vrijdag 16 november 2012

Anatoli Steiger: Gedicht (Vertaling)

ANATOLI STEIGER

*

Iedereen kent dat bij het afscheid:
het lange zware zwijgen.
Iets is er nog niet gezegd…
een belofte? Hoeveel beloften
men mij deed… Hoeveel deed ik er.

O, vergeefs spaart het hart heimelijk,
koestert jaloers
dat meest kwellende bij iedereen: ervaring…
Alleen die misleidt ons niet.

Het belangrijkste is: jezelf niet bedriegen.
Alleen geloven in die dag en dat uur.
Elke keer als was het voor altijd afscheid nemen,
als was het voor altijd afscheid nemen elke keer…

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 39.

Zie verder over Anatoli Steiger: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 139-145.

Boris Poplavski: Gedicht (Vertaling)

BORIS POPLAVSKI

*

Het middernachtelijke hemellichaam
verlichtte het firmament,
en de ziel was van het dagelijks leven
reeds alles vergeten.

In de verte geen geblaf,
wonderbaarlijk helder is de straat,
en zo wandelend zou ik eeuwig leven,
als er eeuwig nacht bestond.

Voort langs de rails vanuit de onvrijheid,
hun ijzeren glinstering volgend,
ga ik het lege veld op,
vind tenslotte Jou.

De blauwe nachtelijke hemel
is van een archaïsche eenvoud;
mijn dode zieke hart
geef ik Jou voor altijd terug.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, BorisPoplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 35.

Zie verder over Boris Poplavski: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 129-137.

Dovid Knut: Gedicht (Vertaling)

DOVID KNUT

EEN BEGRAFENIS TE KISJINJOV

Ik herinner me een doffe avond in Kisjinjov:
We liepen voorbij de heuvel van Inzov,
waar eens Poesjkin woonde. Een armzalige heuvel,
waar een kleine ambtenaar met kroeshaar woonde
- een gevierd feestneus en een losbol -,
met warme negerogen
in een lelijk maar levendig gezicht.
Over de stoffige, sombere doodse Aziëstraat
werd voorbij de stugge muren van het kraamhuis
op wat stokken een dode Jood gedragen.
Onder de muffige lijkendoek
waren de benige trekken te zien
van een mand die door het leven was aangevreten.
Zichtbaar zozeer aangevreten
dat de magere wormen van het Joodse kerkhof
er geen enkel profijt van zouden hebben.

Achter de oude mannen die de baar droegen
liepen wat joden met grote ogen.
Uit hun beschimmelde lange jassen
kwam de geur van heiligheid en noodlot,
joodse reuk van armoe en zweet,
van haring, mot, gebakken uien,
heilige boeken, luiers, de synagoge.

Een groot verdriet vrolijkte hun ziel op,
en zij liepen in een geruisloze gang,
gehoorzaam, licht, afgemeten en zonder haast,
alsof zij het lijk al jaren volgden,
alsof hun mars geen begin had,
geen eind… Met een gang
van wijze mannen uit Sion – uit Kisjinjov.
Achter de droeve vracht liep een vrouw
voor hen uit, in de stoffige schemering
konden we haar gezicht niet zien.

Maar hoe mooi was haar hoge stem!

Onder het getik van stappen, onder het zwarte geruis
en vallende bladeren, van vuilnis, onder gehoest
vloeide een niet eerder gehoord lied.
Tranen waren erin van zoete berusting,
en toewijding aan de eeuwige wil van God,
de extase over onderwerping en vrees…

O, hoe mooi was haar hoge stem!

Niet over de magere Jood, omhoog gezwiept
op de baar, zong zij, maar over mij,
over ons, over allen, over ijdelheid, over as,
over ouderdom, ellende, angst,
over medelijden, vergankelijkheid, twijfel,
en de ogen van stervende kinderen…

De Jodin liep bijna zonder de struikelen,
en elke keer dat een wrede steen
het lijk op de baar omhoog gooide, wierp
zij zich met een schreeuw op het lijk en de stem
werd plotseling wijder, zwol aan, klonk als metaal,
slaakte plechtig een dreigement aan God,
vrolijkte op in woedende vervloekingen.

En met haar vuisten dreigde de vrouw
Hem die in de groenige hemel voer,
boven de stoffige bomen, boven het lijk,
boven het dak van het kraamhuis,
boven de harde ruwe aarde.
Maar plotseling schrok de vrouw
en sloeg zich op de borst, verstijfde
en had hysterisch en meeslepend berouw,
verschrikt prees zij Gods wil,
schreeuwde buiten zinnen om vergeving,
over geloof, over deemoed, over geloof,
deinsde terug en kromp op de grond ineen,
onder het gewicht van ondraaglijke ogen,
die vanuit de hemel droevig en streng neerkeken.

Wat was daar? Avond, stilte, een hek, een ster,
veel stof… Mijn verzen in ‘De koerier’,
het goedgelovige gymnasiummeisje Olja,
het simpele ritueel van een Joodse begrafenis
en een vrouw uit het boek Genesis.

Maar nooit zal ik met woorden kunnen weergeven
wat er boven de Aziëstraat zweefde,
boven de lantaarns van buitenwijken,
boven het gelach, verborgen in poorten,
boven de vermetelheid van een onbekende gitaar,
die ergens klinkt, boven het geblaf
van treurende zwerfhonden.

 … De bijzondere Joods-Russische lucht…
gezegend is hij die daar ooit ademde…

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 30-32.

Zie verder over Dovid Knut: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 105-115.
 

 

Vladislav Chodasevitsj: Gedicht (Vertaling)

VLADISLAV CHODASEVITSJ

OP DE DOOD VAN DE KATER MURR

In vermaak was hij zo wijs en in wijsheid zo vermakelijk,
mijn troostende vriend en inspirator!
Nu is hij in die tuinen achter de vlammende rivier,
waar Catullus met een mus is en Derzjavin met een zwaluw.

O, goed zijn de tuinen achter de vlammende rivier,
waar geen laag gepeupel is, waar in gezegende luiheid
de geliefde schaduwen van dichters en dieren
de verdiende rust der eeuwigheid smaken!

Wanneer ik daarheen ga? Versnellen wil ik
mijn termijn niet, bepaald voor ontberingen op aarde,
maar naar hen die zijn opgevist door het geheimzinnige net,
vlieg ik steeds vaker in een toegewijde droom.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 19.

Zie verder over Vladislav Chodasevitsj: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 39-49.
 

 

 

Ivan Boenin: Gedicht (Vertaling)


IVAN BOENIN

*

Een vogel heeft een nest, een beest een hol.
    Hoe bitter was het voor mijn jeugdig hart
het vaderlijk hof te verlaten,
    vaarwel te zeggen aan mijn geboortehuis!

Een beest heeft een hol, een vogel een nest.
     Hoe luid en droevig klopt mijn hart
als ik met een kruisteken en al oude knapzak
     een vreemd huurhuis betreed!

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 5.

Zie verder over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 31-38.

De mythe van Odessa: Russische roofdruk

VERTALING OF PLAGIAAT IN ODESSA?

Publiekelijk inhakken op vertalers was vooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een geliefde bezigheid
Televisieprogramma in Odessa,
11 juni 2011.

Foto © Jan Paul Hinrichs
onder slavisten. Ook buitenstaanders smulden van de strijd tussen Revianen en Timmerianen die veel ingezonden persstukken opleverde. Zo moest Marko Fondse regelmatig belhamels die zich aan de oude Timmer vergrepen tot de orde roepen. Vertalers leden niet gering onder de strijd: levenslange vijandschappen ontstonden om een paar regeltjes in de krant. Of dat het allemaal waard was? Vertalen is handwerk waarbij het vergeeflijk is als een enkele keer iets mis gaat. Anders wordt het als vertalers op de stoel van auteurs gaan zitten: dan maken ze zichzelf vogelvrij. [...]

Jan Paul Hinrichs

| Fragment van een artikel n.a.v. het verschijnen van een Russische vertaling-roofdruk van mijn boek De mythe van Odessa, eerder verschenen in De Parelduiker 17 (2012), No. 3, pp. 69-71. In bijgewerkte vorm herdrukt in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 126-129. 

Zie verder hierover het bericht van 22 mei 2012.

maandag 12 november 2012

Vier Letse gedichten (Vertaling)

VIER LETSE GEDICHTEN

 
JĀNIS RAINIS

BIJ NACHT

Het mooist zingt de nachtegaal
bij nacht;
het liefst wenkt het geluk
bij nacht;

in heftig verlangen, ga uit alleen
bij nacht,-
niemand, niemand zal het weten,
alleen de nacht.


ACHTER BOSSEN, ACHTER BERGEN

Achter bossen, achter bergen,
brandt ’s nachts heimelijk een vuur,
brandt ’s nachts heimelijk een vuur, 
rode stralen, gele vlammen.

Bossen zwijgen, bergen zwijgen,
als dat vuur heimelijk brandt,
als dat vuur heimelijk brandt,
door niemand aangestoken.

 
LINARDS TAUNS

OP ZOEK NAAR EEN LIED

Op zoek naar een lied
kijk ik in straten,
door smalle ramen
naar de grote wereld,
verward, bedwelmd spits ik mijn oor,
luister –
end naar de geluiden van de wereld,-
nee, met heel mijn wezen
pak ik de wereld vast,-
betast de wereld, snuif haar op, schrok en
             drink haar op,
op zoek naar een lied.

 
VALDA DREIMANE

GEDACHTEN

Soms lijkt het beter
in New York te dromen van Riga
dan in Riga te dichten over New York.
Want wat wisten wij ooit
van een berk,
voor wij in een wolkenkrabber een berk zagen?
wat wisten wij van Riga,
voor wij vreemde lanen voor de oude straten hielden?
wat wisten wij van een zonnebloem
voor wij een magnolia door haar vervingen?

Wij dwalen door de vreemde lanen in New York,
maar wij dwalen
met een berk in de hand, Riga in de ogen,
een zonnebloem in het hart.

Uit het Lets vertaald door Jan Paul Hinrichs
met dank aan Inga Schouten-Kalņinš en Irene Ahlers-Brutāne

| Vertaald voor de Baltische Culturele Middag van de Nederlands-Baltische Vereniging op zaterdag 17 november 2012 in Museum Oud Soest, Soest. De voordracht bevatte ook twee gedichten van Vizma Belševica  die in 1991 in vertaling verschenen (zie het bericht van 29 september 2012). Sindsdien zijn deze vier gedichten gepubliceerd in Baltische Wijzer, nr. 87, (november) 2013, pp. 21-22.

| Drie van deze vier gedichten zijn iniddels in boekvorm gepubliceerd in: Requiem voor een boerderij. Zes Letse gedichten. Vertaald door Jan Paul Hinrichs (Woubrugge: Avalon Pers, 2023). Zie het bericht van 14 april 2023.

Trefwoorden: Letse literatuur | Kad nakts | Aiz to mežu, aiz to kalnu | Meklējot dziesmu | Pārdomām