maandag 4 maart 2019

August Willemsen en Theo Sontrop

NAWOORD

Op 29 mei 1997 besluit August Willemsen (1936-2007) zijn laatste brief aan uitgever Theo Sontrop (1931-2017) met de opgave van een adres in Australië: 176 High Street, Northcote 3070, Melbourne. Via Google Street View is dit hoekpand traceerbaar. De opname is van februari 2017: bijna twintig jaar na Willemsens melding dat hij op dit adres boven een galerie woont. De winkelruimte beneden lijkt nog altijd een galerie, al suggereert een zoekactie op internet dat The Gallery of Slavic Art uit 1997 inmiddels is vervangen door Light Projects: ‘an experimental project space […]. The large windows of the gallery allow for 24/7 viewing.’ Dit lijkt de advertentie voor iets redelijk grootschaligs, maar Google Street View toont eerder een onopvallend winkeltje met een monsterlijk grote luifel in een eindeloze drukke straat met tramrails die vol staat met  een zelfde soort winkeltjes. Ruime klandizie is niet het eerste waaraan men hier denkt: ook niet op de voorleesavonden in de galerie waarvan Willemsen in zijn brieven aan Sontrop gewag maakt.
    De naam van de galerie ontleen ik aan August Willemsens artikel ‘From Northcote Hill’, dat in 1997 is gepubliceerd in de eerste jaargang van het tijdschrift Bunker Hill. Zijn kamer bevond zich aan de achterkant: ‘Ik bewoon, nu nog, een kamer op één hoog aan de achterkant van een hoekhuis op High Street’. We navigeren met Google Street View de hoek om, James Street in, en zien de blauwgrijze zijmuur van het pand met een stenen trapje naar de huisdeur met gietijzeren hek ervoor en daarnaast twee getraliede vensters en verder een garage met dakterras.  We kijken omhoog naar Willemsens kamerramen op de eerste verdieping: ‘Door één raam zie ik, naar het oosten, uit op een klein stukje van de ver gelegen Dandenong Ranges, door het andere raam zie ik uit op de skyline van het centrum.’ Op het dak staat een tv-antenne, zoals we die in Nederland al decennia niet meer kennen. Dit was de betonnen omgeving waarin Willemsen naar eigen zeggen overvallen werd door ‘acute gemoedsrust’.
     De Engelstalige wereld was de steeds zuidwaarts trekkende August Willemsen lang vreemd gebleven, aldus het stuk in Bunker Hill: ‘het was begin 1996, ik was bijna zestig, en dit was de eerste keer in mijn leven dat ik me in een Engelssprekend land bevond. Nooit naar Londen geweest, wat naast de deur lag; nooit naar New York.’ Verliefdheid speelde een rol bij zijn vestiging in Australië, maar ook ingebakken tegendraadsheid en kennelijk een latente behoefte zijn omgeving met onverwachte stappen te imponeren: ‘zonder de aanwezigheid van Janna hier zou ik het nooit hebben gedaan, maar het is mogelijk dat onbewust iets heeft meegespeeld als: “Vonden jullie het gek dat ik, als schrijver/intellectueel/what-not, in de Bijlmer woonde? Ja? Nou, dan zal ik jullie nog eens wat laten zien. Dan ga ik godverdomme naar Australië!” O zo.’ Willemsen woont op dat moment niet in bij zijn Australische vriendin Janna. Bunker Hill geeft daarover geen uitleg, maar de brief van 29 mei 1997 aan Theo Sontrop wel: ‘Ik zal niet op details ingaan: het zij genoeg, te zeggen dat alcohol er iets mee te maken had. […] Ik woon voorlopig in een ander huis […], deze situatie werkt.’
     Drank, vrouwen, een hang naar onthechting, of die nu in de Bijlmer, Brazilië of in suburbaan Australië te vinden is – het zijn voortdurend thema’s in het leven en werk van August Willemsen, de vertaler die na de publicatie van Braziliaanse brieven (1985), door hem tegenover Sontrop afgekort als BrBr, De val  (1991) en Vrienden, vreemden, vrouwen (1998), afgekort als VrVrVr, steeds meer als schrijver ging gelden. Een gezaghebbend essayist was hij al na publicatie van de bundel De taal als bril (1987). Willemsen schreef nooit fictie: alleen zijn eigen leven bood stof. De brieven aan Sontrop tonen hoe hij over een tijdvak van vijfentwintig jaar via alcoholconsumptie en vrouwenavonturen steeds de grens opzoekt en zichzelf daarbij schijnbaar van de zijkant gadeslaat, zonder meteen verantwoordelijkheid te kunnen nemen: ‘Ik stak mezelf in de lastigste nesten, en als de fles niet diende om de vreugde te verhogen, dan wel om de problemen voor me uit te schuiven.’
    De openingsbrief aan Theo Sontrop is van 1972. Willemsen heeft zijn eerste verblijf in Brazilië dan al ruimschoots achter de rug en is als vertaler nog niet heel bekend. Zijn doorbraak komt in 1978 met FP, zoals hij zijn poëzievertaling van Fernando Pessoa’s Gedichten afkort. Voor het van een uitgave komt, voelt hij zich geroepen zijn toen nog niet voor de hand liggende keuze voor deze dichter uitvoerig tegenover Sontrop toe te lichten, schijnbaar in verband met een subsidieaanvraag bij het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Later, na het succes van deze vertaling, zal hij zich veel minder hebben hoeven rechtvaardigheden: de naam August Willemsen stond automatisch garant voor een vertrouwenwekkende en smaakvolle keuze.
     De eerste brief opent als een roman: we zijn middenin de bonte drukte van feestjes, literaire plannen en afspraken. In het vervolg blijkt steeds meer sprake van een patroon waar binnen het een op het ander wordt gestapeld: werk bovenop werk, drank bovenop drank, de ene vrouw fladdert naast de andere. Het zal te ver gaan om een vergelijking te maken met de eveneens om zijn alcoholgebruik befaamde Fernando Pessoa, die zijn literaire persoonlijkheid in verschillende heteroniemen opsplitste, maar in het dagelijks leven lijkt Willemsen aanvankelijk goed in staat simultaan in diverse registers te opereren. Het grote succes van Braziliaanse brieven, zo maakt de correspondentie met Sontrop duidelijk, vormt een cesuur: lezingen, ontmoetingen met vrouwen, het gevoel beroemd te zijn, die daarop volgden maakten zijn leven ineens een stuk onoverzichtelijker. De overgang van vertaalwerk naar schrijverschap zorgt voor een toestand die hij niet meer in de hand heeft. Grenzen schijnt hij wel te zien, maar hij laat zaken vooral op z’n beloop, waarna het leven zelf hard ingrijpt: een echtscheiding, een fatale val in de Bijlmer, later de inkwartiering in een huurkamer in Melbourne nadat hij, zoals hij over dit ‘alcoholiseringsproces’ in Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen (2014) aan Marian Plug schrijft, ‘de toestand onhoudbaar had gemaakt’. Vroegtijdig ontslag op de universiteit, waar hij uit weerzin zwaar beschonken colleges geeft, past ook in dit patroon.
     Het aantrekkelijke van Willemsens toon zit in de pretentieloze oprechtheid, waarmee hij zijn ontboezemingen doet: schuld neemt hij volledig op zich, maar steeds ziet hij geen kans duurzaam ‘de draak’, zijn alcoholconsumptie, te beteugelen. Levensdoelen zoekt hij ogenschijnlijk niet zo hoog. In 1960 noteert hij in zijn dagboek, Vrienden, vreemden, vrouwen: ‘Ik leef zo stom, zo kalm, zo bedaagd. Wat zal ik niet allemaal kunnen doen? Ik wil lezen, schrijven. Reizen. Een vrouw in mijn arm houden. Drinken. Ergens anders wonen.’ Daar lijkt het in het vervolg ook allemaal om te gaan, waarbij allerlei dingen in het leven, zoals hij zelf opsomt, vaak wat langzamer op gang komen dan gedacht: laat met vrouwen, laat uit het ouderlijk huis, laat aan de studie Portugees, een eerste vertaling op zijn vijfendertigste, zijn eerste schrijversboek, Braziliaanse brieven, op zijn negenenveertigste.
     Achter een zekere pose van laksheid schuilt bij Willemsen een uiterst geconcentreerde professionele instelling als vertaler, essayist en schrijver. Niettemin stelt hij, misschien niet helemaal overtuigend, zijn eigen carrière als een product van toeval voor. In het Marathoninterview met Anton de Goede dat de VPRO-radio op 30 juli 1999 rechtstreeks uitzendt, maakt Willemsen – gezeten in een rolstoel na een heupbreuk in Frankrijk – duidelijk dat Theo Sontrop een sleutelpersoon voor hem is: ‘Ik heb nooit schrijver willen worden, ik heb zelfs nooit vertaler willen worden. Door bemiddeling van een student ben ik in contact geraakt, in een van mijn laatste studiejaren, met Theo Sontrop die toen nog werkte bij Meulenhoff op het Rokin. En zo ben ik aan het vertalen en het publiceren van vertalingen gekomen, via een toeval.’
     De brieven aan Theo Sontrop zijn met aanstekelijke gretigheid geschreven. Dat lijkt alleen maar te verklaren uit de enorme betekenis die Willemsen hecht aan het contact met Sontrop, ‘een persoon van onschatbaar belang’, klankbord in moeilijke tijden, onvervangbaar als uitgever. Hij beseft dat veel van zijn projecten, zoals de Pessoa-vertaling, zonder Sontrop niet van de grond waren gekomen. Sontrop was een jaar of zes ouder dan Willemsen, bijna een generatiegenoot. Dat bevorderde wellicht een zekere vertrouwelijkheid in het contact, waarin ook ironie een rol speelt: dat Sontrop zenuwachtig was op tv, maar netjes in het pak zat. En Willemsen nodigt Sontrop, al dan niet gemeend, mee naar Brazilië: ‘Véél leuker dan Portugal, ofschoon het wel een aanslag op je libido is – of juist daaróm.’  
     Een hang naar onthechting komt in Willemsens correspondentie vaak naar boven. Dat speelt nadrukkelijk al in Amsterdam: hij schrijft vanuit de Bijlmer of hij niet in Amsterdam, maar daarbuiten woont. In zijn stuk in Bunker Hill ziet hij vanuit Melbourne, met zijn bevrijdende ‘criteriumloosheid’, scherp terug op een laks en weinig open Amsterdam: ‘Pretentie, zelfingenomenheid, de grifheid waarmee velen oordelen over iemand of iets van wie of waarvan ze niets maar dan ook niets af weten. De vroegere vrienden die, na een keer de verschrikkelijke reis naar de Bijlmer te hebben doorstaan (een kwartiertje met de metro), het vertikten ooit nog terug te komen.’
     Briefschrijver August Willemsen kennen we als de meeslepende verslaglegger in zijn Braziliaanse brieven, de vertrouwelijke causeur in zijn brief uit Australië aan Thomas Rap in Sprekend een brief (1998), de beproefde vriend in Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen en de ruimhartige literator tegenover onbekende studenten in Brieven aan De Lantaarn (2018). In de brieven aan Theo Sontrop gaat het, met beklijvende directheid en vlijmscherpe stijl, om de wording van literatuur zelf: hoe de eigen persoon werk soms in de weg staat, maar eigenhandig veroorzaakte problemen ook weer nieuwe inspiratie genereren. Correspondentie lijkt soms een opmaat voor schrijverswerk: de brief van 28 juli 1979 uit Rio de Janeiro vinden we bij vlagen haast woordelijk terug in de brief van 29 juni 1979 uit Braziliaanse brieven.
     ‘Brieven zijn per definitie fragmenten’, verklaart August Willemsen in zijn nawoord bij Brieven 1905-1919 (2004) van Fernando Pessoa. ‘Ze zijn stukjes tijd.’ Idealiter laten de brieven aan Sontrop zich lezen als een autobiografie in fragmenten: stukjes tijd, snapshots, beleefd in Amsterdam-Bijlmermeer, Laren – het oord van revalidatie uit De val –,  Rio de Janeiro en Melbourne, oftewel vier cruciale plaatsen in dit schrijversleven.

Oegstgeest, 30 augustus 2018

 Jan Paul Hinrichs
 
| Eerder verschenen als 'Nawoord', in: August Willemsen, Noodlot is nooit ver uit mijn gedachten. Brieven aan Theo Sontrop, bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Fragment, 2018), pp. 47-52.
 


 


dinsdag 12 februari 2019

Schoon & haaks [afl. 23]

SCHOON & HAAKS [AFL. 23]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de drieëntwintigste aflevering (2019, nr. 1) staan recensies van de volgende boeken:

·         Joke Linders, Geversstraat 25. Opgroeien in Oegstgeest. Bloemendaal: Schaep 14, 2018.

·         Leo van Breen, De som van niemendallen. Een keuze uit de gedichten met twee brieven aan Gerrit Borgers. Sint Kruis: Erven Eikenhout, 2018.

·         Maurits Verhoeff, ‘Voor een koopje ben ik voor hen niet thuis’. Nescio en zijn uitgevers (=Uitgelezen boeken jrg. 19, nr. 1). Amsterdam: De Buitenkant, 2018.

·         Perry Moree, Mijn naam zei niemand wat. Nescio en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Vlaardingen: De Walgvogel, 2019.

·         Tom Sandijck, Havank op Dekema State. Kees Kuiken, De moord op Havank. Capelle aan den IJssel: Stichting Mateor, 2017.

 ·        Nancy Stoop, De rode lijn. Leiden: Fragment, 2018.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 24 (2019), nr. 1, pp. 68-75.

donderdag 10 januari 2019

Kathinka Dittrich van Weringh: Herinneringen (Recensie)

KATHINKA DITTRICH VAN WERINGH EN HET BELASTE VERLEDEN

Kathinka Dittrich van Weringh (1941) noemt zichzelf Kulturfrau. In de jaren 1979-1985 was ze directeur van het Amsterdamse Goethe-Institut. Het was een stap in een loopbaan die haar eerder naar Barcelona en New York bracht, later naar de centrale in München en naar Moskou, waar haar instituut zich nestelde in de oude DDR-ambassade. Aansluitend was ze enkele jaren cultuurwethouder van Keulen, ‘de meest Nederlandse van alle Duitse grote steden’. In Wann vergeht Vergangenheit? publiceert Dittrich van Weringh herinneringen aan haar werkzame tijd én de tijd daarna, waarin ze tijdens familiebezoek op het platteland van de ex-DDR de overgang van een Stasi-systeem naar een BRD-maatschappij meebeleefde. Net als op haar vroegere standplaatsen staken spoken uit het verleden steeds de kop op. Het gaat dan om locaal contact, terwijl Dittrich van Weringhs wereld eerder vooral bestond uit ambassadeurs, prinsessen, politici, industriëlen en museumdirecteuren. Zo komen we ambassadeur in Den Haag Otto von der Gablentz (1930-2007) tegen, een specialist in omgang met belast verleden.  
    Het vuistdikke boek leest als een interessante causerie over moderne geschiedenis, met voortdurende vergelijkingen van verleden met heden en het ene land met het andere. Dat kan ook, omdat Dittrich van Wehring dikwijls terugkeerde naar haar oude posten. In Barcelona resideerde een levensecht spook uit het verleden als Duits consul-generaal: de in Praag veroordeelde Blutrichter en oorlogsmisdadiger Franz Nüsslein, later symbool voor de halfzachte denazificatie van het BRD-overheidsapparaat onder Adenauer. Het verslag leest meer als een commentaar op de Catalaanse separatistenstrijd van nu dan over cultuurwerk onder Franco, waar ik ook wel meer over had willen lezen. Over New York gaat het, niet minder actueel, óók over wapenbezit en de NRA. Benieuwd zijn we natuurlijk naar het lange hoofdstuk over Amsterdam. Levendig beschrijft Dittrich van Weringh de schok van de eerste 4 mei-herdenking die ze meemaakte, waarbij zoveel oud zeer naar buiten kwam dat ze zich abrupt buiten de maatschappij voelde staan: ‘Hoe zou ik hier als Duitse bestaan, en ook nog in officiële functie?’ Overal speurde ze ‘stille rouw’ die begrijpelijk was, maar ontmoedigend werkte. Initiatieven boden uitkomst: ze maakte furore met boeken en manifestaties als Nederland en het Duitse Exil 1933-1940 en Berlin-Amsterdam 1920-1940. Amsterdam lijkt de cruciale etappe in haar leven: ze trouwde met criminoloog Koos van Weringh, die ze via een Joseph Roth-project had leren kennen en promoveerde op de Nederlandse speelfilm uit de jaren dertig. Binnen haar nieuwe familie voelde ze zich welkom, maar wantrouwen jegens Duitsers ging nooit weg. Daarbij kwam dat de DDR, pelgrimsgebied voor IKV-dominees en PvdA-ers à la Ien van der Heuvel, voor menigeen zelfs ‘het betere deel van Duitsland’ vertegenwoordigde. Auto’s van gasten met Duitse kentekens werden voor haar huis bewust opengebroken: ‘een Kavaliersdelikt, wraak voor alle in beslaggenomen fietsen ten tijde van de Duitse bezetting.’
      Het boek memoreert twee karakteristieke voorvallen met Duitse politici in Nederland, waar case studies over te schrijven zijn. Legendarisch blijft de confrontatie van CDU-fractievoorzitter Helmut Kohl met een vijandig, respectloos Nederlands televisiepubliek in Pulchri Studio in 1979. We herinneren ons nog de vrouw die Kohl droog liet weten dat haar vader door de Duitsers was vermoord. Hij wist met de situatie geen raad en ergerde velen: ‘Deze humorloosheid, deze arrogantie, typisch Duits.’ Minder bekend is de besloten ontmoeting van bondspresident  Richard von Weizsäcker met Amsterdamse scholieren in het Goethe-Institut in 1985. De 15- tot 17-jarigen ‘gingen direct frontaal in de aanval’ vanwege het Duitse gedrag tijdens de bezetting en dachten ook heel negatief over het moderne Duitsland. Von Weizsäcker was staatsmännischer dan Kohl: hij luisterde aandachtig en ging niet moraliseren. Hij nodigde de scholieren uit naar Duitsland, ontving ze, waarna ze als Von Weizsäcker-fanclub terugkeerden.
      Dittrich van Wehring gewaagt van ‘spaarzame tot gierige, ordelijke, verstandige, rationele, pragmatische Nederlanders.’ Het verschil van Nederland met Vlaanderen blijkt uit lunches: gewend aan de spreekwoordelijke Nederlandse karigheid is het een openbaring om een paar kilometer over de grens ruim onthaald te worden. Veel roddels staan niet in het boek. Ze kon binnen het bestuur van de in Amsterdam zetelende Europese Culturele Stichting goed opschieten met de onpretentieuze prinses Margriet, maar minder met haar niet met name genoemde opvolgster. Dat moet de gretige Petra Brinkhorst alias ‘prinses Laurentien’ zijn: ‘Sie wollte Macht’.
     Behartigenswaardig zijn Kathinka Dittrich van Wehrings notities over de heersende Nederlandse moraal: leven en laten leven, niet je nek uitsteken, maar overactief zijn in de verzuilde wandelgangen. Ze wantrouwt onze veelgeroemde tolerantie: in Nederland is vooral sprake van Wegschau-Toleranz. Dat is een moraal die, doorgeredeneerd, mensen ertoe aanzet vooral geen grenzen te stellen of verantwoordelijkheid te nemen en alleen in naam tolerant te zijn, als vrijbrief voor passiviteit.  Misschien leidt een en ander wel naar onze eigen spoken uit heden en verleden. Drugsbeleid? Belastingparadijs voor multinationals? De koning bij Poetin in Sotsji? Srebrenica?

Kathinka Dittrich van Weringh, Wann vergeht Vergangenheit? Weilerswist-Metternich: Dittrich, 2017. 624 pp. € 19,80 (info@dittrich-verlag.de)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 23 (2018), nr. 1, pp. 70-72.

Frederike Zindler: H. Wielek (Recensie)

H. WIELEK EN DE OORLOG DIE HITLER WON

Als kind zat hij eens op schoot bij Oberbürgermeister Konrad Adenauer, maar in april 1933, vlak na Hitlers machtovername, vluchtte de stateloze Joodse socialist H. Wielek, pseudoniem van Wilhelm Kweksilber (1912-1988), uit Keulen naar Amsterdam. Hij had toen al in eigen beheer de dichtbundel Proletenviertel (1929) laten drukken, cabaret gespeeld en radio- en krantenwerk gedaan. Kunst beschouwde hij als instrument voor culturele vorming, niet als vrijetijdsbesteding of intellectueel genot. Een positie als Exil-auteur verwierf hij in Amsterdam niet. Wel stelde hij, schijnbaar als eerste, een bloemlezing samen van Exil-gedichten, Verse der Emigration (Karlsbad, 1935). Hierin staan ook gedichten van Wielek die vooral politieke agitatie bevatten.  Aansluiting bij Nederlandse schrijvers bleef uit. Ter Braak wees een novelle van hem af: vertaling vond hij niet de moeite waard.
     Wielek, die tijdens de bezetting bij de Joodsche Raad werkte, deelt de tragiek van veel Joodse emigranten: zijn uit Polen afkomstige ouders en zijn zuster, die in zijn kielzog naar Amsterdam uitweken, kwamen om in Sobibor en Auschwitz.  Zelf kon hij uit Westerbork terug naar Amsterdam vanwege zijn gemengde huwelijk met Johanna de la Court, die hij via contacten met de SDAP had leren kennen. Met zoon Erik Kweksilber (1943), die jarenlang boekhandel Godert Walter in Groningen bestierde, doken ze onder. Wielek verwerkte de Holocaust in zijn boek De oorlog die Hitler won (1947) en stelde de bundel Europese verzetspoëzie De stem van Europa (1947) samen. In 1946 werd hij PvdA-lid. Tegelijkertijd ging hij werken bij de Amsterdamse Sociale Dienst, afdeling Culturele Bijstand. In 1948, het jaar van zijn naturalisatie tot Nederlander, zag Wielek kans Erich Kästner naar Amsterdam te halen voor een lezing, de eerste van een Duitse schrijver in naoorlogs Amsterdam. Het Goethe-Institut was er nog niet. Achteraf lijkt dit zijn grootste prestatie in de manifestatiesfeer, waarin hij nog decennia bleef verkeren.
     Een oudere generatie kent Wielek als recensent van Duitse literatuur voor dag- en weekbladen, waarbij hij steevast Exilliteratuur idealiseerde. In de jaren zestig en zeventig zag hij in Duitsland en andere landen tekenen van herlevend fascisme. Het was een reden om Stichting J’Accuse  op te richten, een nieuwe variant van Ter Braaks Comité voor Waakzaamheid. Elk jaar op 4 mei, na de Dodenherdenking, organiseerde de stichting een manifestatie in hotel Krasnapolsky. Zelfoverschatting was Wielek niet vreemd: voor de eerste bijeenkomst in 1969 nodigde hij beroemdheden als Jean Paul Sartre, Marlon Brondo en Vanessa Redgrave uit, maar die bedankten. Heinrich Böll, die hij in de jaren vijftig naar Amsterdam haalde, werd meermaals uitgenodigd, maar zegde steeds af. Günter  Grass nam niet de moeite te antwoorden. Günter Walraff en Beate Klarsfeld lieten zich wel strikken. J’Accuse bleef gaandeweg steken in de vaak drammerig linkse hoek van advocaat Bakker Schut, het Chili-Comité en antiapartheidsorganisaties.
     In de jaren 1973-1979 was Wielek Eerste Kamerlid voor de PvdA. Zijn tweede echtgenote, de journaliste en vertaalster Willij Berg (1919-2004), sleepte hem overal naar mee, toen hij Alzheimer kreeg: ‘Ik kon hem niet naar een verzorgingshuis brengen […]. Ik had het gevoel, dat ik hem dan achteraf alsnog aan een concentratiekamp zou uitleveren.’ Stichting J’Accuse hield op 4 mei 1988 nog een traditionele 4 mei-bijeenkomst, maar na Wieleks dood, een paar maanden later, waren er nauwelijks nog activiteiten. Wielek bleef een marginale figuur: Het Parool was het enige dagblad dat zijn dood meldde.
     We lezen over Wielek in de verrassende dissertatie Kultur ist Politik ist Kultur van Frederike Zindler. Aan menig bekender Nederlands publicist zal nooit zo’n doorwrochten studie worden gewijd. Zindler doet geen poging Wielek belangrijker te maken dan hij is: in zijn speurtocht naar latent fascisme in West-Duitsland en strijd tegen Berufsverbote waren zijn standpunten nogal extreem. Het eigen morele gelijk stond bij Wielek nadrukkelijk voorop. Van oude SPD-vrienden vervreemdde hij. Wieleks artikelen uit Zindlers omvangrijke bibliografie zullen vermoedelijk niet gauw op eigen merites worden herlezen, maar kunnen wel nuttig blijken bij breder onderzoek naar onze linkse beweging en Duits-Nederlandse connecties.
      Niettemin blijft Wielek auteur van een bijzonder boek: De oorlog die Hitler won, de eerste Nederlandse geschiedenis van de Holocaust. Johan Winkler van de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij had de opdracht voor het schrijven van dit boek al in 1941 gegeven aan de later weggevoerde Joodse journalisten Hugo Heijmans (1904-1945) en Herman Jacob Minkenhof (1895-1943). Wielek maakte af waaraan zij waren begonnen. Een deel van het manuscript lag tijdens de oorlog in tuinen begraven. De oorlog die Hitler won werd nooit vertaald of herdrukt. Het is nog altijd een aangrijpend boek, dat, ondanks alles wat sindsdien over de Holocaust is gepubliceerd, authenticiteit heeft behouden. Facsimile afgedrukte documenten, die de bureaucratische perversie van de nazi’s aanschouwelijk maken, ondersteunen geschiedschrijving die is afgewisseld met autobiografische prozafragmenten. Wielek beschrijft het vertrek uit Amsterdam met zijn ouders naar Westerbork: ‘Naast mij strompelen mijn ouders voort; niet veel hebben zij meegenomen en toch is de bagage voor hen al te zwaar.’ Hij kan, onvoorzien, nog afscheid nemen in Westerbork, voor ze de trein naar Polen instappen, beseffend dat ze elkaar niet weerzien: ‘En nooit zal ik de gelukkige gezichten van mijn ouders vergeten, als zij mij op het terrein zien. […] Waarom doen wij niets? Tweeduizend mensen staan hier opeengehoopt. Waarom werpen wij ons niet op hen als wanhopige dieren, waarom…?’ Misschien kwam Wielek in 1947 met dit unieke boek te vroeg. Hoe dan ook, van de oplage van vierduizend exemplaren is er momenteel op internet antiquarisch geen enkel leverbaar.

Frederike Zindler, Kultur ist Politik ist Kultur. Der Emigrant und »Holländer« H. Wielek (1912-1988) als Mittler im deutsch-niederländischen Raum. Wien: Praesens Verlag, 2017. 332 pp. € 32,00 (info@praesens.at)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 23 (2018), nr. 1, pp. 68-70.

Goethes erotica vertaald (Recensie)

GOETHES EROTICA VERTAALD
 
Peter Verstegen (1938) vertaalt bij voorkeur dichters uit het topsegment: Shakespeare, Dante, Rilke, Baudelaire, Milton, Heine, Petrarca. Nu tekent hij met Goethes erotica, toepasselijk in het Goethe-Institut gepresenteerd,voor een vertaling van de ‘Romeinse elegieën’ en ‘Venetiaanse epigrammen’. Het gaat om poëzie van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) uit de jaren 1788-1790 die vanwege de erotische inslag nog lang na zijn dood gecensureerd werd uitgegeven. Goethe, in Rome tegen betaling stamgast bij de jonge weduwe Faustina, draait er niet om heen: ‘Wij genieten de vreugd van authentiek naakte liefde / En het krakende bed deelt met ons mee in de pret.’ Literatuur is ineens ver weg, want daar weet zijn courtisane niets van: ‘Mijn liefje kent Werther noch Lotte, / Kent de naam amper van haar beschermer en man.’ Zelfironie is overal: ‘Dochterlief is, met haar moeder, dolblij met die gast uit het Noorden, / Boezem en schoot van háár: prooi nu van de barbaar.’ Goethes slotakkoord kan niet concreter zijn: ‘Dat aan je middel, een halve voet lang, de prachtige roede / Hoog uit je lendenen veert, steeds als je lief het begeert. / Moge je lid niet verslappen voordat je van alle twaalf standen / Door en door hebt gesmuld die ons Philenis onthult.’ Goethe hanteert de ons weinig vertrouwde vorm van het elegische distichon. Verstegen komt de lezer tegemoet door beklemtoonde lettergrepen halverwege en aan het van einde van de regel te laten rijmen. Hetzelfde geslaagde procédé zien we in de vertaling van de ‘Venetiaanse epigrammen’, waarin we Goethe volgen naar erotische steegjes. Hij geeft ook een geestige samenvatting van Italiaanse toestanden: ‘Waar het volk doelgericht alle toeristen oplicht. […] / Hier wordt de passie gepreekt, discipline ontbreekt. / Elk mens zorgt voor zichzelf, is ijdel, vertrouwt niemand anders, / En ook de top van de staat weet met corruptie wel raad.’ De gedichten zijn voorzien van uitvoerig commentaar. Het is een teken des tijds dat Verstegens sublieme vertaling bij de kleine uitgeverij De Wilde Tomaat verschijnt, die zojuist met Erich Kästners Lyrische Huisapotheek een andere baanbrekende vertaling uit het Duits uitgaf (zie De Parelduiker 2017, nr. 4). Durfden Verstegens oude uitgevers dit tweetalige boek niet meer aan?  Menig lezer zal zich perplex afvragen hoe deze luchtige ondeugendheid überhaupt in het Duits mogelijk is, en dan nog wel bij Goethe.

Goethes erotica. Vert. Peter Verstegen. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017. 172 pp. € 20 (Overtoom 387-hs, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 23 (2018), nr. 1, pp. 72-73.

zaterdag 29 december 2018

Willem Elsschot: onbekende Litouwse vertaling (artikel verschenen)

WILLEM ELSSCHOT: ONBEKENDE LITOUWSE VERTALING ONTDEKT

C.J. Aarts vond in 2018 in een antiquariaat in Vilnius een onbekende Litouwse vertaling van werk van Willem Elsschot uit 1975. Het boek ontbreekt dan ook in Aarts' bibliografie van Elsschot-vertalingen (2008). Het is ook in geen enkele Nederlandse bibliotheek
Achter de schermen: artikel over
onbekende Litouwse Elsschot-
vertaling. C.J. Aarts met het boek
in Vilnius
aanwezig. In Achter de schermen, het blad van het Willem Elsschot Genootschap, verscheen een artikel naar aanleiding van deze bijzondere vondst.


Zie verder: Jan Paul Hinrichs, 'Vilemas Elschotas: onbekende Litouwse vertaling ontdekt', Achter de schermen. Nieuwsbrief van het Willem Elsschot Genootschap 20 (2018), nr. 3-4, pp. 8-9.

zaterdag 8 december 2018

J. van Oudshoorn: Kaarten uit Berlijn (verschenen)

J. VAN OUDSHOORN: KAARTEN UIT BERLIJN

Op 7 december 2018 verscheen bij de Statenhofpers Kaarten uit Berlijn door J. van Oudshoorn. Het boek bevat de teksten van 37 door Van Oudshoorn tussen 1921 en 1929 uit Berlijn verstuurde ansichtkaarten. De kaarten zelf zijn in facsimile separaat bijgevoegd.
Paradiso, 9 december 2018

| Zie verder: J. van Oudshoorn, Kaarten uit Berlijn. Bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2018. 55 pp. Oplage: 60 exemplaren in halflinnen | € 95 + 15 luxe exemplaren in halfoasis (prijs nog onbekend).

De Statenhofpers gaf ook de volgende boeken van en over J. van Oudshoorn uit:
  • Een ietwat vreemd product. Vijf brieven rondom het verhaal 'Doodenakker'. Bezorgd door Jan Paul Hinrichs  (2015)
  • F.B. Hotz: Over J. van Oudshoorn. Vijf brieven aan Wam de Moor. Bezorgd door Jan Paul Hinrichs (2016)
  • Dagboek 1943-1947. Bezorgd door Jan Paul Hinrichs (2016)
  • Dagboek 1934-1943. Bezorgd door Jan Paul Hinrichs (2017)

| Klik voor een rijk geïllustreerde recensie van dit boek hier.