donderdag 3 mei 2012

Ivan Boenin: Verzamelde werken I (Recensie)

SPECIALIST IN MORSIGE TYPES

-------------------------------------------------------------------------
Een drastisch gewijzigde, nieuwe versie van dit opstel is verschenen in een boek met twaalf stukken over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020).
--------------------------------------------------------------------------

Ivan Boenin wordt wel eens ‘de laatste klassieke Rus’ genoemd. Toch is zijn werk, hoe conservatief ook in vormaspecten, inhoudelijk sterker geworteld in de moderne tijd dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Hij werd geboren in Voronezj in 1870, waardoor hij ‘oud’ genoeg was om Tolstoj en Tsjechov nog te ontmoeten en stierf als emigrant in Parijs in 1953. Een hele generatie jongere schrijvers die rond 1917 furore maakte, heeft hij overleefd. Boenin schreef verhalen, een roman, memoires en gedichten. Zijn onbekendste maar misschien wel boeiendste werken zijn zijn dagboeken. In Vervloekte dagen, een dagboek uit Moskou en Odessa uit de jaren 1918-1919, ontrafelt en ontmaskert Boenin het communisme met een scherpzinnigheid waar de ‘dissidenten’ een halve eeuw later eigenlijk weinig aan toe te voegen hadden. Dit boek behoort tot de meest geciteerde literatuur in het hedendaagse Rusland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef Boenin in Grasse in Zuid-Frankrijk een dagboek dat tot op heden niet compleet is uitgegeven, laat staan vertaald, maar dat in de poëtische reacties op een barbaars wereldgebeuren lectuur vormt die zich ademloos laat lezen.
     Boenin schreef weinig waar hij zich later voor heeft hoeven schamen. Van meet af aan stelde hij zich op tegen totalitarisme, of het nu kwam van de communisten of van de nazi’s, met wie menig Russisch emigrant in Frankrijk sympathiseerde. In sarcastische herinneringen aan figuren als Gorki en Majakovski laat Boenin zich enigszins kennen als de ongenaakbare aristocraat die op ‘proleten’ afgeeft maar in al zijn subjectiviteit is hij zeker niet oneerlijk. Omdat Boenin verre stond van allerlei stromingen die ophef veroorzaakten, werd hij in de westerse literatuurkritiek nogal stiefmoederlijk behandeld. Maar nu de balans kan worden opgemaakt van de Russische literatuur van deze eeuw komt de afzijdige, schijnbaar zo negentiende-eeuwse Boenin als een gestalte naar voren die meer van de Russische werkelijkheid begreep dan velen die er schijnbaar midden in stonden.
     Wat Boenins werk tot een verademing maakt is zijn kosmopolitische houding, afkeer van moralisme en het primitieve nationalisme dat men bij zo veel Russische auteurs aantreft. Bij hem vindt men geen lofzangen op de Russische of Slavische ziel, de Russische geschiedenis, taal of de orthodoxie. Ook heeft Boenin het Rusland van voor de revolutie niet geïdealiseerd. Een boer in het nu vertaalde lange verhaal ‘Het dorp’ vertolkte ongetwijfeld de gedachten van de schrijver: ‘Het eeuwige Russische lied, broer: leven als een zwijn is walgelijk, maar toch leef ik als een zwijn en dat zal ik blijven doen ook.’

Toch was Boenin, wiens proza nu in vier delen in het Nederlands verschijnt, eigenlijk geen prozaschrijver maar een dichter. Zijn grote kracht ligt niet in plots en vertellen, maar in beschrijven en het verwoorden van zijn hoogst persoonlijke gevoelens en gedachten over eeuwige zaken als liefde, dood, natuur en kortstondigheid van geluk. Poëzie vormt de ware kern van zijn oeuvre. Opvallend is dat hij vrijwel ophield met het schrijven van gedichten na zijn vertrek uit Rusland (1920). Hierna legde hij zich weliswaar volledig op proza toe maar zijn grootste kracht bereikt hij in proza met een sterk lyrisch gehalte. Zijn meesterwerk is de ‘Proustiaanse’ autobiografische roman Het leven van Arsenjev (1930, voltooid in 1939). Korte verhalen die volledig beantwoorden aan de eisen van het genre schreef hij pas, toen hij al over de zeventig jaar oud was, in Grasse tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gebundeld werden deze in Donkere lanen (1946). Zelf beschouwde Boenin dit boek als zijn beste werk, maar inmiddels speelde hij in het literaire leven geen belangrijke rol meer.
     De toekenning van de Nobelprijs in 1933 heeft Boenin ook zeker geen blijvende aandacht bezorgd, al vormde dit wapenfeit het startsein voor de vertaling van zijn werk in vele landen. Voor 1933 was in Nederland geen werk van Boenin in boekvorm uitgekomen. In 1934 verschenen maar liefst vijf afzonderlijke uitgaven: de verhalen Het dorp, Mitja’s liefde en De zaak kornet Jelagin, de roman Het leven van Arsenjev en de verhalenbundel De heer uit San Francisco.  Waarschijnlijk is iets zonder betaling of toestemming uitgegeven, want in een brief uit 1949 aan de schrijfster Zinaïda Sjachovskaja vloekt Boenin op ‘schofterige Hollandse uitgevers’. Zelfs nam hij de Arnhemse advocaat G. Oskam in de arm, die hem bezocht, ‘veel woorden sprak waaruit ik opmaakte dat de zaak voortreffelijk ging, en die daarna spoorloos verdween – tot op heden taal noch teken van hem!’ Naspeuringen in deze richting liepen enige jaren geleden stuk op een oude secretaresse die schijnbaar geen stukken van haar baas bewaard had.
     Na de oorlog werd het in Nederland stil rond Boenin, al werd hij in de jaren vijftig nog eens obligaat uitgegeven in de reeks Pantheon der Winnaars van de Nobelprijs voor Literatuur. In de jaren tachtig gaven De Arbeiderspers (Het laatste rendez-vous, 1980) en Pegasus (De spraakkunst der liefde, 1988) nog eens zonder veel succes verhalenbundels van Boenin uit. Het is moedig dat uitgeverij Van Oorschot een schrijver in vier delen uitgeeft, van wie in tegenstelling tot de nu ook in de Russische Bibliotheek opgenomen Boelgakov geen vertalingen meer in de handel waren en die sinds de jaren 1933-1934 niet noemenswaardig in de belangstelling heeft gestaan.
     Het eerste deel bevat een ruime keuze uit de verhalen uit de jaren 1892-1912. Deze vroege verhalen zijn mooi vertaald, maar moeten gezien worden binnen een ontwikkeling die later naar een duidelijk hoger niveau leidt. Alle verhalen in dit deel spelen op het platteland van Boenins jeugd in Centraal-Rusland. De geografische eentonigheid wordt versterkt door veelal deprimerende stemmingsbeelden. Enige lyrische meesterwerken had Boenin evenwel ook op zijn naam staan: de verhalen ‘Antonappelen’, over jeugdherinneringen die door de geur van appels worden gedragen, ‘Bij de bron der dagen’, een aangrijpend verhaal over de sfeer in een huis bij de dood van een meisje, en ‘Soechodol’, over een vergaan adellijk landgoed. In veel vroege verhalen mist Boenin niettemin het vermogen een sterke plot op te zetten en de spanning erin te houden en is hij meer in beslag genomen door zichzelf dan door zijn helden. Hij legt hen zijn eigen gedachten in de mond en plaatst hen tussen natuurschilderingen die meer eigen behoeften dienen dan die van zijn verhaal. Het gaat Boenin beter af naarmate de ‘ik’ in zijn verhalen dichter bij zijn eigen persoon staat. Hij moet het hebben van het strikt individuele, van de spanning die van zijn eigen adem en emoties uitgaat. Herinneringen spelen dan vaak een enorme rol. Net als een persoon in het verhaal ‘Soechodol’ lijkt hij ‘mateloos in de macht van de herinneringen, van de steppe, van het trage bestaan […]’.
     Evenals bij Tsjechov, met wie hij bevriend was en aan wie hij een omvangrijk maar door zijn dood onvoltooid boek met herinneringen wijdde (Over Tsjechov, 1955), zijn Boenins helden gewone mensen. ‘Het dorp’, het langste verhaal in deze bundel, is een portret van een Russisch dorp van vlak na de eeuwwisseling. Eigenlijk heeft Boenin met dit dorp heel Rusland willen beschrijven. Hij laat een boer ook zeggen: ‘Heel Rusland is een dorp. […] Het vee stampt iedere avond door de straten, je kunt van het stof je eigen buurman niet zien.’ Hoewel ‘Het dorp’ een verhaal over de lotgevallen van twee broers is, vervaagt de plot weer onder het gewicht van Boenins eigen gedachten die sterk op het verhaal drukken. Weinig aandacht heeft hij voor het innerlijk leven van zijn helden. Opvallend is overigens dat Boenin nauwelijks een onderscheid aanduidt tussen edellieden en boeren: hij wijst juist op hun gelijkheid.
     ‘Het dorp’, dat wil zeggen Rusland, verschijnt als een panorama van morsigheid, modder, schimmel en mist. In dit verhaal is Boenin eropuit een verband te schetsen tussen de bevrijding van de boeren, hun vertrek van de geboortegrond en moreel verval. Op de eerste bladzijde wordt de toon reeds gezet: ‘Het lukte de grootvader van de Krasovs een vrijbrief te krijgen. Hij vertrok met zijn gezin naar de stad en maakte al snel naam: als meesterdief.’ En zijn zoons gingen na een aantal jaren als rondreizende handelaars opgetrokken te hebben ‘elkaar op een keer bijna met messen te lijf en besloten, om erger te voorkomen, uit elkaar te gaan’. Boenin schildert in ‘Het dorp’ de pijlsnelle ineenstorting van wat hij als een harmonieus Russisch plattelandsleven zag. Met de verdere geschiedenis achter de hand bekruipt je steeds het gevoel dat hier mensen zijn getekend die wachten op het sein voor een finale afrekening met elkaar. Haast treiterend laat Boenin in deze broeierige sfeer de Russische afgang in de oorlog met Japan zo nu en dan doorschemeren.
     Boenin weet met verbluffende precisie morsige typen te schilderen. In het verhaal ‘Een nachtelijk gesprek’ beschrijft hij een boer aldus: ‘En een ogenblik later zag de student met afschuw en ontzetting iets wat hij vroeger zo vaak en zonder opwinding had gezien: de blote voet van een boer, dodelijk bleek, enorm groot, plat met de vormloos vergroeide teen die scheef over de tenen lag, en een mager behaard scheenbeen, dat Fedot, nadat hij de voetlappen had afgewikkeld en neergegooid, stevig en met verbeten genot begon te wrijven en te krabben met zijn harde klauwachtige nagels.’ In zijn memoires portretteert Boenin een man als Majakovski ook uiterst onsmakelijk.
     De vroege verhalen maken duidelijk hoezeer Boenins levenshouding, ook op politiek gebied, esthetisch bepaald was. De ‘revolutie’ bracht allerlei personen en dingen op de voorgrond die hem visueel al niet aanstonden. Volgens zijn eigen zeggen bezorgde de kleur rood hem, in revolutionair Odessa, ook al was die van een kamerjas, ‘fysieke kwellingen’. In zijn dagboek uit de Tweede Wereldoorlog weerhoudt alleen al de náám van steden als Leningrad, Gorki en Kalinin, genoemd naar ‘onbenullige figuren, van het type opmaker in achteraf gelegen drukkerij’, Boenin ervan zich voluit met de Sovjetstrijd tegen de nazi’s te identificeren.
     Tot slot heb ik een wens. De vertaling van de vier delen Boenin is in handen van doorgewinterde poëzievertalers. In het plan van de uitgave is van gedichten geen sprake. Boenin schreef er honderden waarvan een groot aantal de tand des tijds heeft weerstaan. Ik geloof dat Boenin een enorme dienst zou worden bewezen wanneer in het laatste deel ook gedichten komen. Vaak lijkt zijn proza namelijk een commentaar op wat hij in meer beknopte en geladen manier al eens in een gedicht heeft uitgedrukt.

Rec. van I.A. Boenin, Verzamelde werken, dl. I. Verhalen 1892-1913 (vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes), Uitg. G.A. van Oorschot, 1995.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 4 maart 1995, pp. 75-76.

           

Hugin & Munin

DE MEESTER VAN DE BALZAAL
JAN ERIK BOUMAN (1947-2010) EN DE EXCLUSIEVE PERS HUGIN & MUNIN


Uitgaven van Hugin & Munin | Foto Jan Paul Hinrichs

In september 2009 ontving ik een mailtje van de mij onbekende Utrechter Jan Erik Bouman die zich voorstelde als bibliofiel drukker. Hij was een bewonderaar van de poëzie van de Russische dichter Valeri Perelesjin (1913-1992) die ik, als net afgestudeerd slavist, in de jaren tachtig van de vorige eeuw had vertaald. Hij vroeg me een paar gedichten van Perelesjin te vertalen voor zijn bijdrage aan een ‘vriendenboek’ ter ere van een collega-drukker. ‘Het maken van zulke nogal exclusieve “vriendenboeken” is een traditie onder een groep literair geïnteresseerde looddrukkers’, legde Bouman uit. ‘De bedoeling is dat iedere deelnemer zo zelf eenmaal aan de beurt komt. Aanleiding was vaak iemands vijftigste verjaardag. De deelnemers leveren in de afgesproken oplage, in dit geval 50 stuks, hun blad of dubbelblad in en krijgen daarvoor, net als de jubilaris, op de feestdag een handgebonden exemplaar van alle inzendingen uitgereikt.’ Los daarvan wilde Bouman een apart uitgaafje van Perelesjins gedichten laten verschijnen. Dit gebeurde allemaal onder het impressum Hugin & Munin, zijn pers die mij ook onbekend was.


Valeri Perelesjin in Den Haag, mei 1986.
Валерий Перелешин в Гааге, май 1986 г.

Foto / Copyright © Jan Paul Hinrichs


Hoewel ik al lang geen poëzie meer vertaalde, nam ik de uitdaging aan. Ik waarschuwde Bouman wel dat mijn oude gewoonte om berijmde verzen onberijmd te vertalen onder ‘professionele vertalers’ als niet erg serieus gold, maar dat vond hij geen bezwaar. Hij hoopte op sonnetten over ‘de nacht, eenzaamheid, verval, het boek, ontmoetingen op straat, vriendschap, de dood etc.’ en die kreeg hij. Zo ontving ik in het voorjaar van 2010 een stapeltje van het uitgaafje Dag en nacht: vijf verzen uit Ariël. Naast de vijftig exemplaren voor het peperdure vriendenboek Sub rosa waren twintig exemplaren met een op de verguldpers gestempeld omslag los verschenen.
 
Valerij Perelesjin in Gouda, mei 1986.
Валерий Перелешин в Гауде, май 1986 г.

Foto / Copyright © Jan Paul Hinrichs
De boekjes kreeg ik van een vriend van Bouman die meldde dat hij in het ziekenhuis lag. Enige tijd later schreef Bouman me dat hij niet meer zou herstellen. Begin augustus 2010 ontmoette ik hem voor het eerst. Achter de Maliebaan woonde hij op de benedenverdieping van een veredeld studentenhuis waarvan hij zei ooit een van de eigenaars te zijn geweest. Zijn behuizing bestond uit één grote hoge kamer met een keuken in de hoek. Aan alle wanden stonden donkere boekenkasten waarin me planken met Franz Kafka, Joseph Roth en vertaalde Chinese poëzie opvielen. Een bed verschool zich achter een kast in het midden van de kamer. In een hoek stond een proefpersje. Aan de wanden hing fraaie kunst, waaronder een paar houtsneden van Jan Mankes en een Kavafis-ets van David Hockney. Overal lagen mappen en stapels. Dit was het bomvolle domein van een fanatieke lezer, collectioneur en looddrukker waarbij de buitenwereld in het niet viel.
     Bouman was verzwakt maar in goede stemming. Hij zei dat hij longkanker had en rondliep met een levensvooruitzicht van tussen drie en acht maanden. Onlangs was hij hertrouwd met de vrouw van wie hij decennia eerder was gescheiden. Over zijn leven vertelde hij verder niet veel. Ik begreep dat hij werkzaam was geweest in de sociale sector. Ondanks zijn ziekte draaide hij het ene shagje na het andere.
    Ik weet niet hoe Bouman op de naamgeving van zijn pers is gekomen. In de Noordse mythologie zijn Hugin en Munin de raven van oppergod Odin die dagelijks over alle negen werelden vliegen en aan het eind van de dag terugkeren om Odin al het nieuws in te fluisteren. Nieuwsgierig naar de achtergronden van de dingen die hij mooi vond, was Bouman zeker. Uit de correspondentie die ik met hem rond de Perelesjin-uitgave voerde, maakte hij de indruk van iemand met een groot vermogen voor bewonderen en inleving (‘ik hoor de dichter, parlando, hij is heel nabij’) gepaard aan extreem perfectionisme.
     Dat gold niet alleen de typografie. Heel precies was hij ook als het ging om de inhoud en stijl van wat hij drukte. Een vijftal voorstellen voor verbetering van mijn vertalingen nam ik moeiteloos over. Van Perelesjin wist hij verder alles wat hij, het Russisch niet machtig, kon weten. Ook specialistische Engelstalige publicaties had hij gelezen.
     Bouman deed zijn drukkerswerk als een geroepene maar makkelijk ging het hem kennelijk niet af. Zo schreef hij me: ‘Ik stel dat ik nooit in opdracht druk. En dat is ook zo, al bezweek ik eenmaal, uit ijdelheid, toen ik een tekst van Gerard Reve mocht drukken (La Grâce – enige aanwijzingen [Utrecht, André Swertz & Cie, 2002], in 100 nog net gesigneerde exemplaren). De voor mij belangrijkste uitgaven waren echter teksten van Kees Ouwens en James Purdy. Gemakkelijk valt het drukken mij niet, want het is een krankzinnig dievenwerk, vooral wanneer je je realiseert dat die proefpersjes ooit alleen maar voor de zetterij bedoeld waren, om de drukker schoon zetsel te kunnen leveren. Ze hebben een heel beperkt inktwerk, terwijl je snakt naar perfectie. En dan, de computer en de kleurenprinter verschaffen inmiddels in een oogwenk prima resultaten. Nu nog met loden letters drukken is een soort vendelzwaaien. Als het eenmaal klaar is, foutloos?, dan slaak ik de diepste zucht van verlichting.’
     De drang om iets te drukken leek bij Bouman vooral met contacten in de vriendensfeer samen te hangen. Veel van zijn uitgaven ontstonden voor ‘vriendenboeken’ (feitelijk soms ‘vriendendozen’) als het genoemde Sub rosa, uitgegeven door Sub Signo Libelli. Zelf kreeg Bouman in 2007 ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag van een aantal collega-drukkers het in dertig exemplaren gedrukte ‘vriendenboek’ Kafka in de Ballroom  aangeboden, een bundel met werk van en over Kafka dat verscheen bij de Haagse Statenhofpers. De titel verwijst naar Boumans behuizing annex drukkerij, een voormalige balzaal.
     We spraken nog een keer af. Het plan was dat ik dan ook alle uitgaven van Hugin & Munin door mijn handen zou laten gaan om er een lijst van te maken. Bouman liet me weten dat de tijd drong, maar hij zegde de afspraak voor half september 2010 niet af. Ik trof op zijn kamer zijn vrouw en andere familieleden aan. Een lijst met namen en adressen lag op tafel. Hij lag in bed en ik kon hem nog de hand schudden, maar praten lukte hem nauwelijks meer. Hij was wel zeer helder. Ik had voor hem het affiche meegebracht van de Leidse Perelesjin-tentoonstelling uit 1986: een rokende halfblinde dichter uit Rio de Janeiro die ons had samengebracht, keek vanaf het blauwe papier met zijn ene oog ironisch toe. Hij kon er nog om glimlachen.
     Op verzoek van Bouman kreeg ik drie platte dozen overhandigd waarin hij privé-exemplaren van zijn pers bewaarde. Die kon ik meenemen en thuis inzien. ‘Dat was zijn hele leven’, zei een van de familieleden over die dozen. Bouman deed bij leven afstand van zijn kostbaarste bezit: een exclusief oeuvre dat buiten de kring van twee dozijn looddrukkers niet bekend is, verliet misschien voor het eerst zijn huis, en wel in handen van iemand die hij eerder maar één keer een halve middag had gezien en die eigenlijk niets van hem wist. Het duurde allemaal geen tien minuten maar de regie leek van Bouman te zijn geweest. De volgende dag is hij overleden, drieënzestig jaar oud.
     Thuisgekomen zette ik alle boeken chronologisch op een rij, dertig centimeter subliem handwerk. Het waren meestal de nummers 1 en I van zijn uitgaven, de gebonden naast de gebrocheerde edities, soms op afwijkend papier, soms voorzien van bijzondere opdrachten of losse handschriften, correspondentie, foto’s en prospectussen waarmee het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx ze op de markt bracht. In dit antiquariaat zijn ook enkele van de uitgaven gedrukt. Blijkens de colofons besteedde Bouman het zetwerk ook wel eens uit.
     Enige uitgaven ontbraken die mij uit andere bron bekend waren maar in de dozen zaten wel twee veelzeggende oeruitgaven die niet van Hugin & Munin waren. In 1993 had Bouman onder het impressum ‘From the Ballroom’ Purdy’s Kitty Blue: a fairy tale laten drukken. Als toegift staat in dit boek een gedicht van Purdy voor ‘The master of the ballroom’, dus Bouman zelf. Het handschrift van dit gedicht lag ook in het boek. Het jaar daarop gaf de Avalon Pers Purdy’s verhaal Reaching Rose uit gecombineerd met een losse editie van de Nederlandse vertaling Terug naar Rose. De vertaling is van de hand van Bouman, een van de weinige vertalingen van zijn hand die zich liet traceren. In beide uitgaven staat een fragment uit een brief van Kees Ouwens aan Bouman waarin deze commentaar geeft op deze meesterlijke schets van een eenzaam leven. Weer een jaar later, in 1995, begon Bouman het impressum Hugin & Munin, met dezelfde Purdy  - die Johan Polak al eens in 1973 uitgaf - en Utrechter Ouwens als belangrijkste auteurs. Hun boeken zijn ook de omvangrijkste en stevigste uitgaven van de pers. In engere zin zullen ook deze een soort ‘vriendenboeken’ zijn geweest.
     Eenzaamheid, nacht, vriendschap, dood – de sfeer die Jan Erik Bouman van Perelesjin verwachtte, spreekt meestal ook uit de andere uitgaven van Hugin & Munin. Het lijkt geen toeval dat we Kavafis twee keer aantreffen. Hoe verborgen en beperkt van omvang ook, het fonds heeft wel een eigen gezicht.

Fondslijst Hugin & Munin (1995-2010)

Kees Ouwens, Voorbereidselen tot de reis naar de zeearmen. 1995.  Opl. 60 ex.
Franz Kafka, Zurück Brüder. 1996. Opl. 27 ex.

Kees Ouwens. Je leven. 1996. Opl. 75 ex.

Kees Ouwens, In memoriam patris. 1996. Opl. 15 ex.

Kees Ouwens, Van de verliezer en de lichtbron. 1996. Opl. 76 ex.

Henk van Dijk, De liefhebber. 1997. Opl. 10 ex.

Georg Heym, De boom (vert. Paul van den Hoven). 1997. Opl. 40 ex. [Gedrukt voor Hans van Eijk.]

James Brockway, Cold encounter. 1997. Opl. 36 ex.

Jan Hanlo, Wat zal ik voor je kopen zoon. 1997. Opl. 36 ex. [Gedrukt voor Gijs Schipper.]

Jacob Israël de Haan, Een jongen met één oog. 1998. Opl. 110 ex.

Alfred Kossmann, Nacht van de slechte slaper. Nikolaus Lenau, De drie zigeuners (vert. Paul van den Hoven). 1999. Opl. 60 ex. [Gedrukt voor Pim Witteveen.]

James Purdy, Kitty Blue: ein Märchen  (vert. Tanja Schmidt). 1999. Opl. 60 ex.

James Purdy, Brawith: a story. 1999. Opl. 75 ex.

K.P. Kavafis, De kat: twee gedichten  (vert. Marko Fondse). 2000.  Opl. 47 ex. [Gedrukt voor Hester Verkruissen.]

James Clarence Mangan, The dying enthusiast to his friend: a poem. 2000. Opl. 66 ex. [Gedrukt voor Kees Thomassen.]

Po Chü-I, On a box containing his own works (vert. Arthur Waley). 2000. Opl. 100 ex. [Gedrukt voor Jan Keijser.]

Lu Kai, Toen ik een bode trof naar het noordwesten... (vert. W.L. Idema). 2001. Opl. ca. 80 ex. [Gedrukt voor Frans de Jong.]

Kees Ouwens, Etgroen. 2002. Opl. 99 ex.

K.P. Kafavis, Kunstbloemen: zeven vertalingen (vert. Leo Gillet e.a.). 2003. Opl. 72 ex. [Gedrukt voor Kitty Keijser.]

Omer K. de Laey, Zworte schimmen. 2004. Opl. 60 ex. [Gedrukt voor Ernst Willem Boissevain.]

Uit het dagboek van C.O. Jellema, eerste helft jaren negentig. 2004. Oplage onbekend. [Gedrukt voor Frans den Breejen.]

Jacob Israël de Haan, Regenende morgen. 2004. Oplage onbekend. [Gedrukt voor Marijke Stapert-Eggen.]

Rainer Maria Rilke, De schaal met rozen (vert. Peter Verstegen). 2005. Opl. 36 ex. [Gedrukt voor Marlies Louwes.]

Jac. van Looy, De dood van mijn poes. 2005. Opl. 44 ex. [Gedrukt voor Jaap Schipper.]

James Purdy,  The blue house: twenty-four poems. 2005. Opl. 80 ex.

Paul van Ostaijen, Alpenjaegerlied & der Pleitejazz. 2007. Opl. 70 ex. [Gedrukt voor René Hesselink.]

Valeri Perelesjin, Dag en nacht : vijf verzen uit Ariël (vert. Jan Paul Hinrichs). 2010. Opl. 70 ex. [Gedrukt voor Ger Kleis.]
Met dank aan René Hesselink

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in De Parelduiker 15 (2010), No. 5, pp. 62-67. Deels overgenomen in: Jan Paul Hinrichs, Senhor Valério (Nijmegen: Flanor, 2011), en, in gewijzigde vorm opnieuw in: Jan Paul Hinrichs, Senhor Valério (Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016).

Foto Jan Paul Hinrichs
 

woensdag 2 mei 2012

Kees Verheul over Joseph Brodsky (Recensie)

ALLEEN IN ANDERHALVE KAMER OP ZIJN GEMAK

Toen Iosif Brodski (1940-1996) in 1972 vanuit Leningrad naar het Westen uitweek, ging voor hem een lang gekoesterde wens in vervulling. Hij was geen dissident: over zijn jaar verbanning na een veroordeling wegens klaploperij in 1964 heeft hij zich schijnbaar ook nooit beklaagd. Je krijgt de indruk dat alle publiciteit daarover hem eigenlijk goed van pas is gekomen. Eenmaal in het Westen kwam hij meteen goed terecht: in Londen ontfermde zich de dichter W.H. Auden over hem en spoedig werkte hij, inmiddels als Joseph Brodsky, als poet in residence aan een Amerikaanse universiteit. Brodsky heeft gedurende de bijna kwarteeuw dat hij in het Westen verbleef niet te klagen gehad over een gebrek aan vrienden. Netwerken van vrienden bestieren, was ook een van zijn succesvolste bezigheden. Kees Verheul behoorde tot zijn oudste vrienden en heeft veel over hem geschreven: recensies, wetenschappelijk werk, inleidingen bij vertalingen, herinneringen. In Dans om de wereld bundelt Verheul stukken uit de jaren 1975-1996. De titel verwijst niet naar Brodsky’s uitgaansleven, maar naar de motoriek van zijn gedachten: ‘Hij hoorde tot het type dat in een balzaal wrevelig toekijkt vanuit een stoel […] Dansen deed Brodsky in zijn verzen en essays, naar hartelust.’
     Als het waar is dat men nergens gemakkelijker vrienden voor het leven maakt dan in het leger en in de gevangenis, dan gold dat zeker ook voor het oude Oostblok. In een voorwoord noemt Kees Verheul zijn studietijd in de Sovjet-Unie een tijd van ‘dreiging, absurde verdeeldheid maar ook unieke kansen’. Als westerling kon men deuren gesloten vinden, maar evenzeer razendsnelle introducties krijgen. Verheul belde de semiclandestiene dichter Iosif Brodski in 1967 in Leningrad op en kon meteen langskomen. De vriendschap was direct beklonken en duurde tot aan de dood van de dichter. In het verslag van deze kennismaking, eerder verschenen in zijn debuutboek Kontakt met de vijand (1975), kiest Verheul voor een sobere, psychologiserende aanpak. Het beeld rijst op van een onzekere, ambitieuze dichter zonder opleiding die houvast zoekt bij een degelijke westerse promovendus. Hoewel men weinig proeft van de sovjetsfeer van die dagen, schetst Verheul wel de ‘anderhalve kamer’ in Leningrad, lang voordat Brodsky daar zelf zijn onvergetelijke herinneringen aan schreef.
     Brodsky is naderhand vaak in Nederland geweest. Dat hij als Petersburger een affiniteit met Nederland en Amsterdam voelde, is niet bijzonder. Het levensverhaal van Peter de Grote, de Hollandse elementen in het stadslandschap en de Rembrandts en andere meesters in de Hermitage maken van Petersburg een natuurlijke pendant van Amsterdam. In Brodsky’s poëzie komen Nederlandse thema’s veelvuldig voor. Verheul maakt veel werk van het blootleggen van verbanden tussen Nijhoff en Brodsky, vooral tussen Nijhoffs gedicht ‘Lied der dwaze bijen’ en Brodsky’s ‘Herfstkreet van de havik’. Brodsky heeft zich bewonderend over Nijhoff uitgelaten; toch laat de ingetogen, oer-Hollandse, traditionele dichter zich over de breedte moeilijk vergelijken met de grillige Rus Brodsky. In ieder geval krijgt men niet het gevoel dat men door Nijhoff Brodsky anders ziet of omgekeerd. Dit stuk leest dan ook allereerst als een speurtocht naar een gemeenschappelijke grond tussen Brodsky en Verheul onderling.
     Minder particulier en veel overtuigender vind ik de vergelijkingen die Verheul trekt tussen Carel Willink en Brodsky naar aanleiding van diens magistrale gedicht ‘Op een expositie van Carel Willink’. Brodsky moet in 1991 over de schilder hebben gezegd: ‘If I were a painter, this is what I would do on canvas.’ Verheul citeert zijn eigen dagboek, een notitie van een wandeling tijdens de Petersburgse witte nachten, nog van voor de tijd dat Brodsky zijn Willink-gedicht had geschreven: ‘Alleen hier en daar wat voetgangers. Het Winterpaleis, het uitgestrekte plein daarvoor, en in de verte de Isaakkathedraal onder een dreigende zomerlucht – Willink op z’n best.’ Petersburg, de stad der façades, dat grootse operadecor dat  eigenlijk los staat van de bewoners, die ‘verlaten filmset’ (Kees van Kooten) als stad van Carel Willink: voor mij is dit een gouden vergelijking. De onrustige, fatale sfeer en leegte uit Willinks schilderijen (‘A post-mortem of culture,’ aldus Brodsky) hangt over Brodsky’s poëzie, en niet alleen in dit ene gedicht.
     Het stuk over Willink is de bekroning van deze indringende bundel waarin Verheul Brodsky ‘mijn op één na dierbaarste vriend en de beste dichter van mijn generatie’ noemt. Niettemin laat hij zich niet verleiden om al te veel anekdoten over de beroemdheid te vertellen en heeft hij zich ook als criticus niet laten uitschakelen. Zo schrijft hij naar aanleiding van de essaybundel Less Than One: ‘Brodsky’s redenaties kunnen soms puur kunstig zijn – zo barokkunstig dat de substantie er zoek is. En zijn beelden zijn af en toe té mooi […].’ Brodsky getuigde van een verbale bezetenheid en spreekdwang waarbij hij zichzelf niet altijd in de hand leek te hebben. Hij leek ook voortdurend in gevecht met de taal: hij wilde immers niet alleen weg uit de Sovjet-Unie, maar ook uit de Russische taal. Niettemin was hij geen gelukskind als Vladimir Nabokov die door afkomst en opleiding veel van de cultuur cadeau had gekregen die Brodsky moest bevechten. Diens inspanning om Anglo-Amerikaans auteur te worden, heeft in mijn ogen iets van een hypercorrectie, een afrekening van de autodidact met zijn geringe opleiding. Daarom komt zijn Engels soms ook zo krampachtig over: alsof hij dichtte met een woordenboek naast zich en woorden inlaste die hij zelf amper kende.

In Dans om de wereld heeft Kees Verheul niet het definitieve portret van een ster willen maken: het boek laat voor de lezer genoeg ruimte over om het portret van Brodsky zelf af te maken. ‘Je bent mijn spiegel,’ moet Brodsky Verheul geschreven hebben. Dat was, krijg je de indruk, wat Brodsky steeds zocht: een spiegelbeeld, een klankbord waarop hij blindelings kon vertrouwen. Uiteindelijk krijgt Brodsky, met al zijn ongedurigheid, in Verheuls fragmenten iets opgejaagds: zijn vrienden waren alles voor hem, zonder hen leek hij hulpeloos. Ondanks de brede, ogenschijnlijk kosmopolitische thematiek in zijn werk leek hij sterk gehecht aan vertrouwdheid van heel nabij. Zo is het of hij die Leningradse ‘anderhalve kamer’, volgens Verheul de enige plaats waar hij zich echt op z’n gemak voelde, ook als emigrant steeds heeft gezocht. Andere steden, vooral Venetië, krijgen in zijn beschrijvingen ook onmiskenbaar de trekken van een mistroostig, regenachtig Leningrad. In die zin is Brodsky de Sovjetburger gebleven die hij misschien eigenlijk niet meer wilde zijn.

Jan Paul Hinrichs

Rec. van Kees Verheul, Dans om de wereld. Fragmenten over Joseph Brodsky, Uitg. Querido, 1997.

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 3 mei 1997, p. 69.

Jaan Kross: Twee romans

WIE IETS WEZENLIJKERS WIL BLIJFT THUIS

 ‘Het vaderland maar half dienen zou een misdaad zijn. Maar het volledig en werkelijk dienen op de manier van Timo zou gekheid zijn. Is er misschien een middenweg? Of zijn alle mogelijkheden altijd niet meer dan middenwegen?’ Aldus Jakob, zwager van genoemde Timo, op 19 augustus 1828 in het fictieve dagboek dat de Estse auteur Jaan Kross publiceert in zijn roman De gek van de tsaar (1978). Het is een passage die de kern raakt van de romans van Kross, waarin de hoofdpersonen steeds voor de pijnlijke keus worden gesteld zich te schikken in een bestaande toestand of principieel voor eigen idealen op te komen. Tegelijkertijd lijkt Kross over de problemen van een negentiende-eeuwse romanheld heen iets over het leven in Estland onder Sovjet-bezetting te zeggen. Is het zinnig, zo zou men Kross kunnen parafraseren, om principieel voor de Estse onafhankelijkheid op te komen met het risico naar een Siberisch kamp afgevoerd te worden, of is het mogelijk door compromissen met de Sovjet-bezetter te sluiten iets van de eigen identiteit en die van het Estse volk te verdedigen?
     Lange tijd ontleende veel Oost-Europese literatuur haar kracht aan de politieke context waarin die was ontstaan. Westerse lezers lazen met name Russische boeken met een ideologisch oog en smulden als er iets werd gezegd dat de Sovjet-autoriteiten onwelgevallig moest zijn. Het verdwijnen van de communistische censuur in Oost-Europa maakt de politieke lading van de literatuur ineens van ondergeschikt belang: romans kunnen alleen nog door een hoog artistiek gehalte overleven. Jaan Kross schrijft dergelijke boeken, historische romans over Estland. De lezer hoeft niets van het communisme, Estland en de Estse tradities te weten om geboeid te kunnen worden door zijn proza dat niettemin de totalitaire werkelijkheid van de Sovjet-Unie diepgaander analyseert dan de getuigenissen van menig Russisch ‘dissident’. Het werk van Kross lijkt een bewijs voor de stelling dat de Sovjet-censuur schrijvers ertoe dwong een bepaalde richting te kiezen die de literatuur ook nogal eens ten goede kwam.

Van het leven van Kross weet ik niet veel. Hij is in 1920 in Tallinn geboren. Zijn jeugd speelt zich af tijdens de eerste periode van onafhankelijkheid van de Estse staat, die van 1918 tot 1940 duurde. In 1944 beëindigt Kross een rechtenstudie aan de universiteit van Tartu waaraan hij vervolgens als docent werkt. Daarna brengt hij enige jaren in Siberië in gevangenschap door. In het midden van de jaren vijftig begint Kross, inmiddels terug in Tallinn, aan een carrière als dichter, essayist en vertaler. Later treedt hij ook naar voren als romanschrijver. Het is in die hoedanigheid dat hij het meeste succes boekt. De afgelopen tijd kreeg Kross internationaal bekendheid door de romans De gek van de tsaar en Het vertrek van professor Martens (1984) die in vele talen, waaronder het Nederlands, in vertaling verschenen.
     De gek van de tsaar speelt op Baltische landgoederen, een feodale wereld die mij in de literatuur vooral bekend was uit de melancholieke impressionistische novellen van de Duits-Koerlandse graaf Eduard von Keyserling (1855-1918). In dezelfde sfeer begint ook het uit 1801 daterende picareske geschrift Das merkwürdigste Jahr meines Lebens van de toneelschrijver August von Kotzebue (1761-1819). Hierin verhaalt Korzebue van zijn vlucht door de bossen van Koerland, als hij zich heeft weten te ontworstelen aan Russische bewakers die hem zonder enige aanklacht aan de grens hadden gearresteerd en naar Siberië wilden afvoeren. Zowel Kotzebue als de held van Kross raken in tsaristische gevangenschap en in beider gevallen is een vlucht van cruciaal belang. Bij Kotzebue mislukt die, bij Kross ziet de held na jarenlange voorbereiding van de concrete mogelijkheid om te vluchten af.
     Kross’ hoofdpersoon is de Baltische edelman Timotheus von Bock (1787-1836), een historische figuur die vertrouweling was van tsaar Alexander I. Hij nam deel aan de veldtocht tegen Napoleon en bezat reeds een plaats in de literatuurgeschiedenis, aangezien Goethe, met wie hij in 1813 in Weimar dineerde, een gedichtje voor hem schreef, ‘Herrn Obristlieutenant von Bock’. Tegen de strikte regels van zijn stand trouwt hij het Estse boerenmeisje Eeva. Bock valt in ongenade nadat hij enige jaren later de tsaar een memorandum schrijft over wantoestanden in diens rijk. Zonder proces, zonder hoop op gratie en zonder dat zijn zwangere vrouw over zijn verblijfplaats wordt ingelicht, verdwijnt hij in de Schlüsselburg-vesting. Daglicht krijgt Bock niet te zien, maar na enige jaren stuurt de tsaar hem een vleugel. Ook bezoekt hij een keer zijn gevangene in de cel. In 1827, na een gevangenschap van negen jaar, laat Alexanders opvolger, tsaar Nicolaas I, Bock gaan, waarna deze de laatste jaren van zijn leven op zijn landgoed in Lijfland doorbrengt. Officieel staat hij als krankzinnig geboekstaafd waardoor hij tot aan zijn dood onder curatele blijft.
     Timo’s inwonende zwager Jakob, Eeva’s broer, is de verteller in deze in dagboekvorm geschreven roman. In Jakobs aantekeningen, verspreid over de jaren 1827-1837, wordt geleidelijk het verhaal van ‘de gek van de staar’ uit de doeken gedaan. Het meest dramatische moment in de roman is de genoemde poging van Bock, in 1829, naar het buitenland te vluchten. Hiertoe heeft Jakob een Texelse schipper omgekocht. Op het laatste moment ziet Bock van de vlucht af, omdat hij die als laf en zinloos ervaart. Hij wil wel naar het buitenland, maar alleen als hij daartoe officieel toestemming krijgt. Hoop hierop is er evenwel niet. Een paar jaar later vindt Bock op zijn landgoed door een schot hagel de dood. Onduidelijk blijft of er sprake is van moord of zelfmoord.       
     De gek van de tsaar gaat over het eeuwige conflict tussen conformisme en opstandigheid en het morele dilemma dat het zoeken naar een tussenweg tussen beide levenshoudingen met zich meebrengt. Aan de kant van de macht staan in dit boek Duits-Baltische edellieden en Russische autoriteiten; de onderworpenen zijn de Esten, een boerenvolk waarbij Bock door zijn huwelijk aansluiting heeft gevonden. Men ziet in het leven van Bock een parallel met het lot van Kross. Deze zat na de Sovjet-annexatie van Estland ergens in Siberië gevangen, zoals zijn held Bock in een vesting buiten Sint-Petersburg was opgesloten. Bock verwisselde zijn kerker voor de grenzen van zijn landgoed, Kross een strafkamp voor de grenzen van Estland. Teruggekeerd in Estland zijn beiden niet vrij. De curatoren die in Bocks papieren snuffelen, lijken op de geheime dienst-agenten en de censor die Kross moet hebben meegemaakt. De Sovjet-werkelijkheid van de auteur en het tsaristische verleden van de romanfiguren lijken in hoge mate identiek, hoe zeer de omstandigheden waarin zij leefden ook verschilden.  
    Bocks overwegingen om niet te vluchten, lijken ook geldig voor een Ests schrijver in de Sovjet-tijd. Bock vraagt zich af: ‘Wat zou ik in het buitenland kunnen doen?! Ik heb geen geld om iets te publiceren. En als ik al genoeg geld bij elkaar zou weten te brengen, dan zou mijn boodschap niet tot hier doordringen. […] Nee, nee, als ik al vertrek, dan niet naar Zwitserland, maar daarheen […]. Naar Irkoetsk en verder, waar de anderen zijn.’ Tussen de regels door lijkt Kross zich af te vragen wat voor zin het voor een Ests schrijver heeft om vanuit de emigratie te opereren. Een Est in het buitenland vertegenwoordigt zo’n kleine cultuur dat zijn stem nauwelijks kans maakt om gehoord te worden, ook niet in Estland zelf, waar de achterblijvers hem nog van verraad konden beschuldigen. ‘Trouwens, naar het buitenland gaan alleen diegenen die zich willen wreken. Wie iets wezenlijkers wil blijft thuis’, zijn de woorden van een in ongenade gevallen standgenoot die Bock zich op het laatste moment herinnert.
     Ook al is er een overeenkomst tussen het verhaal van Bock en het leven van de auteur, Kross heeft dit element niet nodig om te boeien. Een algemeen-menselijke problematiek die de Estse geschiedenis en Sovjet-werkelijkheid ontstijgt, blijft in de roman steeds tastbaar. Steeds wordt de vraag gesteld of waanzin en zogenaamd ‘normaal gedrag’ wel van elkaar te scheiden zijn. Bock heeft gelijk met zijn memorandum, maar hij richt zichzelf te gronde. Een alternatief bestaat schijnbaar niet. Immers, ‘de gedachten waaruit zijn geestelijke gestoordheid het duidelijkst naar voren treedt, vormen tegelijkertijd de duidelijkste bewijzen voor zijn meedogenloze eerlijkheid en zijn diepe inzichten.’
     Kross hoedt zich ervoor om enkel kritiek op machthebbers te laten doorschemeren, ook onderdrukten dragen in zijn roman verantwoordelijkheid. Hij laat Bock in zijn memorandum aan de tsaar verklaren: ‘Men mag zijn heersers nooit beschuldigen! Zij zijn slechts wat wij zelf van hen maken. Wanneer wij hen vanaf de wieg door kruiperig gedrag vergiftigen, hoe kunnen we dan verlangen dat ons welbevinden hun aan het hart gaat?’ Zie hier ook het probleem van een inwoner van een communistisch land die elke dag ongewenste compromissen met de machthebbers moest aangaan. Een oplossing blijft onuitgesproken: een middenweg is er niet. Ook de vraag of Bock een gek of verdienstelijk revolutionair is, wordt niet beantwoord.
     Kross maakt wel duidelijk dat de wereld te ingewikkeld in elkaar zit om de een op grond van zijn ‘verzet’ klakkeloos te prijzen en de ander wegens ‘collaboratie’ te veroordelen. Timo, ‘de gek van de tsaar’, komt uiteindelijk tot de conclusie dat zijn opstandige gedrag slechts ‘een genadeloos egoïstische poging’ is ‘tot morele redding van mijzelf.’ Bedrog in de privé-sfeer is met opstandigheid niet schoon te wassen en, zo suggereert Kross, wellicht altijd onuitroeibaar. Men leze Jakob, de zwager van ‘de gek’: ‘Ik beschouw het geenszins als tragisch dat mijn huwelijk min of meer op bedrog stoelt. Een groot gedeelte, ik denk zelf het merendeel van de betrekkingen tussen mannen en vrouwen berust ofwel volslagen, of althans van tijd tot op dergelijk – zeg maar – bedrog.’

In Het vertrek van professor Martens is Friedrich Fromhold Martens een Est die ondubbelzinnig voor het compromis met de staatsmacht heeft gekozen. Evenals De gek van de tsaar is deze roman gebaseerd op historische feiten. Martens, een kleermakerszoon uit Lijfland die zich opwerkt tot hoogleraar volkenrecht in Sint-Petersburg, leefde van 1845 tot 1909. De Russische regering stuurt hem decennia lang naar internationale conferenties. In Den Haag, Brussel, Genève en Londen is hij een gerespecteerd man. Martens ziet zijn werk in vele talen vertaald en hij geldt nog altijd als de grondlegger van het volkenrecht in Rusland. Of het waar is, zoals de roman beweert, dat Martens in 1902 op een haar na de Nobelprijs voor de vrede miste, weet ik niet, maar Dichtung en Wahrheit liggen in dit boek verleidelijk dicht bij elkaar.
     De roman is geschreven in de vorm van een monologue intérieure van Martens. Op 7 juni 1909 reist deze per trein van zijn buitenhuis in de Estse badplaats Pärnu naar Petersburg. Hij overdenkt in de coupé zijn leven en confronteert zichzelf met een gewetensvraag: heeft hij met zijn wetenschap en ambtenarentrouw niet een autocratisch bestel gesteund? Schreef hij veel boeken en artikelen niet louter uit carrièristische overwegingen? En heeft hij in zijn persoonlijk leven niet veertig jaar tegen zijn vrouw gelogen? Vriendinnen passeren de revue, ook een buitenechtelijk kind van een Brusselse kunstenares die hij in de steek heeft gelaten. In de trein maakt hij avances tegenover een jonge studente: ‘de meisjes belichamen mijn verlangen naar het onconventionele’. De bekentenis die Martens in zijn doodsangst aan zijn vrouw wil afleggen, bereikt haar niet meer: tijdens de reis sterft hij.
     De kern van het verhaal is dat er naast de Estse Martens een tweede Martens heeft bestaan wiens leven onwaarschijnlijk veel overeenkomst vertoont met dat van de romanheld: de Duitse  geleerde Georg Friedrich Martens (1756-1821), grondlegger van het moderne volkenrecht en onsterfelijk als uitgever van een corpus van internationale verdragen die als Recueil Martens tot 1944 is voortgezet. Sinds de Est zich op zijn twintigste van het bestaan van de andere Martens bewust wordt, probeert hij hem te evenaren. Zijn eerzucht wordt aangewakkerd door het feit dat zijn dubbelganger uit een rijke Hamsburgse patriciërsfamilie stamde en zijn bedje in de maatschappij gespreid vond, terwijl hij zelf van eenvoudige komaf was en op jonge leeftijd wees werd.
     De carrières van beide Martensen gaan in de roman en in werkelijkheid verbluffend gelijk op: in het professionele leven van de Est speelt vrijwel al het belangrijke zich negenentachtig jaar later dan bij de Duitser af. Ook de Est is auteur van een omvangrijke bronneneditie van staatsverdragen. Zoals de een de Russische tsaar steunt, laat de ander zijn expertise gebruiken door Napoleons broer, de tot koning van Westfalen gebombardeerde Jérôme Bonaparte. Beide Martensen sterven kort voor hun vijfenzestigste verjaardag.
     Een veelzeggende scène speelt zich af tijden een tussenstop op de treinreis. Martens vraagt aan de kelner in een stationsrestauratie of mensen zonder oorlogen en staatsvormen kunnen. De kelner, ‘een uitgemergelde vijftigjarige vos’, zegt dat hij van dergelijke onderwerpen geen verstand heeft. Niettemin geeft hij Martens gelijk als deze zelf het antwoord geeft: ‘Meneer heeft gelijk. Dat is de conclusie.’ Ineens beseft de professor dat hij zijn leven lang niets anders heeft gedaan: voor een fooi zeggen en schrijven wat zijn chefs verlangen. Ondanks al zijn geleerdheid en dienstreizen lijkt hij niet veel wijzer dan een Lijflandse stationskelner die hem met zijn mensenkennis doorziet.
     Uiterst subtiel beeldt Kross het gewetensconflict van Martens uit op het moment dat deze zich een telegram van zeven jaar eerder herinnert met de mededeling dat hem de Nobelprijs voor de vrede is toegekend. Martens gelooft het en telegrafeert terug dat hij zijn ‘carrière voor afgesloten’ houdt en dat hij ‘geen verdere wensen meer’ heeft. Nog voor hij beseft dat hij het slachtoffer van desinformatie is, ziet Martens de veelbetekende dwaasheid van zijn telegram in: ‘alsof een persoonlijke prijs het doel van al zijn inspanningen was geweest.’ Wat zijn doel behalve eerzucht en ‘plezier in het spel’ dan wel was, blijft onduidelijk.
     In de wereld van Martens geldt een ijzeren regel: wie eenmaal voor het staatsapparaat werkt en hogerop wil, verliest de eigen identiteit ter wille van een fooi. De held neemt het ook voor lief dat hij in Petersburg eerder voor een Baltische Duitser dan een Est wordt gehouden. Inmiddels is hij zo van zijn stamland vervreemd dat hij zich zelfs in zijn buitenhuis in Pärnu geen Est meer voelt. Niettemin lag zo’n identiteitskwestie eertijds minder scherp dan tegenwoordig: in de negentiende eeuw waarin de historische Martens opgroeide, gold een Est als een boer die al wat bereikt had als men hem voor een Duitser hield. Gedachten aan een concrete ‘onafhankelijkheid’ van Estland waren nog ver weg: voor het compromis leek in zijn geval geen alternatief te bestaan.
     Het vertrek van professor Martens is een roman van een indrukwekkende wijdheid. Het is behalve een historische schets van een bepaalde tijd en persoon ook een ideeënroman over wetenschap, politiek en de soms noodlottige vervlechting van beide. Een grote charme ontleent het proza van Kross aan zijn vermogen om tegenover het nietige van belangrijke dingen het belang van nietige dingen te zetten. De monologen van Martens schetsen de leegte van carrièrisme en voor de buitenwereld zo gewichtige dingen als benoemingen, onderhandelingen, conferenties en onderscheidingen. Het geval Martens bewijst hoe nuttig het ontbreken of verzwijgen van eigen identiteit voor het maken van carrière kan zijn. In dit boek schildert Kross het vooruitzicht mee te kunnen spelen in het machtsspel der notabelen als zo aanlokkelijk af dat het wel haast onmenselijk lijkt dat iemand die geroepen wordt eraan mee te doen van deelname afziet.
     Enige jaren geleden bestond Estland nauwelijks. Nu heeft het land niet alleen de staatkundige onafhankelijkheid herwonnen maar wist het door het internationale succes van zijn literatuur, waaraan Jaan Kross wel het meeste heeft bijgedragen, ook op de literaire landkaart van Europa een plaats te verwerven die nooit eerder zo goed zichtbaar was. De herinneringen en mijmeringen van Martens waarmee deze het bankroet over zijn eigen leven uitspreekt, worden afgewisseld met beschrijvingen van het eenvoudige Baltische platteland, van verlaten stationnetjes, gezonde boerengezichten: een patriarchale Lutherse wereld die ons wonderlijk bekend voorkomt. Het is de wereld van mensen die ‘thuis’ zijn gebleven en niet, als Martens, de mogelijkheid kregen carrière te maken. Uiterst nostalgisch werkt de herkenning van deze wereld die na decennia achter het IJzeren Gordijn verborgen te zijn geweest ineens met alle geuren en kleuren voor ons wordt getoverd, als een soort reservaat van het oude Europa. Dat juist veel onwaarschijnlijk ogende gegevens in Kross’ boeken op historische feiten berusten, geeft de lezer het ouderwets behaaglijke gevoel dat niets zo fascinerend is als de werkelijkheid.

Jan Paul Hinrichs


| Eerder verschenen in De tweede ronde 15 (1994), No. 2, pp. 70-76. Delen uit het stuk stonden daarvoor in recensies van Jaan Kross’ romans De gek van de tsaar en Het vertrek van professor Martens die verschenen in Vrij Nederland van 15 augustus 1992 en 6 maart 1993.  


dinsdag 1 mei 2012

Nikolaj Kuntsjev: Gedicht (2) (Vertaling)


NIKOLAJ KUNTSJEV – DE KLASSIEKEN

Wie de binnenkant van de dingen heeft bereikt
     zal me met een half woord begrijpen.

Maar in het heden is niemand, zolang de lucht
     trilt van het onzichtbaar zijn.

De klassieken zijn van die zeldzaam begaafde mensen,
     dat je ze levend niet kunt ontmoeten.


Uit het Bulgaars vertaald door Jan Paul Hinrichs




Ivan Boenin: Verzamelde werken III (Recensie)

EEN GEBED OM VERLOST TE WORDEN VAN DE HERINNERING
-------------------------------------------------------------------------
Een drastisch gewijzigde, nieuwe versie van dit opstel is verschenen in een boek met twaalf stukken over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, De laatste landheer (Leiden: Fragment, 2020).
--------------------------------------------------------------------------
Eigenlijk heeft Ivan Boenin (1870-1953) er zelf ook een beetje de hand in gehad dat een complete vertaling van zijn belangrijkste prozawerk, de roman Het leven van Arsenjev, zo lang op zich heeft laten wachten. Nadat hij in 1933 als eerste Rus de Nobelprijs had gekregen, verscheen van Het leven van Arsenjev ook een Nederlandse vertaling. Het ging toen om de eerste vier delen van deze roman die in 1930 in Parijs in boekvorm waren uitgekomen. In 1939 verscheen in Brussel het lange verhaal Lika. Boenin kon Lika, een vervolg op Het leven van Arsenjev, pas in 1952 als vijfde deel opnemen in de definitieve Russische uitgave die voor de afwisseling in New York uitkwam. Alle vertalingen van de roman werden zo in één klap incompleet en konden niet meer herdrukt worden. Vooralsnog zagen westerse uitgevers geen brood in nieuwe vertalingen. Zo verscheen een complete Engelstalige uitgave pas in 1994 (bij Northwestern University Press), waarbij men voor de eerste vier delen zelfs nog de oude vertaling van 1933 van stal haalde. Gelukkig is de eerste complete – en uitstekend leesbare – Nederlandse vertaling van Het leven van Arsenjev wel helemaal nieuw. Het is meteen duidelijk dat we te maken hebben met een overrompelend meesterwerk waarvan men zich nu al haast niet meer kan voorstellen dat generaties van lezers het zonder hebben moeten stellen.
     Het leven van Arsenjev is een pseudoautobiografische roman. De verteller, Aleksej Arsenjev, woont in Frankrijk en kijkt terug op zijn jeugd in Rusland. Hij lijkt in veel op Boenin, die zelf in 1920 naar Frankrijk vluchtte waar hij tot aan zijn dood zou blijven. Arsenjev schildert ons zijn leven op de landgoederen en in de stadjes van Centraal-Rusland  tegen de achtergrond van het verval van zijn ooit aanzienlijke familie. We horen over zijn eerste schreden in de literatuur, zijn werk op een provinciale tijdschriftredactie en de liefde voor Lika, die hem tenslotte afwijst. Het is een ‘portrait of the artist as a young man’: een intelligente, overgevoelige jongen die zoekt naar een middel zijn roeping te volgen, snakkend naar ‘bevrijding van een onbestemde drang’.
     Veel herinneringen zijn gegroepeerd rond sterfgevallen die de jonge Arsenjev aangrepen: van een herdersjongen op het landgoed van zijn ouders, van zijn zuster, van een grootvorst wiens kist in een trein voorbijkomt. De dood heeft een onmiskenbare variant: het vertrek. Arsenjev wil steeds weg van het landgoed van zijn ouders, en van de stadjes waarin hij zich ophield. Het belangrijkste vertrek, dat uit Rusland, blijft ongenoemd. Echt thuis is Arsenjev uiteindelijk nergens. Er is veel voor te zeggen dat ook zijn rusteloze alter ego Boenin al in Rusland een emigrant was, dus nog voordat hij naar Frankrijk uitweek. Een echt huis heeft hij er nooit bezeten.
     Het leven van Arsenjev heeft eigenlijk geen plot: niet gebeurtenissen zijn belangrijk maar stemmingen en sfeer. De vertelling wordt gedragen door het karakter van de jonge Arsenjev. Soms lijkt de verteller onder de last van het verleden te bezwijken: ‘Herinneringen, een zo drukkend, verschrikkelijk iets dat er zelfs een speciaal gebed bestaat om ervan verlost te worden.’ De vrouwen in het boek maken, als in zoveel boeken over de Russische landadel, een standvastigere indruk dan de mannen. Arsenjevs vader is nog een ouderwets ‘overtollig’ mens: hij jaagt en drinkt en wordt steeds armer. Het is dan ook de tragiek van de jonge Arsenjev dat een van de punten waarop zijn verhouding met Lika stukloopt economisch van aard is: haar vader gelooft niet in zo’n schrijver zonder bezittingen.
     Boenin – en dat is een verrassing – kan in zijn sarcasme Gogoliaans geestig zijn, bijvoorbeeld in zijn beschrijving van Arsenjevs morsige mederedacteuren of van de leden van een provinciaal toneelgezelschap. Er schuilt een voyeur in Boenin, bijvoorbeeld als hij Arsenjev een mislukt schrijver in het vizier laat nemen waarna hij dan ‘al zijn bewegingen begerig volgde, me verlustigend in mijn scherpe schrijversblik.’
     In feite wijzigt dit boek het beeld van de Russische literatuur van deze eeuw zoals dat in vertaling bestaat. Het Russische proza uit de Sovjettijd is vrijwel steeds expliciet verbonden geweest met het communistische totalitarisme. Over de oude tijd werd nauwelijks meer op niveau geschreven. Het bijzondere van dit boek is dat het weliswaar een voortzetting is van de landgoederenliteratuur van Tolstoj en Toergenjev maar dat het wel een geheel nieuw uitgangspunt heeft. Toergenjev schreef over een land dat hij vrijwillig had verlaten maar waarheen hij steeds terugging en brieven naar kon sturen. Boenins Rusland was een land dat hij voor altijd verloren had en dat eigenlijk niet meer bestond. Ondanks de overweldigend nostalgische toon van het boek doet men Boenin onrecht wanneer men alleen op zijn blik naar het verleden let. Boenin is een schrijver van de twintigste eeuw: gedwongen emigratie wordt niet genoemd maar vormt wel degelijk de grondslag van dit boek. De enorme afstand in ruimte en tijd tot het verleden en de soms vaag, dan weer expliciet aangeduide Zuid-Franse omgeving waarin Boenin opereerde, geven dit boek een breedte die de landgoederenwereld ontstijgt. Ook het moderne thema van de vervreemding duikt steeds op. De verteller noemt het leven in het oude Rusland ‘een afgescheiden, zelfs voor mij vreemd bestaan’ en gelooft eigenlijk niet dat hij nog de persoon is die hij zich herinnert.
     Verbluffend scherp zijn de overwegingen van Arsenjev over de morsigheid en achterlijkheid van de Russische provincie en over het onbeholpen amateurisme van Russische revolutionairen zoals hij die, evenals Boenin zelf, leerde kennen in de kringen van zijn broer. Tegelijkertijd houdt hij zich verre van monarchistisch sentiment. Als Arsenjev in het heden, dus eind jaren twintig, naar de begrafenis afreist van een in Zuid-Frankrijk gestorven grootvorst heeft zijn ontroering een esthetisch, geen politiek karakter. Arsenjev en Boenin blijven uiteindelijk ook tamelijk gereserveerd staan tegenover Rusland. Achteraf gezien lijkt Boenin in zijn Franse isolement ook veel meer van Rusland te hebben begrepen en geweten dan vrijwel al zijn tijdgenoten en de latere dissidenten die een compromis met het communisme aangingen of er juist tegen tekeergingen. Dat Boenin een felle anticommunist was, is duidelijk, maar uiteindelijk leek hij toch ook de Russische bevolking voor het eigen ongeluk verantwoordelijk te houden, zoals hij ook zichzelf, doorschemerend in Arsenjevs herinneringen, niet spaarde.
     Je kunt wat aan te merken hebben op deze roman: soms nemen de sentimenten wat te veel de overhand en herhaalt Boenin zich te vaak. Maar Boenins stijl is uiteindelijk zo dwingend en meeslepend dat men het boek in één ruk uitleest. In een nauwelijks opvallende zin weet hij een heel land te schetsen, met al zijn krakkemikkigheid, feodale verhoudingen, genadebroodeters en slaperigheid: ‘Het plafond in onze keuken was plotseling ingestort en had bijna onze stokoude vroegere kok gedood, die daar altijd op de kachel lag; en dus reden we naar een bosje om draagbalken te halen.’
     Moeilijker verteerbaar, maar kwalitatief niet veel minder, is het korte proza uit de jaren 1937-1952. De thematiek – het kortstondige en onberedeneerbare van de liefde - is op den duur tamelijk voorspelbaar. Niettemin toont Boenin zich hier een echt prozaïst en gaat hij veel spaarzamer met zijn middelen om dan in zijn roman, die een hoog poëtisch gehalte heeft. De meeste van deze verhalen zijn geschreven in Grasse in de Tweede Wereldoorlog, tijdens het Vichy-bewind en de Duitse bezetting van de Alpes Maritimes. Terwijl Europa één groot slagveld was en in Sovjet-Rusland het literaire leven totaal was gestagneerd, zat de bejaarde Boenin soms met een lage maag in prerevolutionaire tijden gesitueerde liefdesverhalen te schrijven. Hij legde daarbij een opvallende openhartigheid voor seksuele details aan de dag, zodat deze verhalen menig taboe doorbreken. Eens te meer blijkt ‘de laatste Russische klassieke schrijver’ moderner te zijn geweest dan men altijd heeft vermoed.

Rec. van I.A. Boenin, Verzamelde werken, dl. III. Het leven van Arsenjev. Verhalen 1937-1952 (vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes), Uitg. G.A. van Oorschot, 1997.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 28 februari 1998, p. 65.