er geleerd ogende essays in de sfeer van de neerlandistiek bij. Johan Sonnenschein (1980), lector Nederlands in Luik, waagt zich aan een teksteditie met uitvoerig commentaar van het gedicht ‘Een dag in ’t jaar’ van Herman Gorter (1864-1927) dat postuum voor het eerst in 1948 is gepubliceerd. Waarom is dit gedicht van ruim 800 regels, waarin een ik vanuit zijn torenkamer op het platteland in de zondige jungle van een stad terechtkomt,  zo belangrijk dat een afzonderlijke heruitgave nodig is? Het is volgens Sonnenschein in zijn voortreffelijke ‘rondleiding’ alleen al interessant omdat het ontstond tussen  de meesterwerken Mei (1889) en Verzen (1890): ‘als poëtisch document van de enige dichter van voor 1900 wiens werk nog in de originele bundels wordt herdrukt.’ Hij plaatst het stadsgedicht van de natuurdichter binnen de literatuur en filosofie van de tijd maar ook binnen de Nederlandse traditie, waarin Leopold en Nijhoff met ‘Cheops’ en ‘Awater’ het ‘middellange gedicht, tussen epiek en lyriek’ […] een “ding” op zich’ maakten. Voor wie alle verwijzingen naar Nietzsche te veel worden, blijft Gorters poëzie over die nu voor het eerst separaat is uitgegeven: bij vlagen misschien wat onaf maar evenzeer verrassend modern of uitbundig: ‘Want zoo werd mijn hart geboren / ik kan niet hooren / ooit een geluid / of diep in mij fluit / mijn eigen zielsvogel diezelfde toon.’ Paul Claes (1943) promoveerde ooit op de poëzie van Hugo Claus en brengt in Meester Claus – zijn 117de boekpublicatie volgens de flap - vier stukken uit de jaren 1985-2014 bijeen. Dit is voorbeeldige lectuur voor lezers die Claus kennen en waarderen of voor een cursus poëtica maar lijkt minder geschikt om anderen te enthousiasmeren. Wie Claus links liet liggen, krijgt genoeg materiaal om dat zo te laten. Claes analyseert vooral de negatieve emoties in zijn poëzie: dwang, claustrofobie, agressie, angst, beklemming. Hij stelt dat Claus al ‘gekluisterd wordt door zijn naam’ die volgens hem in verband gebracht kan worden met het Latijnse werkwoord ‘claudere’ (sluiten, belemmeren) en zo ook met ‘kluisteren’, ‘kluis’ etc. Maar je hoeft ook geen kerkganger te zijn om een niet aflatende ‘oorlog met de roomse religie’ geen thema voor poëzie te vinden. Claes beweegt zich vooral binnen een academisch kader en haalt theoretici als Algirdas Greimas en Jacques Lacan van stal. Kees Fens (1929-2008) doet het zonder dat soort referenties. Het vers wint bevat de teksten van zijn eerste recensie uit de Volkskrant, over Hella Haasse uit 1969, en de laatste, over Petrarca uit 2008. In zijn inleiding meldt Erik van der Berg dat de naam Fens nooit viel op Amsterdamse universiteitscolleges Nederlands in de jaren zeventig en tachtig. Decennia zijn voorbij en Fens is dood maar zijn leesbaarheid blijft er niet minder om. 

Johan Sonnenschein, Een glorieus ding. ‘Een dag in ’t jaar’ van Herman Gorter. 2014. 126 p. 600 ex. € 15 | Paul Claes, Meester Claus. 2015. 69 p. 350 ex. € 12,50 | Het vers wint. Van en over Fens. 2015. 21 p. 250 ex. € 3,50 | (Huis Clos, p/a Gerard Terborgstraat 16 hs 1071 TM Amsterdam info@uitgeverijhuisclos.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 20  (2015), NR. 3, PP. 64-66.

Augusta Peaux: Gedichten (Recensie)

AUGUSTA PEAUX: ONZE GROOTSTE DICHTERES?
 
Een Geheimtip was Augusta Peaux (1859-1944) niet meer nadat de bloemlezingen van Warren (1979) en Komrij (1979) haar gedichten ruimschoots opnamen. Maar na haar late debuutbundel Gedichten (1918) en de tweede en laatste bundel Nieuwe gedichten (1926) verschenen geen boekuitgaven van Peaux. Dat bleef zo tot in 2011 de Avalon Pers van Jan Keijser Nagelaten gedichten drukte: een keuze uit genoemde bundels aangevuld met drie ongebundelde gedichten en een portretets door Will Landman. Nu brengt uitgeverij Liverse een ruimere keuze onder de titel De wilgen, de velden, het water waarmee ze meteen als natuurdichteres is neergezet. Beide uitgaven zijn bezorgd door Mario Molegraaf. De neerlandistiek verzwijgt Peaux maar miskend was ze nooit: Verwey, Kloos en Bloem loofden haar onomwonden. Later is ze gewoon vergeten. Typerend is een mededeling van Molegraaf in het nawoord bij de laatste uitgave: Peaux, die ongehuwd bleef, is bijgezet in het Nijmeegse graf van haar ouders en zus zonder dat de familie haar naam op de steen liet zetten. ‘Eenzaam kerkhof’ is toepasselijk een van haar bekendste gedichten. Ze leefde, zonder baan, teruggetrokken als spaarzaam publicerend domineesdochter die God buiten de verzen liet. Wel maakte ze reizen waarvan die, tweeënhalve maand lang, met twee vriendinnen naar IJsland in 1923 de opvallendste is. In het lege, ongenaakbare IJsland vond ze schijnbaar wat ze zocht. De almachtige natuur van het eiland kreeg gestalte in een cyclus van elf gedichten: ‘Dit land wil eenzaam zijn, geen vriend van menschen, / maar met de sterren en de zee alléén’. Ze werkt hier in de tegenwoordige tijd, terwijl ze anders vooral voor het verleden kiest. Peaux weet meesterlijk steden en landschappen verstard buiten de tijd te situeren, in bijzonder licht: kennelijk de weerschijn van iets dat ze verborgen hield en dat de spanning erin houdt. Op haar best is Peaux als ze meer schetst dan redeneert. Ook geldt bij haar: hoe minder adjectieven, hoe beter. Vrijwel al haar gedichten sluiten mensen uit of gaan over de onbereikbaarheid van een ander. In de inleiding bij de door haar vriendin en reisgenote Geertruida Meuleman vertaalde IJslandse verhalenbundel Alfur van Windhael (1924) heeft ze het ondubbelzinnig over ‘deze tragische waarheid: de eenzaamheid, het alleen zijn van iedere ziel, het onbegrepene, ook van de eigene’. Ook de eigen omgeving blijft afgeschermd. Schijnbaar maar één gedicht, ‘Wij leven’ (slotgedicht van Nieuwe gedichten, niet door Molegraaf gekozen), gaat over een situatie binnenskamers, bij het haardvuur: ‘’t Vuur werpt zijn schijnsel op de ruit / en wischt den blauwen glans der maan, / de klok tikt zacht den avond uit / en alles spreekt hier van vergaan.’ Deze verzen tasten soms naar een vage liefde die wellicht niet echt bestond en alleen verijdeld was, naar duiding van woorden van vroeger: ‘nu rijten zij mijn herte wond, / de woorden, die ik nooit verstond.’  Peaux zocht naar tekenen in de natuur, vooral in lichtval, vertaalde haar stemmingen in allerlei lichtschakeringen: ‘Ik vrees aan winter’s kimmelijn / de huizen, die groot en donker zijn.’ Peaux hoort onmiskenbaar bij de grote dichters van wie er heel weinig zijn. Deze zeer welkome uitgaven bevatten iets minder dan de helft van haar gedichten: parels als ‘Zomernacht’ en ‘Maansikkel’ blijven nog verborgen in antiquarisch onvindbare uitgaven. De oprecht en weinig opdringerig klinkende Peaux zou wel eens een nieuwe heldin van het marginale circuit kunnen worden. Maar hopelijk volgt ook een definitieve stap die Peaux terug in de literatuurgeschiedenis kan brengen: een leeseditie van alle gedichten, verhalen,  opstellen en vertalingen. Veel meer dan vijfhonderd bladzijden zal dat niet zijn. Graag zien we dan ook de bronvermelding voor het archiefmateriaal dat Molegraaf aanhaalt in het nawoord bij de nieuwe uitgave die de uitvoerigste levensschets van Peaux biedt waarover we beschikken.

Jan Paul Hinrichs

Augusta Peaux, Nagelaten gedichten. Woubrugge: Avalon Pers, 2011. 23 p. 95 ex. € 40 (Leidse Slootweg 4, 2481 KH Woubrugge avalonpers@hetnet.nl).

Augusta Peaux, De wilgen, de velden, het water.  Dordrecht: Liverse, 2de herz. druk 2015. 125 p. € 24,50 (info@liverse.nl).

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 20 (2015), nr. 3, pp. 63-64.


|

vrijdag 20 mei 2016

Schoon & haaks [afl. 10]


SCHOON & HAAKS [AFL. 10]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de tiende aflevering (2016, nr. 2) staan recensies van de volgende boeken:

  • Lo van Driel, Jan H. Eekhout. Een plooibaar talent. Aardenburg: Drukkerij Durenkamp, 2015.
  • C.O. Jellema, Mijn beste lezer. Brieven aan mijn broer. Nijmegen: Flanor, 2015.
  • Geerten Meijsing, Brieven aan Nanne Tepper. Den Haag: Statenhofpers, 2015.
  • William Blake, Verzen van Onschuld en van Ervaring die de tegenovergestelde toestanden van de menselijke ziel laten zien. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016.
| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 63-67.

zaterdag 19 maart 2016

Senhor Valério: verschenen bij De Wilde Tomaat

SENHOR VALÉRIO VERSCHENEN

Zojuist verscheen Senhor Valério bij uitgeverij De Wilde Tomaat. In 2011 verscheen deze titel in heel kleine oplage bij uitgeverij Flanor. Deze nieuwe uitgave is volledig herzien.


Zie verder: Jan Paul Hinrichs, Senhor Valério. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 78 pp. ISBN 9789082428841. € 12,50. 

Klik hier voor meer informatie. Te bestellen via de (internet-)boekhandel en bij de uitgeverij: dewildetomaat@ziggo.nl.


vrijdag 18 maart 2016

Boudewijn van Houten: Columns [2] (Recensie)

DOORBREEKT BOUDEWIJN VAN HOUTEN HET 'CORDON SANITAIRE'?
 
Natuurlijk wilde ook Boudewijn van Houten (1939) beroemd worden maar op een manier die hem paste: ‘Naar Amsterdam zou ik alleen komen voor een jaarlijkse lunch met mijn uitgever en voor een interview met de grootste krant. Daarna zouden ze weer een jaar niet van me horen, want ik was niet als Harry Mulisch die altijd in Amsterdam wilde rondlopen om daar bewonderd te kunnen worden. Voor mij zou de verkoop van mijn boeken al genoeg bewondering betekenen.’ Het liep anders. Velen teren op connecties, terwijl Van Houten zelf ‘uit (overigens misplaatste) liefde voor de kunst echt niets van mijn carrière maakte en echt niets voor relaties deed’.  Hij was al gauw ‘over de leeftijd heen waarop je schrijvers benadert. Ik wist dat je dit beter niet deed.’ Als Charlotte Mutsaers de P.C. Hooftprijs krijgt, reageert hij getergd: ‘Juist door dit gebrek aan persoonlijkheid heeft deze vrouw waarschijnlijk precies de goede vrienden weten te maken die haar op het prijzenpodium gehesen hebben.’ Van Houten blijft de auteur van de uit de literatuurgeschiedenis verbannen roman Onze hoogmoed (1970). Een handvol na de eeuwwisseling bij Aspekt in Soesterberg gepubliceerde boeken bracht hem niet terug in de literaire wereld. Dankzij uitgeverij Flanor, al decennia zonder ophef en vertier in de marge actief, timmert hij nu rond zijn vijfenzeventigste aan een comeback. Pijlers in dit fonds zijn de reeds overleden auteurs C.O. Jellema en Henk Romijn Meijer maar ook Geerten Meijsing die zich net als Van Houten als Exil-auteur positioneert en met wie hij een literair uitgedragen passie voor erotiek en drank lijkt te delen. Van Houten woont weliswaar een mensenleven in Frankrijk en België maar Nederland blijft zijn preoccupatie. In vervolg op de internetcolumns in Tegengif: 1x daags (zie De Parelduiker 2014/2) komt Flanor nu met de omvangrijke bundel Onder de barbaren. Het gaat om columns die Van Houten tussen januari 2009 en april 2011 publiceerde op ‘de weblog van Stan de Jong’, waar ik niet eerder van hoorde. Politieke incorrectheid en een cultus van eerlijkheid, desnoods ten nadele van zichzelf, blijven zijn handelsmerken. Van Houten, laverend tussen corporale mannenpraat en serieuze cultuurkritiek, blijft tegen van alles: natuurlijk Harry Mulisch, al hoeft hij niet meer bang te zijn dat hij de Nobelprijs krijgt en bekent hij in zijn jonge jaren zelfs fan te zijn geweest,  sport, Bernard-Henri Lévy, Matthijs van Nieuwkerk, baby’s in de kinderopvang (‘mama wil beslist ook een baan hebben, zodat de vier vakanties per jaar niet in het gedrang komen’), Jeroen Brouwers (‘wil de voordelen van het imago van de avontuurlijke kunstenaar, maar toch ook alle zekerheden waarop een ambtenaar kan rekenen’), Loe de Jong die het verdomde zijn vader, NSB-prominent en uitgever van Volk en Vaderland, te interviewen (‘Hij wilde het verhaal schrijven zoals hij het in Londen was gaan zien, en dat mocht niet verstoord worden. Het moest een indianenverhaal van stoute moffen en edele verzetsstrijders worden’) en de infantilisering van ons museumwezen (‘Tentoonstellingen in musea moeten vooral voor kinderen bevattelijk zijn – en wee de directeur die niet kan vermijden dat een kind zich binnen zijn muren verveelt. Die krijgt geen subsidie meer’). Waar is hij voor? In ieder geval voor een duidelijke standenmaatschappij en strengere toelatingseisen bij het onderwijs. Van Houten staat buiten het debat en blijft een roepende in de woestijn. Hij gelooft dat rond hem ‘een cordon sanitaire’ ligt. Misschien heeft Van Houten daaraan ook zelf wel meegebouwd want hij lijkt eerder weggemoffeld dan onderschat: al lang geleden gold hij als Geheimtip. In ieder geval heb ik ouderwets genoten van deze dwarse en geestige columns.

Boudewijn van Houten, Onder de barbaren. Nijmegen: Flanor, 2014. 328 p. € 25 (Beijenssttraat 30, 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@gmail.com).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 20 (2015), nr. 2, pp. 65-66.

Karel van het Reve en Vladimir Nabokov (Recensie)

PLAGIEERDE KAREL VAN HET REVE?

Karel van het Reve (1921-1999) kon zijn stukjes schijnbaar overal kwijt. ‘Ze willen altijd mij hebben’, pochte hij tegenover ons studenten. Zijn aanhang zat op sleutelposities: Renate Rubinstein, Maarten ’t Hart, Nico Scheepmaker, Rudy Kousbroek, Theodor Holman, Hugo Brandt Corstius, Ivan Sitniakowsky etc. konden er geen genoeg van krijgen zijn naam te droppen. Jeroen Brouwers gaf ooit tegengas maar bereikte weinig. Van het Reve’s werk heeft tijdens zijn leven en na zijn dood evenwel opvallend weinig aanleiding voor serieus onderzoek gegeven. Er verscheen een onbeholpen biografie (2004) van Ger Verrips waarin essentiële gegevens ontbreken. Een prachtige prestatie blijft het zevendelige verzameld werk (2008-2011), hoewel veel stukken er ongemotiveerd niet in staan en een bibliografie van alle geschriften, die de lezer volledig had kunnen informeren, ontbreekt. Onderzoek begint bij bronnen: waar haalde Van het Reve zijn uitspraken vandaan? Was hij werkelijk zo origineel als zijn fans spoorslags aannemen? Flip Treffers, oud-hoogleraar kinderpsychiatrie in Leiden die eerder een studie over Achterberg en zijn psychiaters publiceerde, onderzoekt  in “Vladimir Vladimirovitsj en ik” Van het Reve’s omgang met Vladimir Nabokov (1899-1977) die hij tegenover Bibeb zijn ‘grote liefde’ noemde. Van het Reve hield zich lange tijd voor ontdekker van Nabokov in Nederland want wist niet dat zijn concurrent Charles B. Timmer hem jaren voor was geweest (overigens voor het eerst in Litterair Paspoort in 1948 en niet, zoals Treffers aangeeft, in Libertinage in 1949). Treffers waagt zich op verraderlijk terrein waar plagiaat, bewuste of onbewuste beïnvloeding en toevallige overeenkomsten soms moeilijk uit elkaar te houden zijn. Hij pleit Van het Reve vrij van de beschuldiging van ‘de bekende slavist’ Hans Boland dat hij zijn levenslange kritiek op Dostojevski regelrecht aan Nabokov ontleent maar verdedigt de stelling dat hij in zijn essay ‘Freud over Dostojevski’ (1980) Dostojevski-biograaf Joseph Frank plagieert. Een sluitend bewijs hiervoor overlegt hij niet. Treffers benadeelt zichzelf door deze kwestie op te blazen want elders opereert hij effectiever. Zijn conclusie is dat Van het Reve nooit iets origineels over Nabokov heeft gezegd, diens werk slecht kende en niet duidelijk maakte wat zijn affiniteit met hem was. Ondertussen herhaalde hij zichzelf uitentreuren en liet zich vaker negatief dan positief over Nabokov uit. Treffers, befaamd klokkenluider op eigen vakgebied, trekt zijn oordeel door naar het hele essayistische werk van Van het Reve: ‘Waarschijnlijk zagen nogal wat mensen die deskundig waren op de gebieden waarover Van het Reve zich uitliet ervan af met hem te polemiseren, omdat ze de inhoud van zijn essays te onbeduidend vonden. Daar kwam bij dat Van het Reve vaak voor een toonzetting koos, die weinig ruimte liet voor een substantiële reactie.’ Zijn op Multatuli’s Ideën geënte ‘fragmenten’ noemt hij ‘even loos als pretentieus’. Treffers komt met de ontluisterende stelling dat het verzameld werk Van het Reve’s zwaktes, zoals de neiging zich te herhalen, juist blootlegt: ‘De omvang […] is in niet geringe mate daaraan te wijten.’ De eersteling van gelegenheidsuitgeverij Carson suggereert dat Van het Reve te lang aan kritisch tekstonderzoek is ontsnapt. Treffers biedt een niet te negeren aanzet tot een discussie over de originaliteit van zijn essays. Niet eerder werd bij mijn weten zijn werk op één onderwerp zo grondig doorgespit. Of het materiaal een generaliserend oordeel over het hele essayistische oeuvre rechtvaardigt? Dat lijkt me niet. Het levert wel fraai koelbloedig proza op: ‘Zo vaak Van het Reve de namen noemde van mensen over wie hij niets te melden had, zo vaak verzuimde hij de namen te noemen van kunstenaars en geleerden aan wie hij gedachten ontleende.’ Uiteindelijk gaat het Treffers volgens zijn zeggen niet om zijn collega Van het Reve die hij nooit ontmoette en pas laat ging lezen: hij zag dit essay, dat hij ondanks een ernstige ziekte kon voltooien, ‘als vingeroefening voor daarna te schrijven beschouwingen over het werk van Nabokov’. Helaas kon Flip Treffers (1946-2015) aan dit alleszins gedurfde werk geen vervolg meer geven, want enkele weken na het verschijnen van zijn boek is hij overleden. Van het Reve lijkt ondertussen toe aan een solide intellectuele biografie.

Flip Treffers, “Vladimir Vladimirovitsj en ik”: Karel van het Reve en Nabokov. Amsterdam: Carson, 2015. 143 p. € 21,50 (Emilie Knappertstraat 6A 1066 XB Amsterdam uitgeverijcarson@gmail.com).

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 20 (2015), nr. 2, pp. 64-65.