DON-AMINADO: OOGGETUIGEN ZIJN DE GEVAARLIJKSTE GETUIGEN (VERSCHENEN)
Studio 3005 publiceerde zojuist in mijn vertaling Ooggetuigen zijn de gevaarlijkste vertellers, 99 aforismen van Don-Aminado (1888-1957). Don-Aminado, pseudoniem van Aminodav Pejsachovitsj (Aminad Petrovitsj) Sjpoljanski is een Joods-Russisch satirisch dichter en schrijver van aforismen, feuilletons, epigrammen en memoires. Na de Russische
revolutie week hij via Odessa uit naar Parijs. Hij was ook advocaat en vrijmetselaar. Zijn ironische en spitsvondige bijdragen aan kranten en tijdschriften genoten onder Russische emigranten een grote bekendheid. Na zijn dood was het lange tijd stil rond Don-Aminado maar de afgelopen jaren verschenen in Rusland enkele heruitgaven van zijn werk. Deze uitgave verscheen in een oplage van 66 exemplaren en is te bestellen bij Studio 3005.
[NB Zie hier voor de nieuwe, veel uitgebreidere in 2018 bij uitgeverij De Wilde Tomaat in Leiden verschenen Don-Aminado-vertaling Aforismen]
Dit blog bevat artikelen, notities, vertalingen en recensies over verschillende onderwerpen die vrijwel altijd iets met literatuur, kunst of wetenschapsgeschiedenis te maken hebben. De meeste berichten zijn eerder in druk verschenen (zie voor een publicatielijst het bericht van 14 mei 2012).
vrijdag 14 november 2014
vrijdag 31 oktober 2014
Schoon & haaks [afl. 3]
SCHOON & HAAKS [AFL. 3]
In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang
2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privé-drukkers
en marginale uitgevers bespreek. In de derde aflevering staan recensies
van de volgende boeken:
- L.Th. Lehmann, De muziek van Louis Lehmann: 41 radiopraatjes bij de VPRO. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2006 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
- L.Th. Lehmann, Composities voor piano. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2de druk 2009 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
- L.Th. Lehmann, Scheepsjournaal 28 april tot 8 mei 1948. Amsterdam: De Gouden Reaal,
2011 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
- L.Th. Lehmann, Jordaankroniek. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
- Norbert
Hummelt, Alles stil. Vert. Erik
de Smedt. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
- Philip
Nikolayev, De waarheid zoals die
zich eens voordeed. Vert. Jabik Veenbaas. Bleiswijk: Studio 3005,
2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
- Ann
Jäderlund, Waarom zijn we niet in
het paradijs? Vert. Lisette Leustermans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
- Habib
Tengour, Geheim op klaarlichte dag. Vert.
Kiki Coumans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
- Jacq. Boersma, Uisla,
ruisend als bladeren. Een
zelfportret. Utrecht: Salon Saffier, 2014 (Utrechtse Boekhoudpers; 8) [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De
Parelduiker 19 (2014), nr. 4-5, pp. 153-157.
zondag 5 oktober 2014
Triëst in de literatuur
WOORD VOORAF
‘Turn left,’ the Colonel said.
‘That’s not the road for Trieste ,
sir,’ Jackson
said.
‘The hell with the road to Trieste . I ordered you to
turn left. Do you
think that there is only one way in the
world to get to Trieste ?’
Ernest Hemingway, Across the river and into the trees (1950)
Triëst ligt
in onze dagen buiten de geijkte reisroutes. Er zijn vanaf vliegvelden buiten
Italië nauwelijks vluchten naar de stad en exprestreinen stoppen er niet meer.
In deze grensstad met ruim tweehonderdduizend inwoners, ooit een onontkoombaar
transitpunt tussen Oost en West, komt men nauwelijks meer zonder voorbedachte
rade. Op het bezit van spectaculaire monumenten of andere bezienswaardigheden
kan Triëst zich ook niet beroemen. Bij gebrek aan beter voeren locale folders
het net buiten de stad gesitueerde witte kitschkasteel Miramare op. Maar er is
betere sier te maken met de beurs, de havenpier, de verbluffend grote synagoge
of de combinatie van een tram en kabeltrein die van Piazza Oberdan de
verbinding onderhoudt met de hoogte van Opicina.
In de winter is de stad ook geen aantrekkelijk reisdoel:
dan beukt de ‘bora’, een harde ijzige wind, op de grijze stad en spant men
langs de straten touwen met knopen waaraan voetgangers zich kunnen vasthouden.
‘Ik verbaasde me over de gedaantewisseling van de stad aan de zee’, schrijft de
slaviste Ilma Rakusa over de ‘bora’ in haar autobiografie Mehr Meer (2009). ‘Hoe ze ineens haar tanden liet zien, bedreigend
werd. Hoe ze je tot terugtrekking dwong. Wanneer de elementen tierden,
verstomde de dialoog. Het huis werd een vesting, al het andere vreemd.’ Hier
verschijnt Triëst als een stad die zich van buitenstaanders afwendt. Niettemin
oefent Triëst in alle tijden als literaire mythe een onmiskenbare
aantrekkingskracht uit.
De mythe lijkt wel sterker dan de werkelijkheid. Dat is
de gedachte uit het boek A ghost in Trieste
(1993) van de Amerikaanse literatuurprofessor Joseph Cary. Hij kwam naar de
stad met een vaag plan voor een boek over ‘literair Triëst’: ‘Maar toen ik daar
kwam, ontdekte ik dat een verblijf in Triëst een ontmoedigende ervaring kon
zijn. Onbekend en aantrekkelijk als ze zeker was, behandelde de stad me
ironisch. […] Ik zat daar gewoon, alleen. Ik keek, kneep mijn ogen dicht, sloot
ze. Maar er gebeurde niets. […] Tegen het einde van mijn eerste week raakte ik
tamelijk terneergeslagen. Toen het tijd werd te vertrekken, voelde ik me minder
dan ooit zeker van Triëst en wat ik ermee wilde doen.’ Triëst lijkt zo een
ideale bestemming voor ondernemers van imaginaire reizen die bij voorkeur thuis
blijven.
De stad wordt in de literatuur vaker een gebrek aan
identiteit aangewreven. Ilma Rakusa haalt haar schouders op over Joyce, Svevo
en andere Triëstijnse iconen: ‘Toch blijft Triëst overschaduwd, verstrikt in
dubbelzinnigheid waaruit zich geen identiteit laat reconstrueren. Of de
niet-identiteit wordt tot het symbool van de stad. Rand, grens, tussengebied,
passage.’ In haar boek Trieste and the
meaning of nowhere (2001) stelt Jan Morris dat ze in Triëst juist wel vond
wat ze zocht. Triëst was ‘niet gewoon een stad maar een idee van een stad’ die
haar bezoekers noodzakelijkerwijs terugwerpt op zichzelf: ‘Triëst laat je
droevige vragen stellen over jezelf. Waarom ben ik hier?’ Zij voert net als
Carey allerlei schrijvers op maar betrekt de stad uiteindelijk op haar eigen
leven: ‘Ik schrijf over ballingen maar ik ben me zelf ook een balling gaan
voelen. […] Manhatten windt me meer op dan Triëst ooit kon doen, en hetzelfde
geldt voor Sydney. Maar hier herinner ik me meer dan elders vergane tijden,
verkeken kansen, verloren vrienden, met de zoete triestheid die onomatopoëtïsch
is voor deze plaats.’
Hier stuiten we op een particulier perspectief waarvoor
in principe elke stad zich leent. Maar zonder de uitgebreide literaire canon die
over Triëst bestaat, zou ook Morris te weinig houvast hebben gehad om een boek
over de stad te kunnen schrijven.
Triëst is
op de letterkundige kaart gezet door de nooit geheel opgehelderde hotelmoord,
in 1768, op Johann Joachim Winckelmann, de grondlegger van de klassieke
archeologie. De geleerde was op doorreis naar Italië uit Wenen in Triëst
aangekomen. Via deze weg hebben veel reizigers uit Duitsland en Oostenrijk niet
alleen met Triëst maar met de zee en de mediterrane wereld kennis gemaakt. De naar
zuidelijke sferen smachtende dichter August von Platen vat in een
dagboekaantekening van 6 september 1824 zijn eerste indrukken van Triëst samen.
Ze vertonen nogal wat overeenkomst met reisbeschrijvingen van andere van zon en
zee verstoken ‘Middeneuropeanen’. Triëst bood wel wat anders dan de gure Duitse
universiteitsstadjes waaraan de in de liefde en de literatuur niet bijzonder
succesvolle dichter was gewend: ‘Zo’n avond in Triëst, wat een levendig
schouwspel ontrolt zich aan je ogen! De elegante bouwstijl van de stad, de
beurs, de schouwburg en talloze andere mooie gebouwen, de vele grote pleinen,
de prachtig verlichte koffiehuizen en het fraaie plaveisel van vierkante tegels
waarop je zo geriefelijk loopt als in een kamer, de poort bij de haven met het
madonnabeeld, door duizend lampjes verlicht en druk bezocht door gelovigen, de
haven zelf met al zijn schepen met hier en daar een eenzaam lichtje, het Canal
Grande waar de scheepsmasten midden tussen de huizen van Triëst oprijzen, de
uiteenlopende klederdrachten van verschillende naties, vooral Grieken en
Armeniërs, de fruitmarkt met zijn korven vol meloenen en piramiden van
sinaasappels en waar overal kaarsen en lampen staan te branden, en ten slotte
de drommen mensen die zich in alle straten verdringen, dat alles maakt een
enorme indruk op de vreemdeling die hier aankomt.’
De scheepsmasten, markten en
buitenlanders bij Von Platen staan borg voor de handelsplaats Triëst. De stad,
al sinds 1382 onder Habsburgs gezag, was in 1719 door keizer Karel VI tot een
vrijhaven gebombardeerd. Triëst trok vanaf dat moment veel buitenlandse
zakenlieden, veelal van joodse origine, en avonturiers aan. Na de val van de
Venetiaanse republiek in 1797 groeide Triëst in de negentiende eeuw uit tot de
belangrijkste handelsplaats van de Adriatische Zee waar tal van naties
consulaten vestigden. Onder de ‘literaire’ consuls treffen we in de negentiende
eeuw de Franse schrijver Stendhal en de Engelse ontdekkingsreiziger en arabist
Richard Burton aan.
Rijkelijk laat, in 1857, ontstond de
treinverbinding, de Südbahn, tussen Triëst en Wenen. Inmiddels werden al veel
goederen waarvoor lange tijd Triëst als overslagplaats had gefungeerd in havens
als Hamburg en Bremen verwerkt. Maar aan de vooravond van de Eerste
Wereldoorlog was Triëst, dat aan het einde van de negentiende eeuw zijn status
van vrijhaven was kwijtgeraakt, nog altijd de negende haven van Europa. Het was
ook het hoofdkwartier van de Oostenrijkse Lloyd, een machtige rederij,
handelshuis en verzekeringsmaatschappij.
Niets wees er in het begin van de
vorige eeuw op dat in de stad enkele schrijvers verbleven die later
wereldvermaard werden en de beeldvorming over de stad gingen domineren. De
Weense schrijver Hermann Bahr, geciteerd door Angelo Ara en Claudio Magris in
hun boek over de Triëstijnse literatuur, vond Triëst zelfs helemaal geen stad:
‘Men heeft het gevoel hier helemaal nergens te zijn. Je krijgt het idee alsof
men zich voortbeweegt in het wezenloze.’ Een begrip ‘literair Triëst’ had
zonder James Joyce (die zich in 1905 in Triëst als leraar Engels vestigde) en
de Triëstijnse meesters Italo Svevo en Umberto Saba niet bestaan, of slechts
betekenis gehad als aspect van Italiaanse of Sloveense regionale literatuur. De
ontmoeting tussen Joyce en zijn leerling Svevo behoort tot de gelukkigste
toevalligheden van de twintigste-eeuwse literatuur. Het komt niet vaak voor dat
de Engelse en de Italiaanse letteren zo ingrijpend kruisen. Maar Svevo, die
Oostenrijkse, Italiaanse en joodse elementen in zich verenigde, was dan ook geen
echte Italiaan, terwijl Joyce een Ier was. Beiden kwamen uit een gebied waar
andere nationaliteiten dan waar ze zelf toe behoorden de dienst uitmaakten:
Svevo uit Triëst, geregeerd door Oostenrijkers, Joyce uit Dublin, nog altijd in
handen van de Engelsen. Beiden opereerden vanuit een perifere positie in hun
taalgebied.
Svevo en Saba hebben vrijwel hun
hele leven in Triëst gewoond. Hun werk is ook doordrongen van de stad. Dat Triëst,
met zijn dominante beursgebouw, allereerst een handelscentrum was, blijkt al uit
de omstandigheid dat handel ook de achtergrond van Svevo’s en Saba’s bezigheden
vormde. Svevo schreef stiekem op het kantoor van een fabriek die onderwaterverf
voor schepen produceerde. Dat hij bij Joyce Engelse les nam, had niet met
literatuur (waarin hij vooralsnog geen succes had) maar met zijn commerciële
activiteiten te maken. Ook Saba was allereerst ondernemer, zij het
boekhandelaar. Hij dichtte in het achterkamertje van zijn ‘Libreria Antiquaria’
in de Via S. Nicolò. Overigens hebben Saba en Joyce elkaar nooit ontmoet en
kenden Saba en Svevo elkaar alleen van een paar ontmoetingen in een café niet
lang voor de dood van Svevo in 1928. Van een levendige Triëstijnse literaire
koffiehuiscultuur waar onze beroemdheden elkaar voortdurend tegen het lijf
liepen, kan men zich dus beter geen voorstelling maken.
Svevo’s en Saba’s schrijverijen
komen over als haast clandestiene, anonieme werkzaamheden die los stonden van
de werkelijkheid in de intens burgerlijke stad Triëst waarin geen sprekend
literair leven bestond. ‘Triëst heeft geen culturele traditie’ meende in 1909
de Triëstijnse schrijver Scipio Slataper. Vóór Svevo had Triëst in ieder geval geen
belangwekkende Italiaanse literatuur opgeleverd.
Hoe onopvallend een nu wereldberoemd
schrijver als Svevo in Triëst moet zijn geweest, blijkt wel uit zijn
bibliografie: tot 1927, dus tot vlak voor zijn dood, vermeldt die maar zo’n
twintig recensies van zijn werk die grotendeels in minder belangrijke bladen waren
verschenen. Alleen het nageslacht kent Triëst als ‘stad van Svevo’: zijn
toenmalige stadgenoten wisten er niet van. Erkenning als schrijver kreeg Svevo
pas in Triëst en in Italië, nadat zijn op eigen kosten gedrukte roman De
bekentenissen van Zeno (1923) een succes werd in Frankrijk.
Svevo en
Saba beïnvloeden de huidige beeldvorming over hun stad, maar ook zonder
literatuur heeft Triëst een markante positie op de landkaart. Van oudsher is de
stad een grensstation tussen de Romaanse wereld en de Slavische landen en de
Balkan. In de Habsburgse tijd sprak de stad een lokaal Italiaans dialect, het
platteland eromheen een Sloveens dialect en de stedelijke bureaucratie Duits. De
heterogeniteit van Triëst blijkt ook al uit de namen van de bekende
Italiaans-Triëstijnse schrijvers: Italo Svevo heette Ettore Schmitz; de
schrijversnamen Giani Stuparich en Scipio Slapater verraden een Slavische
oorsprong; de dichter Virgilio Giotti heette eigenlijk Virgilio Schönbeck.
Met de ondergang van de Habsburgse
monarchie in 1918 verloor Triëst zijn betekenis als enige belangrijke zeehaven
van een gigantisch rijk én als voorpost van Wenen (al zou het nog tot 1994
duren eer de Südbahn, de directe exprestrein uit Wenen, ophield te rijden). De
Duitstalige bestuurslaag verdween toen de stad deel ging uitmaken van Italië. Hoewel
de Sloveense minderheid zich handhaafde (vlak voor de Eerste Wereldoorlog
woonden er in Triëst meer Slovenen dan in Ljubljana), kreeg de stad nog voor
Mussolini aan de macht kwam een exclusief Italiaans en daarmee minder kosmopolitisch
karakter. Zelfs in de tram kwam er een verbod om Sloveens te praten. Sloveense
voornamen en familienamen werden geïtalianiseerd. Deze politiek speelde in heel
Istrië. Het ‘multiculturele’ erfgoed van het Habsburgse rijk dat de taal van
minderheden respecteerde, was hiermee in Triëst voorgoed verdwenen.
Direct na afloop van de Tweede
Wereldoorlog vormde Triëst het middelpunt van een heftig territoriaal conflict.
De strategisch gelegen stad kwam niet alleen knel te liggen tussen Italië en
Joegoslavië, staten die beiden het eigendomsrecht over haar opeisten, maar ook
tussen twee politieke machtsblokken, het kapitalistische Westen en de
communistische wereld. Triëst, dat uiteindelijk in 1954 aan Italië werd
toegewezen, groeide uit tot een symbool van de Koude Oorlog, ook al omdat
Churchill de naam gebruikte in zijn speech waarin hij het begrip van een
IJzeren Gordijn lanceerde. Dit zou zich uitstrekken ‘from Stettin to Trieste’.
De rest van Istrië, het Hinterland van Triëst, kwam onder Joegoslavië, waardoor
roemruchte steden als Pola, Rovigno en Capodistria nu op de kaart staan als
Pula, Rovinj en Koper.
Triëst maakt nog altijd de indruk
van een soort enclave, een schiereiland, helemaal aan de rand van Italië,
omgeven door het Karstgebergte, op een steenworp afstand van de Slavische
wereld. De nabije grens met Joegoslavië is ondertussen de grens met een onafhankelijke
republiek Slovenië geworden. In zekere zijn hebben de Slovenen in 1991 bereikt
wat de Italianen van Triëst in 1918 bereikten: waar deze zich losmaakten van
het Habsburgse rijk, ontworstelden de Slovenen zich aan Joegoslavië. Deze
inmiddels weer verdwenen staat had zijn belangrijkste conflictstof, etnische en
religieuze heterogeniteit, weer geërfd van het Habsburgse rijk. Uiteindelijk
geeft die heterogene en ogenschijnlijk tolerante Habsburgse maatschappij die al
lang geleden is ondergegaan nog altijd een soort identiteit aan Triëst, in
ieder geval vanuit literair perspectief. Die wereld van voor 1918 is ook de
niet weg te denken achtergrond van veel Triëstijnse literatuur. Inmiddels is
die zo belangrijk geworden dat vanuit de verte het beeld van de stad ermee is
vergroeid. Vermoedelijk was dit boek zonder Svevo, Saba en Joyce ook niet
verschenen. Zo bewaart de literatuur steden, zelfs als steden aan die
literatuur vreemd zijn geworden of nooit een atmosfeer hebben gekend die de
literatuur ons laat inademen.
Jan Paul Hinrichs
Jan Paul Hinrichs
LITERATUUR
Angelo Ara & Claudio
Margris, Triest. Eine literarische
Hauptstadt in Mitteleuropa, München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 2005.
Joseph Cary, A ghost in Trieste, Chicago: University of Chicago Press, 1993.
Jan Morris, Trieste and the meaning of nowhere, New York: Simon & Schuster,
2001.
August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken
(vert. C.R. Vink; keuze en nawoord Jan Paul Hinrichs), Leiden: Plantage-Gerards
& Schreurs, 1990.
Ilma Rakusa, Mehr Meer. Erinnerungspassagen, Graz:
Droschl, 2009.
| Eerder gepubliceerd in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (red.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen 2de druk 2011), pp. 7-16.
zondag 28 september 2014
Noam Chomsky: the fate of a manuscript
REGARDING THE LETTER FROM CHOMSKY
Frederick J.
Newmeyer discusses the fate of Noam Chomsky’s
manuscript The logical structure of
linguistic theory (1955) in his discussion note ‘Getting the word out: The
early generativists’ multipronged efforts to diffuse their ideas’ (Language 90.1.241-68). He questions ‘why
it was not published in 1955 or soon afterward. There are several reasons. The
most direct reason is that it was rejected’ (p. 247). The manuscript was
published only in 1975. Chomsky himself stated in the introduction to his book
that the manuscript was rejected in the fifties by the MIT Press (see Newmeyer,
p. 247). Newmeyer refers to Stephen Murray’s claims that two publishers had been interested in
publishing the manuscript in 1957 and
that there is a letter written by Chomsky that confirms this. This letter was
allegedly written to Cornelis van Schooneveld (1921-2003), the editor of
Mouton’s series Janua linguarum in
which Chomsky’s Syntactic structures was
published in 1957. Newmeyer remarks: ‘One wishes that Murray had scanned
Chomsky’s aerogram into his article to settle the question once and for all.
Unfortunately, he did not’ (p. 247).
This
question can be settled since this letter is held at Leiden University Library.
It was written by Chomsky on September 12, 1957. The complete letter is as
follows: ‘Dear
Cornelius, I was very pleased to hear that you would be interested in publishing my
long manuscript. The situation with respect to it is as follows. I have a
tentative agreement with North Holland to publish it, if it meets their length
requirements (i.e., if it’s shortened sufficiently). I don’t feel quite ready
to make a definite commitment myself as yet, since I am still not satisfied
with the present form of the manuscript, and I feel that the exposition can be
very much improved in many places. I hope to spend most of this year reworking
it, and with luck, I may be finished in the spring. As I say, I don’t feel that
I can say anything more definite until I am a little clearer as to the final
form of the manuscript. Perhaps I may contact you then, if you will still be
interested. Sorry I missed you when you were here. Thanks for sending the review. Sincerely, Noam ’ (Leiden
University Library, Collection C.H. van Schooneveld, Inv. No. 1, file 617; this
letter was partly published earlier in The C.H. van Schooneveld Collection in Leiden University Library.
Editorial correspondence and documents relating to Mouton & Co., The Hague,
and other papers in the fields of Slavistics and linguistics, by Jan
Paul Hinrichs (Leiden: Leiden University
Library, 2001), p. 9).
It is unclear whether Chomsky actually submitted a manuscript to Van
Schooneveld but it seems certain that Mouton was interested in publishing it,
and that North-Holland was as well. The letter quoted above proves that Murray was
right in questioning the claims that Chomsky made to him ‘that he had “never heard of the alleged offers
to publish LSTL”’ (Newmeyer, p. 247).
Jan Paul Hinrichs
| Published earlier in Language 90 (2014), Number 3, p. 561.
vrijdag 12 september 2014
Triëst: de zee als literaire ontdekking
DE ONTDEKKING VAN DE ZEE
VON PLATEN, GRILLPARZER EN STIFTER OP WEG NAAR TRIËST
Eind maart 1876 komt een
negentienjarige Weense student in de medicijnen, Sigmund Freud, naar Triëst.
Het stipendium dat hij heeft gekregen, brengt enige weken onderzoek met zich
mee in het zojuist in Triëst opgerichte ‘Zoologische Station’. Freuds
observaties van de voortplantingsorganen van alen vinden hun weerslag in zijn
artikel ‘Beobachtungen über Gestaltung und feineren Bau der als Hoden
beschriebenen Lappenorgane des Aals’
dat het jaar daarop in een band van de Weense academie van wetenschappen
verschijnt. De zee kende Freud van een reis naar Manchester in 1875 maar het is
in Triëst dat hij voor het eerst kennis maakt met zuidelijke sferen.
Gegevens over Freuds Triëstijnse verblijf staan in twee
uitvoerige brieven die hij vanuit Triëst aan zijn jeugdvriend Eduard
Silberstein schrijft. Op 5 april 1876 bekent hij Silberstein dat hij een
persoon is ‘met de ongelukkige neiging alles gewoon te vinden en snel aan alles
te wennen’. Hij weet dat hij zich aan ‘de kust van een der mooiste zeeën’
bevindt; tegelijkertijd laat dit hem ‘al op de tweede dag zo onverschillig, als
was ik eigenlijk op een vissersboot geboren’.
Een soortgelijke ervaring heeft de student Freud met
vrouwen. Op 23 april schrijft hij Silberstein dat ‘op de eerste dag van mijn
verblijf in Triëst het me voorkwam, dat louter Italiaanse godinnen Triëst
bevolken, en ik werd er bang van, maar toen ik op de tweede dag vol verwachting
de straat opging, kon ik er geen meer vinden en sindsdien behoort een mooie
donna tot de zeldzaamste dingen die ik op straat zag.’ Het is amusant te lezen
dat Freud in dezelfde brief hoog opgeeft van de vrouwen in het stadje Muggia,
waarheen hij een excursie heeft gemaakt. Een terugkeer naar het stadje zou
waarschijnlijk ook weer tot een teleurstelling hebben geleid.
Freuds brieven uit Triëst wijzen in kort bestek op het
gemak waarmee eerste indrukken verworpen kunnen worden. Ze herinneren ons eraan
dat veel reisberichten gebaseerd zijn op indrukken van het eerste moment die
later niet zijn herbeleefd.
Triëst, sinds het begin van de achttiende eeuw belangrijk
handelscentrum, was voor menig zakenman een doel op zichzelf. Toeristen,
Bildungsreizigers en schrijvers deden de stad vooral aan als ze vanuit het
Habsburgse land op weg waren naar Venetië, andere Italiaanse steden of de
badplaatsen in Istrië. Een klassiek voorbeeld van een dergelijk reiziger is de
schrijver Gustav von Aschenbach in Thomas Manns novelle Der Tod in Venedig (1911). Voor reizigers uit Midden-Europa
betekende Triëst nog meer dan de
kennismaking met een onvermijdelijk tussenstation. Op weg naar Triëst, bij
Opicina, werd iets gezien dat Freud snel verveelde maar in de oude tijd –
brieven en dagboeken getuigen ervan – een welhaast mystieke aantrekkingskracht
bezat: de zee.
De dichter August von
Platen (1796-1835) is bijna achtentwintig jaar oud als hij eind augustus 1824
vanuit Erlangen via Nürnberg naar Salzburg reist. Op dat moment is hij
enigermate bereisd: als jongeling heeft hij Zwitserland verkend, in Duitsland
is hij tot aan Keulen gekomen en Frankrijk kent hij als deelnemer aan een
veldtocht in 1815. Via Villach gaat Von Platens reis over huidig Sloveens en
Italiaans grondgebied via Görz naar Triëst. Görz (nu Gorizia) is de eerste stad
met een Italiaans karakter die hij ziet. Triëst bereikt hij op 5 september
1824, na een tocht vol verrassingen waarover hij de volgende dag in zijn
dagboek noteert:
De weg
hierheen is bezaaid met kleine plaatsjes, maar niettemin vreselijk, je reinste
steenachtige Arabië. Tussendoor zijn van tijd tot tijd wijngaarden en
moerbeiboomgaarden te zien. Overal in het rond massieve of merkwaardig
gespleten brokken kalksteen, die soms tot muurtjes zijn gestapeld of tot steenhopen
bijeengebracht. Reeds vóór Monfalcone is een smalle streep van de zee waar te
nemen. In Monfalcone, waar wij even uitstapten, beklom ik de berg waarop de
ruïnes van een eertijds hertogelijk slot staan, en aanschouwde in de verte de
zee waar vanwege de hitte van de dag een lichte nevel overheen hing. Ook bij
Duino ziet men eigenlijk meer kanalen en lagunes dan de open zee zelf; pas bij
Opicina strekt die zich in haar volle kracht uit. Zo heb ik de zee voor het
eerst gezien: doodstil en roerloos, door zelfs geen briesje bewogen. De
avondzon wierp van achter een dunne wolk een stralend witte glans op het water.
Daartoe daalde ik de steile berg af en liep de drukke straten van Triëst in.
Als eerste viel de klederdracht van de boeren – het was juist zondag – op, die
op het klimaat is afgestemd. Hun vilten hoed is voorzien van een brede rand,
het jasje hangt met de mouwen over hun schouders en de korte broek slobbert
losjes om hun knieën.[1]
De reis naar Triëst
openbaart aan Von Platen de mediterrane wereld. Het Zuiden biedt hem zoveel
vooroordelen boven de kleinburgerlijke Duitse provincie waar hij noch met zijn
werk noch met zijn homoseksuele geaardheid gedijen kan, dat hij spoedig, vanaf
1826, permanent in Italië verblijft. Het is evenwel niet Venetië, waarheen hij
op weg is en waar hij zijn beroemde sonnetten zou schrijven, maar Triëst en omgeving
die hem de eerste schok der herkenning van een warmere, vrijere wereld geven.
Dit blijkt uit het dagboekproza van Von Platen dat ineens verrassend spontaan
en beeldend overkomt en gespeend is van de neerslachtige toon van de eenzame
studentenkamer waarop de dichter ons in Duitsland trakteert.
Op 27 augustus klaagde Von Platen in Salzburg, waar hij
alleen met de politiecommissaris (die hem over zijn pas wilde spreken) en
kelners had gepraat, nog over een ‘gevoel van eenzaamheid dat onbeschrijfelijk’
is. In Triëst heeft hij ook geen aanspraak maar vervelen doet hij zich niet.
Triëst fascineert Von Platen schijnbaar als geen andere stad die hij voordien
zag. Hij maakt er ook kennis met de zee en geeft ons een aardig beeld van
Triëstijnse badcultuur dat duidelijk maakt dat onze ‘golfzwembaden’ ingenieuze
voorlopers hebben:
Triëst
overvalt en verdooft me te zeer dan dat ik er een volledig beeld van kan
krijgen en mijn indrukken van de eerste avond ordenen en aan mijn geestesoog
voorbij kan laten gaan. Ik nam mijn intrek in de ‘Locanda grande’ die aan de ene
kant uitziet op de Piazza Grande, de markt, en aan de andere kant op de haven.
Ik kreeg een mooie ruime kamer met uitzicht op zee en op de talloze masten van
schepen die hier voor anker liggen. Als ik de deur van mijn kamer opendoe kan
ik over een balkon heen op de piazza kijken. Eerst voelde ik een sterke
behoefte om een bad te nemen en ik liet me de weg wijzen naar de ‘Soglio di
Nettuno’, een heel mooi als badhuis ingericht schip dat door een loopbrug met
de wal is verbonden. De badkuipen kunnen door middel van een lattenbodem in zee
zakken, terwijl men met een handvat de diepte kan regelen, dus stijgen of
dalen. Het water blijft steeds door de openingen van de balustrade binnen
stromen en daardoor raakt men in een soort golvende beweging. Hier nu vond mijn
eerste kennismaking met zeewater plaats. Het is zo doorzichtig als glas en
onder water ziet het lichaam er uit als spierwit marmer. Na zo’n bad begint je
huid enigszins te gloeien. De smaak komt vrijwel overeen met die van de
zoutwaterbronnen in Hallein, denk ik. Na het bad ging ik naar het dek waar de
gasten kunnen gaan zitten om wat te drinken. De maan stond al boven het paleis
van Hieronymus Buonaparte en in het zuiden was het af en toe aan het
weerlichten.
In maart 1819, enige
jaren voor Von Platen, reist Franz Grillparzer (1791-1872), de hypochondrische
Oostenrijkse dramaturg en beambte, naar Triëst. Het is twee jaar na de
zelfmoord, door verdrinking in de Donau, van zijn zeventienjarige broer Adolf
en twee maanden na de zelfmoord van zijn moeder die zich in haar kamer had
opgehangen. Grillparzer hoopt zich op een reis door Italië van zijn depressie te
bevrijden. Evenals Von Platen noteert hij zijn indrukken van de woeste weg door
het Karstgebergte naar Triëst. Een dagboekaantekening van 28 maart 1819:
Toen
eindelijk de lang verbeide morgen aanbrak hadden wij Planina, Adelsberg Prewald
reeds achter ons gelaten en Sesana, de laatste pleisterplaats voor Triëst, lag
voor ons. Nu de duisternis langzaam week en ik om mij heen kon kijken, kwam het
mij voor alsof ik door een tovenaar in de nacht naar een ver verwijderd land
was overgebracht. Voor ons lag een kaal, verlaten landschap, vrijwel zonder
enige bebouwing; slechts hier en daar verspreid stonden enkele kastanjebomen,
die uit de vorige herfst hun verdroogde bladeren – een droevig overschot – tot
in de nu aangebroken lente hadden weten vast te houden, daartussen kromgegroeide
moerbeibomen waaromheen zich wijnranken slingerden. De velden waren bezaaid met
rotsblokken en gaven het geheel het aanzien van een stenen zee. Het was alsof
God hier op deze plek had gestaan toen hij na de zondeval van de mensen zijn
vloek over de aarde uitsprak.
De kennismaking met de
zee beschrijft Grillparzer met meer enthousiasme dan Von Platen. Zijn
verhouding tot dit nieuwe fenomeen heeft erotische kanten die zijn latere, in
vraagstukken van seksuele verbeelding gespecialiseerde stadgenoot dr. Sigmund
Freud interessant kon hebben gevonden:
Naarmate
wij dichter bij Triëst kwamen, merkten wij steeds duidelijker hoe het klimaat
veranderde: de gure, kille lucht werd milder, en alles scheen ons aan te
kondigen dat wij de toegang tot Hesperia hadden bereikt. Een paar mensen van
het platteland die wij onderweg tegenkwamen, met paard en wagen en met bizar
bruine en rode kleren aan, stemden met dit alles volkomen overeen en daardoor
waren onze verwachtingen, na 3 doorwaakte nachten en een reis van 80 mijl met
de postkoets, zo hoog gespannen als maar enigszins mogelijk was. Eindelijk de dogana van Opicina – een heuvel! –
Omhoog! – Ah! en daar lag zij dan voor ons, wijd en blauw en helder, en het was
de zee. Ik sprong uit de koets en liep er zo snel naartoe dat mijn reisgenoot
mij toeriep op te passen om niet naar beneden te storten. Een merkwaardige
gewaarwording drong zich bij mij op. Voorheen was ik al uit de verhalen die mij
waren verteld ervan overtuigd geraakt dat de aanblik van de zee mij bij lange
na niet dat verheven gevoel zou schenken dat het in mijn fantasie had
teweeggebracht en ik had derhalve het moment waarop ik haar in werkelijkheid
zou aanschouwen eerder met vrees dan met vreugde tegemoet gezien. Ik vreesde
namelijk een verheven schouwspel armer te worden en in ruil daarvoor een
waarheidsgetrouwer beeld te krijgen – voor een dichter een twijfelachtig
voordeel. En het voorgevoel van weleer werd inderdaad ten dele bewaarheid. Het
visioen van de zee was in mijn fantasie stellig indrukwekkender en geweldiger
geweest dan de werkelijkheid, maar toch was ik zo onder de indruk en geboeid
dat ik mij er nauwelijks van kon losmaken: dat de zee zo mooi, zo onbeschrijfelijk mooi was, had ik mij namelijk niet
voorgesteld. Zoals zij daar lag, een liefelijk tafereel dat het midden hield
tussen een groene golvende weide en de stille blauwe hemel, zo weldadig voor
het oog dat de taal geen woorden kent om dit te beschrijven, zo zachtaardig en
mild dit weerbarstige, tomeloze element, als een geliefde, die nog tweemaal zo
schoon is wanneer na een opwelling van woede en razernij haar toorn is geluwd
en zij dan, tweemaal zo liefdevol, haar beminde teder en verzoenend in de armen
neemt.- Zo had ik het mij nooit voorgesteld en daarom was ik uitermate verrast
en geboeid. Eigenlijk biedt de zee bij Triëst niet eens een echt grootse aanblik. De onmetelijkheid
waarmee voor het geestesoog het visioen van de zee gepaard gaat en deze tot het
meest verheven tafereel maakt dat de zichtbare wereld bezit, verdwijnt hier
volkomen, want aan 3 zijden zijn de oevers zichtbaar en aan de 4de,
oeverloze, lijkt zich voor het oog ook uit wolken en nevels gemakkelijk een
oever te vormen.
Overigens biedt Triëst
allerwegen, zowel vanaf het gebergte waaraan het ligt als vanuit zee gezien, een
buitengewoon fraaie aanblik. De zee met al haar majestueuze pracht, de talloze
scheepsmasten, de drommen mensen in allerlei kleding en met allerlei talen,
alles is nieuw en fascinerend. En het is een uiterst vreemd gezicht als men op
open plekken midden in de stad flinke zeeschepen ziet liggen die met hun masten
ver boven de omringende huizen uitsteken.
Hoe overweldigend de
indruk ook is die de zee bij Triëst op Grillparzer maakt, de verdere reis door
Italië deprimeert hem voornamelijk. Reeds luttele dagen later noteert hij in
Venetië, waar Von Platen schijnbaar de gelukkigste tijd van zijn leven
doorbrengt, dat de eerste indruk van deze stad met haar ‘moerassige lagunen,
deze stinkende kanalen, de smerigheid en het geschreeuw van dit onbeschaamde
bedriegersvolk’ op hem ‘bevreemdend, benauwend, onaangenaam’ werkt. Ook in Rome
komt hij niet tot opwekkende gedachten. Grillparzer, die ondanks het grote
oeuvre dat hij op zijn naam brengt, veroordeeld blijft tot een levenslang Weens
beambtenbestaan, is een zeldzaam voorbeeld van een Duitstalig schrijver voor
wie de Italië-ervaring geen verrijking van het leven heeft betekend.
Adalbert Stifter
(1805-1868), Oostenrijks prozaschrijver en meester van de natuurschildering,
bereikt in tegenstelling tot Grillparzer het eigenlijke Italië nooit. Het
grootste deel van zijn leven brengt hij door in de Oostenrijkse provincie.
Stifter, zoon van een linnenwever, voelt zich in de ‘grote wereld’ ook niet
thuis. Zijn imago is dat van een gekwelde kleinburger, die in zijn leven achter
een façade van Biedermeier-harmonie heel wat examenangst, liefdesverdriet,
geldzorgen en onzekerheid heeft moeten verdragen. Hij is al ver over de
vijftig, van beroep inspecteur bij het lager onderwijs, wanneer hij in juni
1857 voor het eerst in zijn leven een reis richting Italië maakt (tot dan toe
is hij niet verder dan Zuid-Duitsland gekomen). In zijn gezelschap bevinden
zich zijn echtgenote Amalie en zijn pleegdochter Juliana, die twee jaar later
zelfmoord pleegt door in de Donau te springen.
Op 28 juni 1857 doet Stifter vanuit Klagenfurt verslag
van zijn zeeërvaringen in een brief aan Johann Ritter von Fritsch:
Gisteren
zijn wij na een reis vanuit Triëst via Udine hier weer aangekomen. Ik heb nu de
zee gezien. O, mijn vriend, wat zijn de Alpen en al die andere dingen bij ons,
vergeleken met de grootsheid van de zee? Nu ik die gezien heb denk ik dat ik
beslist niet meer verder had kunnen leven als ik haar niet had gezien. De
bekoring en de grootsheid van dit fenomeen heeft op mij een indruk gemaakt die
een keerpunt in mijn geestesleven teweegbrengt. Ik ben plotseling rijk geworden
en vervuld geraakt van een niet aflatend
verlangen, de ‘eeuwige zee’ (zoals Homerus zegt) nooit meer geheel uit het oog
te verliezen. Het is alsof mijn ziel is uitgedijd, ruimer is dan vroeger en
alsof de oneindigheid buiten mij een gestadige stroom voedsel schenkt aan de
oneindigheid binnen in mij. Veel daarover mondeling. In Opicina heb ik op een ochtend 2 uur op een heuvel gezeten. In Triëst
heb ik vele uren aan het kijken naar de open, wijde zee besteed.
Een paar weken later, op
20 juli 1857, komt Stifter nogmaals over zijn ervaringen te spreken, dit keer
in een brief aan Gustav Heckenast, zijn uitgever. Een beschrijving van een
Triëstijnse nacht met storm en onweer is Stifter wel toevertrouwd:
Hoe
groot is God, hoe wonderbaarlijk is Zijn wereld! Ik heb u mondeling zeer veel
te zeggen; het papier is te klein voor welke mededeling dan ook. De volgende
dagen heb ik, vlak aan het water staande, eveneens vele uren aan zee
doorgebracht en ik kon er maar niet genoeg van krijgen, ernaar te kijken. Ik
had nooit kunnen vermoeden dat de zee zo liefelijk
kan zijn. Van dag tot dag, van uur tot uur was zij weer anders en steeds even
behoorlijk. In vele kleuren, als bleek smaragd, als stralend azuurblauw of
ultramarijn, ja als een pantser met louter zilveren schubben lag zij daar
flonkerend voor mij, al naar gelang er een zonnestraal overheen gleed of dat
zich een met wolken bedekte of stralend heldere hemel erboven welfde, al naar
gelang des morgens de lucht er stil en intens blauw dan wel door de middaghitte
bijna witgloeiend uitzag. Op de 21ste zag ik des namiddags in het
westen een onweer uit zee opkomen. De wolken stonden er loodrecht boven, het
leek een reusachtig meer en de wolken leken duizelingwekkend hoge bergen, hoog
oprijzend aan zijn oever in de verte. Zoals ik dat ook onder andere
omstandigheden had gedacht, vond ik toch ook ditmaal de zee op haar mooist. Ik
vertoefde in het Hotel de la Ville, rechtstreeks tegen de rede gelegen. Tegen
de 300 schepen lagen voor mij. Omstreeks 8 uur begon het te weerlichten,
waarbij de bliksemschichten zo werden weerkaatst dat hemel en zee dikwijls een
en al vuur lijken en de talloze schepen telkens een ogenblik in de leegte
hingen. Intussen heerste een ademloze stilte. Om 11 uur kwam de storm, en het
onweer hing boven onze hoofden. Helaas kon ik wegens de duisternis het schuimen
van de zee niet zien, alleen maar horen. En zij hoorden wij ook het geroep van
de scheepslieden in de touwen, bij tijd en wijle het luiden van de
scheepsklokken, het geratel van kettingen van uitgeworpen noodankers en af en
toe een kanonschot. Er schijnen 3 schepen van hun kettingen losgerukt maar door
stoomschepen weer binnengesleept te zijn. Van ongelukken verder de zee op werd
niets vernomen. De volgende dag was de zee onrustig. De fraaie, roodachtig
schemerende rotsachtige kusten van Muggia, Capodistria, Pirano en daarachter
het grijsgrauwe, eentonige Karstgebergte staken prachtig af tegen het
donkerblauwe, uitgestrekte, golvende zeeoppervlak en de talrijke zeilen bewogen
zich helder blinkend, vooral wanneer er af en toe een zonnestraal op viel,
voort over hun donkere ondergrond. Vluchtige schaduwen van voorbijtrekkende
wolken gleden over het tafereel. Tegen de namiddag werden lucht en water
kalmer.
De zee zou Stifter niet meer
terugzien. Hij komt op deze reis ook niet verder dan Triëst: van een bezoek aan
Venetië, Florence en Rome moet hij uit geldgebrek afzien. Hij gelooft dat hij
heel wat heeft gemist. In dezelfde brief schrijft hij Heckenast: ‘Goethe is pas
door Italië een groot dichter geworden; ware ik 20, 25 jaar gelden voor de
eerste maal en daarna nog meermalen in Italië geweest, dan was er ook van mij
iets terechtgekomen. Als bedenkt wat er eigenlijk niet tot stand is gekomen,
dan zou je hart bijna breken.’ Maar Stifters hart breekt ook al op het moment
dat hij tot dit inzicht komt:
Ik ben
door de zee en door de indrukken die ik van een onbekend volk heb opgedaan nog
ééns zo rijk geworden als ik voordien was. Maar juist uit dit beginstadium is
mij duidelijk geworden hoe arm ik nog ben. Vreemde landstreken en mensen
verruimen de blik en maken dat de kunst grootser en universeler wordt. Zelfs
van Der Nachsommer, hoe Duits deze
ook is, had ik iets anders gemaakt wanneer ik hem na deze reis had geschreven.
Ook mijn echtgenote zwelgde van verrukking, iets wat ik vroeger nooit bij haar
had meegemaakt. Wij verlieten in de omgeving van Duino de zeekust en dat was
dan ook welhaast een deprimerende ervaring, en het landschap van het
Karstgebergte kwam ons voor als vloeipapier. En toch is dat gebergte in al zijn
verlatenheid ook merkwaardig te aanschouwen, en telkens weer zie ik het voor
mij.
Triëst, als poort naar de
zee, heeft een plaats in de Duitse literatuur die meer dan anekdotisch is. Met de
uitbouw van het Europese spoorwegennet, de val van het Habsburgse rijk en de
opkomst van de luchtvaart is Triëst ondertussen economisch minder belangrijk geworden. De lijnboten op Ancona,
Igoumenitsa en Venetië varen nog steeds maar de rol die de stad als aankomst-
en transithaven speelt is veel minder opvallend dan in de tijden van
Winckelmann, Van Platen en Von Aschenbach. Ondertussen lijkt de zee al lang
niet meer ‘doorzichtig als glas’ als bij Von Platen, het ‘verheven beeld’ of de
‘geliefde’ van Grillparzer, niet meer een louterende ervaring die het leven
verandert en het verleden in een ander licht stelt als bij Stifter.
Grillparzer, Von Platen en Stifter reisden per koets naar
Triëst – de gauw verveelde Freud nam reeds de trein. De mogelijkheden om je
snel over de aardbol te verplaatsen, zorgen er inmiddels voor dat voor een Europeaan
niets meer ver is: de supermarkt-reiscultuur uit ons tijdperk van de
chartervlucht brengt de toerist eerder aan de hete stranden van Thailand of
voor de tempels van Mexico dan in het Karstgebergte boven Triëst. Eigenlijk is
onze wereld de afgelopen eeuwen voortdurend gekrompen.
Jan Paul Hinrichs
Jan Paul Hinrichs
geciteerde literatuur
Sigmund Freud, Jugendbriefe an Eduard Silberstein 1871-1881
(ed. Walter Boehlich), Frankfurt am Main 1989.
Grillparzers Werke (ed. August Sauer), Zweite Abt.,
vii, Wien 1914.
August
von Platen, Memorandum van mijn leven.
Uit de dagboeken (vert. C.R. Vink; keuze en nawoord van Jan Paul Hinrichs),
Leiden 1990.
Die Tagebücher des Grafen August
von Platen (ed.
G. von Laubmann & L. von Scheffler), 2 dln., Stuttgart 1896-1900.
Adalbert
Stifter, Sämtliche Werke (ed.
Adalbert Horcicka & Gustav Wilhelm), xix,
Prag 1923.
[1] De in dit artikel geciteerde fragmenten uit het werk van Von Platen,
Grillparzer en Stifter zijn uit het Duits vertaald door C.R. Vink.
| Eerder verschenen in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (eds.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2de druk 2012), pp. 26-36.
In Duitse versie verscheen dit stuk onder de titel 'Die Entdeckung des Meeres - Platen, Grillparzer und Stifter auf dem Wege nach Triest' in: Jattie Enklaar & Hans Ester (eds.), Geborgenheit und Gefährdung in der epischen und malerischen Welt Adalbert Stifters (Würzburg: Königshausen und Neumann, 2006), pp. 179-185 (Deutsche Chronik; 55).
| Eerder verschenen in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (eds.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2de druk 2012), pp. 26-36.
In Duitse versie verscheen dit stuk onder de titel 'Die Entdeckung des Meeres - Platen, Grillparzer und Stifter auf dem Wege nach Triest' in: Jattie Enklaar & Hans Ester (eds.), Geborgenheit und Gefährdung in der epischen und malerischen Welt Adalbert Stifters (Würzburg: Königshausen und Neumann, 2006), pp. 179-185 (Deutsche Chronik; 55).
woensdag 6 augustus 2014
Nicolaas van Wijk: Nieuwstraat 36 te koop
NIEUWSTRAAT 36, LEIDEN: HET HUIS VAN NICOLAAS VAN WIJK TE KOOP
Op 6 augustus 2014 verscheen op de makelaarssite Funda de advertentie waarmee Nieuwstraat 36 te Leiden, het oude huis van Nicolaas van Wijk, in de verkoop kwam. De verkoopprijs bedraagt € 1.700.000,-. Ook blijkt het pand te huur voor € 79.000,- per jaar. Het huis komt vaak voor in de berichten over Nicolaas van Wijk op deze blog. De opmerking in de advertentie dat volgens onbevestigde berichten prinses Juliana in de tuinkamer vioolles kreeg, lijkt ook aan deze blog ontleend. We citeren hier de volledige advertentietekst van De Leeuw Makelaardij b.v.:
TE KOOP EN TE HUUR
Algemeen:
Een groene oase in de binnenstad!
Wat een verrassing, wat een sfeervol pand!
Te huur, aan de voet van de Hooglandse kerk en midden in het historische hart van Leiden, een karakteristiek historisch pand met diepe binnentuin en tuinkamer, oorspronkelijk gebouwd rond 1500 en nu een Rijksmonument in uitstekende staat. Bijzonder zijn de muurteksten in het pand.
Tussen 2010 en 2014 is het pand volledig aangepast aan de wensen van deze tijd (datalijnen in alle ruimten, airco) en met veel aandacht en liefde onder architectuur in oude glorie hersteld. Mede daardoor heeft het nog veel originele details, zoals: beschilderd houten plafond, binnenluiken, tuinkamer, originele schouwen, monumentale vloeren van marmer, hout en tegels.
Het pand is geschikt als kantoor, woonhuis of een combinatie daarvan (bestemmingsplan GD: gemengde doeleinden).
Ligging en bereikbaarheid:
Het pand heeft uitzicht op andere historische panden, ligt naast veilinghuis Onder de Boompjes en te midden van gezellige winkels, restaurants en terrasjes. De zaterdagse markt en de grachten liggen om de hoek.
De Nieuwstraat is prima bereikbaar vanaf de A4 en de A44 en heeft (betaalde) parkeermogelijkheden voor de deur. Er zijn 2 parkeergarages binnen een straal van 500 m (jaarhuur mogelijk). Leiden CS ligt op circa 10 minuten loopafstand (een historische wandelroute is beschikbaar).
Indeling:
Het pand telt 3 verdiepingen en is verdeeld over een voor- en een achterhuis. Dat maakt het verrassend en speels. De totale oppervlakte bedraagt ca 460 m² en de inhoud bedraagt ca.1.485 m³
Begane grond:
Hardstenen stoep met bijbehorende paaltjes, fraai entree naar hal met marmeren vloer, garderobe, toilet met wasbekken, bergruimte en doorkijk/toegang naar 40 m diepe binnentuin. Links en rechts hoge kamers met parket, marmeren schouw, beschilderd houten plafond, binnenluiken en fraaie raampartijen.
Achterkamer met uitzicht op het terras en de tuin, historische wandkasten, marmeren schouw en parketvloer. Monumentale keuken met veel bergruimte, deur naar de tuin, tegelvloer. Quooker, vaatwasser en heteluchtoven.
Lange gang naar de hoge, halfronde muziekkamer met bijzondere akoestiek, fraaie schouw, monumentale vloer, wandkasten en openslaande deuren naar de tuin.
Fraai en licht trappenhuis (met gangkast) naar overloop en bijzondere, ruime toiletruimte met wastafel.
1e verdieping:
2 Grote, hoge en ruime zonnige kamers met uitzicht op de karakteristieke leilindes en historische panden. 2 Achterkamers met uitzicht op de tuin.
Trappartij met gangkast naar 2e verdieping.
2e verdieping:
Overloop met hoge dakspanten, pantry (incl. vaatwasser en Quooker), 5 kamers met balkenplafonds.
Tuin:
De lommerrijke, zonnige en goed onderhouden stadstuin heeft een terras, gazon, bloemenperken en diverse zitmogelijkheden. De fraaie bomen, de gestucte wanden en het uitzicht op de Hooglandse kerk geven de tuin haar bijzondere charme.
Status: Rijksmonument
Monumentnummer 25240
Beschrijving: Pand met bakstenen gevel met rechte kroonlijst, deuromlijsting en bovenlicht. Hardstenen stoep met palen.
Opleveringsniveau:
Het geheel wordt compleet en verzorgd opgeleverd. Zowel het exterieur als het interieur spreken absoluut tot de verbeelding. Aanwezig zijn:
• Cv-installatie
• Dubbele beglazing (deels monumentenglas)
• Airco
• Alarminstallatie
• Data bekabeling
• Inbouwkeukenapparatuur en Quookers
Het pand wordt wekelijks onderhouden door een tuinman en een interieurverzorgster. Voortzetting van hun betrokkenheid is wenselijk.
Koopprijs:
De vraagprijs voor het geheel bedraagt € 1.700.000,= kosten koper.
Zekerheidstelling:
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 10 % van de koopsom.
Koopovereenkomst
Het koopcontract zal vervaardigd worden op basis van het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
Huurprijs
De huurprijs bedraagt € 79.000,= per jaar exclusief BTW, gas, water en elektriciteit. Betaling per maand vooruit.
Huurtermijn
Het pand is per 1 juli 2014 beschikbaar en wordt verhuurd voor 5 jaar met verlenging voor dezelfde huurtermijn. Overleg is mogelijk.
Zekerheidstelling
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 3 maanden huur inclusief BTW.
Huurovereenkomst
Het huurcontract is overeenkomstig met het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
Huurprijsindexering
De indexering geschiedt jaarlijks (voor het eerst één jaar na huuringangsdatum) aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer (CPI Alle Huishoudens) zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Historie
Bijzonder is dat het huidige pand en de huidige tuin al in 1500 op tekeningen terug te vinden is. Een vorige bewoner heeft van het pand een uitgebreide beschrijving geschreven, met daarbij oude foto’s. Een bouwhistorisch onderzoek bracht vele verrassende details aan het licht.
Voor de toekomstige huurders, is een kopie van beide documenten natuurlijk voorhanden.
Tot in de twintigste eeuw werd het pand bewoond door de eigenaren van de naastgelegen distilleerderij “Onder de Boompjes’ (nu veilinghuis). De Tuinkamer met z’n prachtige akoestiek werd rond 1850 aangebouwd voor een muzikale zoon, de latere dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Volgens niet bevestigende bronnen kreeg prinses Juliana er vioolles. Nog worden er regelmatig zondagmiddagconcerten gegeven.
De stadstuin is een oase van rust. Het is, samen met het fraai beschilderde houten plafond in de voorkamer en de bijzondere sfeer die in het pand hangt, een grote verrassing voor onder meer de talrijke bezoekers van de Monumentendagen, waarvoor het pand regelmatig haar deuren opent.
| Klik op het label hieronder voor meer blogberichten over Nicolaas van Wijk.
Algemeen:
Een groene oase in de binnenstad!
Wat een verrassing, wat een sfeervol pand!
Te huur, aan de voet van de Hooglandse kerk en midden in het historische hart van Leiden, een karakteristiek historisch pand met diepe binnentuin en tuinkamer, oorspronkelijk gebouwd rond 1500 en nu een Rijksmonument in uitstekende staat. Bijzonder zijn de muurteksten in het pand.
Tussen 2010 en 2014 is het pand volledig aangepast aan de wensen van deze tijd (datalijnen in alle ruimten, airco) en met veel aandacht en liefde onder architectuur in oude glorie hersteld. Mede daardoor heeft het nog veel originele details, zoals: beschilderd houten plafond, binnenluiken, tuinkamer, originele schouwen, monumentale vloeren van marmer, hout en tegels.
Het pand is geschikt als kantoor, woonhuis of een combinatie daarvan (bestemmingsplan GD: gemengde doeleinden).
Ligging en bereikbaarheid:
Het pand heeft uitzicht op andere historische panden, ligt naast veilinghuis Onder de Boompjes en te midden van gezellige winkels, restaurants en terrasjes. De zaterdagse markt en de grachten liggen om de hoek.
De Nieuwstraat is prima bereikbaar vanaf de A4 en de A44 en heeft (betaalde) parkeermogelijkheden voor de deur. Er zijn 2 parkeergarages binnen een straal van 500 m (jaarhuur mogelijk). Leiden CS ligt op circa 10 minuten loopafstand (een historische wandelroute is beschikbaar).
Indeling:
Het pand telt 3 verdiepingen en is verdeeld over een voor- en een achterhuis. Dat maakt het verrassend en speels. De totale oppervlakte bedraagt ca 460 m² en de inhoud bedraagt ca.1.485 m³
Begane grond:
Hardstenen stoep met bijbehorende paaltjes, fraai entree naar hal met marmeren vloer, garderobe, toilet met wasbekken, bergruimte en doorkijk/toegang naar 40 m diepe binnentuin. Links en rechts hoge kamers met parket, marmeren schouw, beschilderd houten plafond, binnenluiken en fraaie raampartijen.
Achterkamer met uitzicht op het terras en de tuin, historische wandkasten, marmeren schouw en parketvloer. Monumentale keuken met veel bergruimte, deur naar de tuin, tegelvloer. Quooker, vaatwasser en heteluchtoven.
Lange gang naar de hoge, halfronde muziekkamer met bijzondere akoestiek, fraaie schouw, monumentale vloer, wandkasten en openslaande deuren naar de tuin.
Fraai en licht trappenhuis (met gangkast) naar overloop en bijzondere, ruime toiletruimte met wastafel.
1e verdieping:
2 Grote, hoge en ruime zonnige kamers met uitzicht op de karakteristieke leilindes en historische panden. 2 Achterkamers met uitzicht op de tuin.
Trappartij met gangkast naar 2e verdieping.
2e verdieping:
Overloop met hoge dakspanten, pantry (incl. vaatwasser en Quooker), 5 kamers met balkenplafonds.
Tuin:
De lommerrijke, zonnige en goed onderhouden stadstuin heeft een terras, gazon, bloemenperken en diverse zitmogelijkheden. De fraaie bomen, de gestucte wanden en het uitzicht op de Hooglandse kerk geven de tuin haar bijzondere charme.
Status: Rijksmonument
Monumentnummer 25240
Beschrijving: Pand met bakstenen gevel met rechte kroonlijst, deuromlijsting en bovenlicht. Hardstenen stoep met palen.
Opleveringsniveau:
Het geheel wordt compleet en verzorgd opgeleverd. Zowel het exterieur als het interieur spreken absoluut tot de verbeelding. Aanwezig zijn:
• Cv-installatie
• Dubbele beglazing (deels monumentenglas)
• Airco
• Alarminstallatie
• Data bekabeling
• Inbouwkeukenapparatuur en Quookers
Het pand wordt wekelijks onderhouden door een tuinman en een interieurverzorgster. Voortzetting van hun betrokkenheid is wenselijk.
Koopprijs:
De vraagprijs voor het geheel bedraagt € 1.700.000,= kosten koper.
Zekerheidstelling:
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 10 % van de koopsom.
Koopovereenkomst
Het koopcontract zal vervaardigd worden op basis van het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
Huurprijs
De huurprijs bedraagt € 79.000,= per jaar exclusief BTW, gas, water en elektriciteit. Betaling per maand vooruit.
Huurtermijn
Het pand is per 1 juli 2014 beschikbaar en wordt verhuurd voor 5 jaar met verlenging voor dezelfde huurtermijn. Overleg is mogelijk.
Zekerheidstelling
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 3 maanden huur inclusief BTW.
Huurovereenkomst
Het huurcontract is overeenkomstig met het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
Huurprijsindexering
De indexering geschiedt jaarlijks (voor het eerst één jaar na huuringangsdatum) aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer (CPI Alle Huishoudens) zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Historie
Bijzonder is dat het huidige pand en de huidige tuin al in 1500 op tekeningen terug te vinden is. Een vorige bewoner heeft van het pand een uitgebreide beschrijving geschreven, met daarbij oude foto’s. Een bouwhistorisch onderzoek bracht vele verrassende details aan het licht.
Voor de toekomstige huurders, is een kopie van beide documenten natuurlijk voorhanden.
Tot in de twintigste eeuw werd het pand bewoond door de eigenaren van de naastgelegen distilleerderij “Onder de Boompjes’ (nu veilinghuis). De Tuinkamer met z’n prachtige akoestiek werd rond 1850 aangebouwd voor een muzikale zoon, de latere dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Volgens niet bevestigende bronnen kreeg prinses Juliana er vioolles. Nog worden er regelmatig zondagmiddagconcerten gegeven.
De stadstuin is een oase van rust. Het is, samen met het fraai beschilderde houten plafond in de voorkamer en de bijzondere sfeer die in het pand hangt, een grote verrassing voor onder meer de talrijke bezoekers van de Monumentendagen, waarvoor het pand regelmatig haar deuren opent.
| Klik op het label hieronder voor meer blogberichten over Nicolaas van Wijk.
zondag 3 augustus 2014
Schoon & haaks [afl. 2]
SCHOON & HAAKS [AFL. 2]
In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang
2014 een rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privé-drukkers
en marginale uitgevers bespreek. In de tweede aflevering staan
recensies van de volgende boeken:
- Geerten Meijsing, Boedelbeschrijving. Haarlem: De Vrienden van de Vorm, 2013 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
- Yves Bonnefoy, Zomerregen. Vertaling Kiki Coumans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
- Paul Celan, Jaap Geraedts, Keinerlei “Silberstreifen” am Horizont. Der Briefwechsel des Dichters mit dem Komponisten (ed. Paul Sars). Zürich-Münster: LIT Verlag, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
- C.O. Jellema, In beelden aanwezig. Over poëzie. Houwerzijl: Uitgeverij Vliedorp, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
- Leopold Andrian, Zeven gedichten. Vertaling C.O. Jellema. Woubrugge: Avalon Pers, 2013 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
- Huyck van Leeuwen, Verwaaide notities. Terhorst: Ser J.L. Prop, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 19 (2014), nr. 3, pp. 68-72.
Abonneren op:
Posts (Atom)
