woensdag 19 februari 2020

Lemberg - Lwów - Lviv: Günter Eich


EEN SCHIMMIGE DIENSTREIS
Günter Eich over Lemberg


Een Wehrmacht-soldaat komt gedurende de Tweede Wereldoorlog in Lemberg - dat is de achtergrond van het bekende, vlak na de oorlog geschreven verhaal ‘Der Zug war pünktlich’ van Nobelprijswinnaar Heinrich Böll (1917-1985), waarin de jonge Andreas ‘weet’ dat hij snel sterven zal, ‘tussen Lemberg en Czernowitz’. Het lijkt ook de achtergrond van het gedicht ‘Lemberg’ dat de Duitse dichter Günter Eich (1907-1972) in 1955 publiceerde in zijn bundel Botschaften des Regens. Onbewerkte poëtische dagboeknotities uit de oorlog kunnen de negen regels van het tweedelige gedicht niet zijn, want volgens het commentaar in het verzameld werk schreef Eich dit gedicht in 1955: 

1
Stad op hoeveel heuvels.
Vergrijsd geel.
Een klokkentoon geeft het je mee,
hoorbaar in het rammelen
van je identiteitsplaatje.
2
Hellingen ontelbaar als de angst.
De tram eindigt
in een steppe van onkruid,
voor versleten deuren.

Waarschijnlijk duidt Eich met ‘geel’ op het okergeel van Lembergse façades: de kleur van de gebouwen uit de Habsburgse tijd. Het ‘identiteitsplaatje’ zal van een soldaat zijn en herinnert vooral aan dood en gevangenschap. Angst heerst in de stad. Maar dat het oorlog is, blijkt alleen uit het identiteitsplaatje. Er staat meer niet dan wel in deze regels, maar de spanning en dreiging in een stad in oorlog lijkt Eich subtiel te hebben vastgelegd.
            Er bestaan twee in de ik-vorm geschreven varianten van dit gedicht die postuum zijn uitgegeven. In één variant is onmiskenbaar sprake van oorlog, want er wordt gezocht naar deserteurs:

Stad op hoeveel hevels,-
ik tel de heuvels en de angst niet.
Ook de tram troost niet,
hij eindigt in een steppe van onkruid
en bij de ingangen van de bioscopen
die doorzocht worden op deserteurs.
Geel, vergrijsd geel.
Een klokkentoon neem ik mee,
hij wordt hoorbaar in elk rammelen
van mijn identiteitsplaatje.

De tweede, nog minder voltooide variant is ook duidelijk wat de oorlogssituatie betreft:

Heuvelige stad. Het angstige
lachen van een vrouw.
Maar het soldatentehuis? En het ontluizen.
Een klokkentoon bleef lang te horen.
Ik behield de indruk van geel.

Günter Eich heeft in het begin van de Tweede Wereldoorlog als soldaat in Frankrijk gediend. In februari 1941 kreeg hij een baantje in de Stabsstelle Papier bij het Oberkommando der Wehrmacht in Berlijn. Eigenlijk was dat een literair productie- en censuurbureau, waar Eich een Frontbücherei opzette waarin ook werk van hemzelf verscheen. Hierdoor zag hij weinig van het front. In 1945 raakte hij bij Remagen in Amerikaanse gevangenschap. Als lid van de Gruppe 47 behoorde Eich in de jaren vijftig en zestig tot de culturele elite van de Duitse Bondsrepubliek. Zijn rol in de oorlog blijft nogal omstreden.
            De lezer is geneigd aan te nemen dat Eich het gedicht ‘Lemberg’ uit eigen ervaringen schreef. In de literatuur over Eich staat evenwel niets over een verblijf aan het oostfront. Toch lijkt een kort verblijf of een dienstreis aan te nemen gezien de details over Lemberg die Eich noemt. En er is een op 29 december 1964 gedateerd gedicht ‘Alle Augenblicke’ dat pas na zijn dood werd gepubliceerd en waarin de dichterlijke ‘ik’ zich momenten uit het verleden herinnert: ‘Op dit ogenblik / begon ik grammofoonplaten te verzamelen, / kwam de dienstreis naar Lemberg gelegen.’
            De laatste regel lijkt te specifiek om niet autobiografisch te zijn. Maar harde gegevens ontbreken. Het archief van de Wehrmacht dat bij de Deutsche Dienststelle in Berlijn berust, kon desgevraagd geen opheldering verstrekken. Wel bewaarde de Duitse bureaucratie het nummer op Eichs identiteitsplaatje: Fl. H. Kdtr. E 93-238.

Jan Paul Hinrichs
           
| Eerder gepubliceerd als achtste hoofdstuk in: Jan Paul Hinrichs, Lemberg – Lwów – Lviv (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2008), pp. 97-100. [uitverkocht]

Op dit blog staan ook andere hoofdstukken van dit boek. Voor meer informatie klik hier.



Lemberg - Lwów - Lviv: Zbigniew Herbert


‘TORENS BLIJVEND IN DE DAGERAAD’
Het naamloze Lwów van Zbigniew Herbert

In Lviv, even ten westen van het oude centrum, ligt aan de langgerekte, drukke Lyčakiv’skastraat de Rooms-katholieke kerk van Sint-Antonius. In deze barokke kerk met opvallende klokkenmuur wordt de mis nog altijd in het Pools opgedragen. Deze kerk en de kathedraal in het oude centrum waren in de Sovjettijd naar verluidt de enige twee van de ooit tientallen katholieke kerken van de stad die open bleven voor de gelovigen.  De overige kerken veranderden in de meeste gevallen in opslagplaatsen, bijvoorbeeld voor spandoeken, portretten en banieren die op communistische feestdagen in processie door de stad werden gedragen.
            Iets voorbij de ingang, aan de rechterzijmuur, hangt een stenen plaat ter herinnering aan de Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) die op 26 december 1924 in deze kerk werd gedoopt. Er staat een fragment van een gedicht van Herbert op de plaat, de slotregels van het gedicht ‘Mijn stad’, gepubliceerd in de bundel Hermes, de hond en de ster (1957):

de oceaan van het vluchtige geheugen
omspoelt verbrokkelt de beelden

uiteindelijk blijft de steen over
waarop ik werd gebaard

elke nacht sta ik blootvoets
voor de dichtgeslagen poort
van mijn stad*

Herbert schetst in dit gedicht een beeld van zijn geboortestad Lwów. Als een boeteling en balling blijft hij voor de poort van de stad staan. Hij verwoordt een droom waarin hij een wandeling maakt door het oude centrum, zoals hij dat in zijn jeugd had gekend:

ik droomde dat ik op weg was
van mijn ouderlijk huis naar school
ik weet hoe ik altijd liep
links de winkel van Paszanda
het derde gymnasium de boekhandels
door de ruit zag ik zelfs
het hoofd van de oude Bodeke

ik wil afslaan naar de kathedraal
plotseling breekt het uitzicht af
er is geen vervolg
je kunt niet verder
terwijl ik toch zeker weet
dat het geen doodlopende straat is*

Herberts ouderlijk huis, een appartement op Lyčakiv’skastraat 20 (nu 55) dat ook met een herdenkingsplaat is gemarkeerd, staat niet ver van de kerk van Sint-Antonius. Dat was ook de naam van zijn school, getuige het gedicht ‘Meneer Cogito. Een les in de kalligrafie’ dat in zijn laatste bundel, Epiloog van het onweer (1998), staat:

Slecht een keer in zijn leven
lukte het meneer Cogito
het hoogste meesterschap te bereiken

in klas één
van de lagere school
van Sint-Antonius
zeventig jaar gleden
in Lwów

een schoonschrijfwedstrijd
meneer Cogito brak het record

hij schreef het mooist
de letter b*

Twintig jaar lang heeft Herbert met zijn vader, moeder, zuster, broer en zeer vereerde Armeense oma in het Poolse Lwów gewoond. Binnen de stad verhuisde de bemiddelde familie drie keer. De zomers werden doorgebracht in een wit – de steeds terugkerende kleur in zijn poëzie – buitenhuis, niet ver van Lwów. De schijnbaar onbezorgde en beschermde jeugd van Herbert eindigde in 1939 bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, toen Duitse bommen op de stad vielen. Het openingsgedicht ‘Twee druppels’ in Herberts debuutbundel Een snaar van licht (1956) gaat over twee geliefden wier idylle door de oorlog verstoord werd, maar die elkaar trouw bleven. Een autobiografisch gedicht? We weten het niet, maar dood, trouw en medeleven bleven tot het einde wel hoofdthema’s in Herberts poëzie:

Wanneer het heel slecht werd
vlogen ze in elkaars ogen
en sloegen die zo goed dicht

dat ze zelfs het vuur niet merkten
dat al aan hun wimpers likte
tot het eind waren ze moedig
tot het eind waren ze trouw
tot het eind waren ze gelijk
als twee druppels
op de gezichtsrand stilgehouden*

We weten niet veel van Herberts leven gedurende de bezetting van Lwów. In biografische schetsen leest men dat hij met ondergrondse Poolse groeperingen te maken had. De Poolse dichter Adam Zagajewski, zelf ook uit Lwów afkomstig, heeft in zijn voorwoord bij een recente Engelse vertaling van Herberts verzamelde gedichten zich een voorstelling proberen te maken van Herbert die de oorlogsjaren als een verschrikte schoonheidsaanbidder doorbrengt: ‘We kunnen ons een jeugdige Herbert voorstellen (ik vind het leuk zo te denken) die in het bezette Lwów albums met Italiaanse kunst doorbladert, misschien schilderijen uit het vijftiende-eeuwse Siena, misschien reproducties van Masaccio’s fresco’s. Hij zit in een leunstoel met een album op zijn schoot; misschien is hij bij een vriend, misschien thuis – terwijl van buiten de schreeuwen van Duitse (of Sovjet-) soldaten klinken. Deze situatie – de fresco’s van Masaccio (of Giotto) en de schreeuwen van de soldaten buiten – was voor altijd in Herberts verbeelding verankerd. Waar hij ook was, hoeveel jaren er na de oorlog ook voorbij waren gegaan, hij kon de soldaten buiten horen schreeuwen – zelfs in Los Angeles en het (ooit) rustige Louvre […]’.
            In 1944, toen de Duitsers Lwów nog bezet hielden maar de terugkeer van het Rode Leger onafwendbaar leek, week de familie Herbert uit naar Kraków. Herberts prozagedicht ‘Het land’ (uit de bundel Hermes, de hond en de ster, 1957) lijkt te verwijzen naar het opslokken van Pools Galicië door een totalitaire grootmacht, de Sovjet-Unie, die hier verborgen is onder het beeld van een spin: ‘In de verste hoek van deze oude kaart is het land waarnaar ik verlang. Het is het vaderland van de appels, heuveltjes, trage rivieren, zure wijn en liefde. Jammer genoeg heeft de grote spin er haar web over gesponnen en de grensbomen van de droom met een kleverig sekreet gesloten.’* In een ander gedicht, ‘Bespiegelingen over vader’ (uit de bundel Meneer Cogito, 1974) schrijft Herbert over een vertrek voor altijd dat voor zijn vader waarschijnlijk veel financieel verlies met zich mee had gebracht: ‘een handelaar in oude spullen nam zijn troon mee op zijn kar / en het uittreksel uit het hypotheekregister de kaart van onze bezittingen’.*
            Herbert studeerde aan de Academie van Schone Kunsten in Kraków. Er volgden verhuizingen naar Sopot, waar hij in de familietraditie – zijn vader was bankier – de handelsacademie beëindigde. In Toruń studeerde hij rechten. In 1950 ging hij verder met filosofie in Warschau, maar die studie maakte hij niet af. In de jaren vijftig werkte Herbert in diverse functies als econoom en jurist, maar uit geldgebrek verkocht hij naar verluidt ook eens zijn eigen bloed. Vanaf 1956 – het jaar waarin achter het IJzeren Gordijn de zogenaamde ‘dooi’ in het politieke klimaat inzette – verschenen van zijn hand talrijke dichtbundels, toneelstukken, hoorspelen en essays, waaronder een boek over Nederlandse schilders en landschappen. Herberts leven veranderde in wezen niet echt: hij was voortdurend aan het verhuizen en op reis, zij het nu in het buitenland waar hij geleidelijk een grote reputatie opbouwde. Hij bleef soms jarenlang uit Polen weg, zonder dat hij de status van een dissident of emigrant had. Hij moest zich op zijn reizen steeds bij Poolse consulaten melden en zich houden aan voorgeschreven reisdoelen. Herbert is er wel eens van beschuldigd informant te zijn geweest van de Poolse geheime dienst.
            Op 13 december 1981, toen in Polen de oorlogstoestand werd uitgeroepen in een poging de oppositie tegen het communistische regime een halt toe te roepen, bevond Herbert zich in Polen. Zijn volgende bundel, Rapport uit de belegerde stad (1983), verscheen in Parijs; dat was de eerste keer dat zijn werk eerder door emigranten werd uitgegeven dan in Polen zelf. Op internationale poëziefestivals, zoals Poetry International in Rotterdam, was hij een veel geziene gast. Regelmatig werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur, maar twee keer passeerden andere Poolse dichters hem, de emigrant Czesław Miłosz in 1980 en Wisława Szymborska in 1996. Karl Dedecius, de nestor van Duitse vertalers uit het Pools die een enorme rol heeft gespeeld bij de popularisering van de Poolse literatuur in het Westen, herinnert zich in zijn memoires Herbert als iemand die ‘een consequent gecompliceerd leven’ leidde, die zich als balling uit Lwów in Warschau niet thuis voelde en steeds aan van alles leed: zijn vaderland, zijn vrienden, zijn vijanden. Hij voegt daar een enigszins bizarre noot aan toe: ‘Ik was verwonderd over de kleine, weke, kinderlijke handen, een tegenstelling tot zijn ernstige, tot nadenken stemmende, diepzinnige filosofische gedichten.’
            Herberts gedichten hebben een versvorm zonder rijm. Aanvankelijk hadden ze nog wel een vast aantal versvoeten per regel, later worden ze vrijer. Een ethische grondtoon en zelfironie liggen ten grondslag aan de meeste van zijn verzen. Zijn werk gaat vaak over het verleden. Afkomst staat centraal: de familie en zijn geboortestad Lwów die hij na 1944 waarschijnlijk nooit meer heeft bezocht. Herberts poëzie lijkt sterk autobiografisch, maar ontstijgt wel het niveau van het particuliere. Lwów en zijn ouderlijk huis staan voor verloren jeugd in het algemeen, voor de vergankelijkheid en broosheid van de dingen. Het is opvallend dat Herbert de stad Lwów in zijn gedichten zelden bij naam noemt, op twee voorbeelden uit zijn late gedichten na. Dat kan met de censuur te maken hebben: tenslotte kon het aanroepen van deze verloren stad in communistisch Polen uitgelegd worden als een ongewenst patriottisme en schoffering van de socialistische broederstaat Sovjet-Unie die het er inmiddels voor het zeggen had. Maar interne, artistieke redenen zullen wel belangrijker zijn geweest: het object van je liefde en bespiegelingen kun je beter ongenoemd en abstract laten, wil dat algemene zeggingskracht hebben.
            In het titelgedicht van de bundel Rapport uit een belegerde stad (1983) lijkt Herbert het verwoorden van zijn afkomst als een roeping te zien: ‘en als de Stad valt maar slechts één overleeft / zal hij de Stad meedragen over de wegen van de ballingschap / zal hij de Stad zijn’.* Hier is Lwów – als we ervan uit gaan dat hij op deze stad doelt – heel abstract gepresenteerd. Maar veel gedichten gaan regelrecht over zijn familie, zijn vader, moeder, zuster, oma, of over een oom die in het leger zat en in Katyń, met zoveel andere Poolse officieren, door Stalins NKVD werd vermoord. In het prozagedicht ‘Moeder;’, uit de jaren zeventig, vervloeit het beeld van de moeder met dat van een stad: ‘Uitgestrekte armen lichtend in het donker als een oude stad’.* Maar als even heilig presenteert Herbert in zijn gedichten de voorwerpen die met die tijd verboden zijn, zoals een pen in ‘Elegie op het heengaan van pen, inkt en lamp’ (uit de bundel Elegie op het heengaan, 1990) waarbij ook iets van Lwóws in de oorlog weggevaagde middenstand doorschemert:

het eerst wend ik me deemoedig tot jou
pen met houten schacht
bedekt met verf of brokkelige lak

in een joods winkeltje
– krakende treetjes een belletje bij de glazen deur –
koos ik je uit
In de kleur van de luiheid
en algauw droeg je
op je lichaam
de verbazing van mijn tanden
de sporen van mijn schoolverdriet*

In de jaren zeventig creëert een inmiddels vijftigjarige Herbert in zijn gedichten een ‘meneer Cogito’ die nadenkt over grote en kleine dingen in de wereld, rekenschap aflegt en bijdragen levert tot een betere oriëntatie in de wereld. Soms spreekt Cogito schijnbaar als zichzelf, in de ik-vorm, soms wordt er over hem gesproken. Zijn gevoel voor humor verliest hij nooit. In de bundel Meneer Cogito (1974) staat een gedicht ‘Meneer Cogito denkt aan de terugkeer naar zijn geboortestad’ dat weliswaar op Lwów betrekking lijkt te hebben maar de lezer vooral aanspreekt op algemene zaken, zoals de verhouding tussen kindertijd en volwassenheid:

Als ik terug zou komen
zou ik er vast niets vinden
geen schaduw van mijn huis
geen boom uit mijn kinderjaren
het kruis met het ijzeren bordje evenmin
het bankje waarop ik toverspreuken fluisterde
kastanjes en bloed
noch enig ding dat ons toebehoort

wat gespaard bleef
is een stenen plaat
met een krijtcirkel
ik sta in het midden
op één been
het moment voor de sprong

ik kan niet volwassen worden
al gaan de jaren voorbij
en dreunen in de hoogte
planeten en oorlogen

Ik sta in het midden
roerloos als een monument
op één been klaar
voor de uiterste sprong

de krijtcirkel kleurt roestbruin
net als oud bloed
rondom groeien de heuveltjes
van as
naar de schouder
naar de mond*

Een directe verwijzing naar Lwów heeft het gedicht ‘Het Hoge Slot’ uit de bundel Epiloog van het onweer (1998). Hierin maakt Herbert een tramrit naar het Hoge Slot, de ruïnes van een dertiende-eeuws kasteel op een berg ten noorden van het centrum, die een prachtig uitzicht bieden op de stad en de heuvelachtige omgeving, op het groene ‘Galicische Toscane’. De tramlijn die in het gedicht het Hoge Slot met het centrum verbindt, bestaat tegenwoordig niet meer:

als beloning
een uitstapje
naar het Hoge Slot

voor we
tot de voet doordringen
de reis per tram

een groot concert
voor ijzerwerk
gegoten
gesmeed
aanbeden

de alt van de rails
beide
in dicht gras van confusie

in elke
bocht
brandt de tram
op in extase

op het dak
een komeet
met violette staart

vurig gekrijs
van rood blik
van hees blik
triomfaal blik

weerspiegeld in de ruiten
het verstilde
Lwów
rustig
bleek
kandelaar van tranen*

Herbert stierf in 1998 in Warschau. Aarde uit Lwów vergezelde zijn lichaam in het graf: semper fidelis. In een van zijn laatste gedichten, ‘In mijn stad’, bezingt hij nogmaals zijn verbondenheid met een verloren stad van zijn jeugd:

in mijn stad in het grensland waar ik niet terugkeer
is zo’n gevleugelde steen licht en reusachtig
en in die gevleugelde steen slaan de bliksems
ik sluit mijn ogen om hem weer voor me te zien

in mijn verre stad waar ik nooit terugkeer
is een zwaar en voedzaam water
wie jou een beker met dat water heeft
laat je geloven dat je altijd terugkeert

in mijn stad die op elke wereldkaart ontbreekt
is zulk brood dat het hele leven voeden kan
zwart als het geloof dat je nog een keer aanschouwt
de steen het water brood de torens blijvend in de dageraad*

Zijn in de laatste regel van dit gedicht het doopbekken en het doopwater uit de kerk van Sint-Antonius bedoeld? Hoe dan ook, de suggestie dat Herbert hier over zijn geboortestad spreekt, is onweerstaanbaar. Eigenlijk ligt de gehele stad besloten in die luttele woorden ‘torens blijvend in de dageraad’. Mensen gaan en verdwijnen, maar de torens van Poolse Rooms-katholieke, Oekraïense, Grieks-katholieke en Armeense kerken – zonder welke de stad ondenkbaar is – blijven.

Jan Paul Hinrichs

*vertaling door Gerard Rasch in Zbigniew Herbert, Verzamelde gedichten (Amsterdam: De Bezige Bij, 1999).

| Eerder gepubliceerd als tiende hoofdstuk in: Jan Paul Hinrichs, Lemberg – Lwów – Lviv (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2008), pp. 112-121. [uitverkocht]


dinsdag 24 december 2019

Nancy Stoop: De rode lijn (Recensie)


BEN WALENKAMP GEËERD

Ben Walenkamp (1940) is een Leids fenomeen. Met zijn onafscheidelijke, doorleefde Engelse regenjas, witte sjaal, lange grijze haren, baard en pijp vergroeide hij met zijn vaste stek op het koffieterras op het Gerecht. Een kring van Titaantjes op leeftijd laat hij met welluidende stem delen in zijn tegendraadse inzichten over kunst, literatuur en aanpalende zaken. Walenkamp heeft geen PC of email, maar is goed geïnformeerd en heeft goede smaak als kompas. Generaties Leidenaren kennen hem als eigenaar van Galerie Walenkamp, spraakmakend door tentoonstellingen van kunstenaars als Jan Schoonhoven en Ad Dekkers, de linkse boekhandel Oktober en het bruine jazzcafé De Twee Spieghels, waar saxofonist Ben Webster vlak voor zijn dood in 1973 zijn laatste concert gaf. Later organiseerde hij literaire avonden in de sociëteit De Burcht en poëziemanifestaties in de openlucht, zoals in 2001 een Pessoa-avond vanaf een waterpodium bij de Vismarkt. Walenkamps meest duurzame en bekendste initiatief vormen de meer dan honderd muurgedichten die hij met Stichting TEGEN-BEELD overal in de stad aanbracht. Het bijzondere is dat de gedichten in allerlei talen in het origineel staan: dus ook in het Russische, Griekse of Georgische alfabet. In de schaduw van de Pieterskerk heb ik een Russin wel eens zien huilen van ontroering voor Marina Tsvetajeva’s gedicht ‘Mijn verzen, zo vroeg geschreven’ aan de gevel van antiquariaat Templum Salomonis. Foto’s van in een schok van herkenning getraceerde gedichten zullen toeristen via mobieltjes duizenden keren met het thuisfront hebben gedeeld. Walenkamps onvervangbare bijdrage aan de Leidse stadscultuur heeft nu van de hand van Nancy Stoop een rijk geïllustreerd boekje opgeleverd. Het is een uitgave van Fragment, de Leidse uitgeverij van Frank van den Ingh die sinds 2015 in kleine oplage boekjes uitgaf van Maxim Februari, Don-Aminado, Sarah Hart (De Parelduiker 2018, nr. 2) en, twee keer, August Willemsen. De rode lijn verwijst naar de schuine rode lijn van De Stijl, een Leids icoon, maar misschien ook naar Walenkamps afwijkende, anarchistische  inborst. Het boekje leest als een cultuurgeschiedenis van Leiden over het tijdvak 1968 tot op heden, waarin Walenkamp onophoudelijk zichtbaar en smaakmakend is geweest. Eerbetoon aan Marinus van der Lubbe – ook op locatie in Berlijn en Leipzig – en Rembrandt hoort hierbij. Zonder ideeënman Ben Walenkamp was het in Leiden wel saai geweest.

Nancy Stoop, De rode lijn. Leiden: Fragment, 2018. 45 pp. 125 ex. € 20 (uitgeverijfragment@gmail.com)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 24 (2019), nr. 1, pp. 74-75.

Tom Sandijck: Havank op Dekema State (Recensie)


OBSESSIES VAN HAVANK

Havank (1904-1964), pseudoniem van Leeuwardenaar Hans van der Kallen, schreef zevenentwintig speurdersromans en bereikte ooit een miljoenenpubliek. Zijn boeken worden al zo’n tien jaar niet meer herdrukt. In een keerboek van Stichting Mateor staan twee publicaties over Havank. De moord op Havank van Kees Kuiken is een novelle gericht op Havank-lezers, vol personages uit zijn leven en werk. Tom Sandijck gaat in Havank op Dekema State in op obsessies van de schrijver. Voor zijn poedel Nicko ontwikkelde hij een aan bezetenheid grenzende aanhankelijkheid. Toen het dier stierf, baarde hij het op in een met zijde gevoerde koffer omgeven door kaarsen en witte bloemen en gedroeg zich als ontroostbare nabestaande. Nicko werd begraven onder een zwerfsteen op Dekema State in Jelsum bij Leeuwarden, de oude woonstede van de bevriende broers Jan en Gerard van Wageningen. Daarheen week Havank vaak uit vanuit zijn semipermanent onderkomen in hotel Amicitia in Leeuwarden. De roman Caviaar en cocaïne (1959) is aan Nicko’s nagedachtenis opgedragen. Extremer is Havanks obsessie voor het portret van de herenboerin Anna Maria van Burmania dat hangt in de zaal van Dekema State. Het werd in 1754, op haar eenentwintigste, geschilderd door B. Accama. Dit portret van een wenkende vrouw beheerste zelfs Havanks leven: hij ging in zijn eenzaamheid met haar in gesprek en ontwikkelde volgens Sandijck een seksueel verlangen naar haar. Reproducties van het portret reisden met Havank mee en hij liet geld na voor een herbegrafenis van Anna’s beenderen die achteraf verdwenen bleken. Een foto van Anna ging mee in zijn graf. Het resultaat leest als het scenario van een Hitchcockfilm: een schrijver met een Triumph Herald met kenteken HVK 55 pendelend tussen een Engelse echtgenote in Londen tegen wie hij opkeek, een hotel als asiel in zijn geboortestad waar hij uiteindelijk stierf en een landgoed, waar hij zich met revolver voor het aanbeden portret liet fotograferen. Zijn weduwe reageerde achteraf verontwaardigd: ‘Ja, dat was mystiek. En het was een vorm van waanzin! Belachelijk! Hij verknoeide al zijn tijd in plaats van te schrijven.’ Of vond Havank via poedel Nicko en vrouwe Anna juist de niet te verstoren verhoudingen die hij zocht en het ware leven hem niet gaf?

Tom Sandijck, Havank op Dekema State. Kees Kuiken, De moord op Havank. Capelle aan den IJssel: Stichting Mateor, 2017. 68 p. + 30 p.  500 ex. € 12,50 (Othello 15, 2907 JD Capelle aan den IJssel mateor@kpnmail.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 24 (2019), nr. 1, pp. 73-74.

Twee boekjes over Nescio (Recensies)


NESCIO VERDER ONTRAFELD

Is over Nescio (1882-1961) alles al gezegd? Wiskundeleraar Maurits Verhoeff, een volhardend rechercheur voor wie geen feitje te klein lijkt, bewijst dat we zo ver niet zijn. Een themanummer van het tijdschrift Uitgelezen boeken publiceert nu iets waarvan men zou denken dat het al decennia zou bestaan: een bibliografie van Nescio’s publicaties en van de vertalingen van zijn werk. Bandvarianten komen uitvoerig aan bod. Dan blijkt dat van de tweede druk (1933) van Dichtertje – De uitvreter - Titaantjes maar liefst acht bandvarianten bestaan. Alle covers zijn in kleur afgedrukt. Hoofdmoot van het boekje is een relaas over het contact met uitgevers. Daarin toont Nescio zich een vasthoudende zakenman die van de kwaliteit van eigen werk onwrikbaar overtuigd blijft. Toegevoegd zijn wat kleine stukjes over ‘faits divers’. Zo weten we nu wie voor de havenmeester van Veere in ‘De uitvreter’ model stond. Het aardigste stuk gaat over Grönlohs strijd tegen een germanisme als ‘ingesteld zijn op’. Vlak voor de Duitse inval maakt hij bezwaar tegen ‘weermacht’, waarmee hij, aldus Verhoeff ‘als het ware een kleine verzetsdaad’ verrichtte. Het blijkt allemaal uit ingezonden brieven aan Onze Taal. Met Verhoeff verzuchten we dat het zonde is dat de meeste stukken in Onze Taal anoniem stonden en het archief van het blad verloren is gegaan: ‘Het had een prachtige collectie brieven van Grönloh kunnen opleveren.’
Nescio’s Natuurdagboek registreert bezoeken aan voor hem nogal vervelende jaarvergaderingen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Perry Moree vat zijn notities samen in voor Mijn naam zei niemand wat, het eerste deel van een reeks Letterkundige mijmeringen. Hij dook ook de archieven in en vond de handtekeningen van Nescio op de presentielijsten van de vergaderingen. Ze staan hier voor de ware liefhebber facsimile afgedrukt. Volgens Moree is het ‘altijd onopgehelderd gebleven’ waarom er nooit een levensbericht over Nescio in een jaarboek van de Maatschappij heeft gestaan. Het antwoord staat wellicht in het jaarboek uit 1958 (p. 113), een mededeling die Moree, net als de publicatie hierover in De Parelduiker (2013/1, pp. 55-56), schijnbaar over het hoofd heeft gezien: Nescio had zijn lidmaatschap opgezegd. In ieder geval is in de archieven ook nog naar een opzeggingsbrief van Nescio te speuren. Ook vragen we ons nog af wie hem indertijd als lid had voorgedragen.

Maurits Verhoeff, ‘Voor een koopje ben ik voor hen niet thuis’. Nescio en zijn uitgevers (=Uitgelezen boeken jrg. 19, nr. 1). Amsterdam: De Buitenkant, 2018. 79 pp. 500 ex. € 12,50 (www.uitgeverijdebuitenlant.nl) | Perry Moree, Mijn naam zei niemand wat. Nescio en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Vlaardingen: De Walgvogel, 2019. [12 pp.] 30 ex. € 11,95 (perrymoree@hotmail.com)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker  24 (2019), nr. 1, pp. 71-73.

Leo van Breen: De som van niemendallen (Recensie)


LEO VAN BREEN IN TAORMINA

De Zeeuwse dichter, journalist, kunsthandelaar en levenskunstenaar Leo van Breen (1906-1988) komen we vooral nog tegen via J. van Oudshoorn (1876-1951). Hij was initiatiefnemer van de verzamelbundel van Van Oudshoorn Doolhof der zinnen die in 1950 bij Van Oorschot verscheen. Ook zat de nimmer stilzittende Van Breen achter de bizarre verjaardagspartij die kort voor Van Oudshoorns dood in zijn huis op het Haagse Van Imhoffplein 17 plaatsvond. In Dagboek 1934-1943 (Statenhofpers 2017, p. 87) doet Van Oudshoorn cynisch verslag van een avondlijk bezoek bij Van Breen aan het Haagse Oranjeplein in 1939: ‘Gedaas (v Br. wilde v Oudshoorn leeren kennen’).’ Stukken die Van Breen in 1942 en 1951 in De Prins en de Haagse Post publiceerde, behoren nog altijd tot het beste wat over Van Oudshoorn is geschreven. Lo van Driel publiceerde in De Parelduiker (2007, nr. 5) een levendig portret van Van Breen die sinds 1972 met zijn levenspartner Jos Krop (‘halfzacht’ volgens Van Oudshoorn) op Sicilië leefde. Succes hadden Van Breen en Krop met een Delftse kunsthandel met filiaal in La Spezia. Bij de handige heren valt een Elsschot-achtige colportagesfeer op. Behalve in kunst scharrelden ze met tijdschriftuitgaven als De Prinsestad, blad van het oud-verzet, en Burgerrecht, ‘Orgaan van het Comité Burgerrecht ter Bestrijding van Overmatige Overheidsdwang’. Nu heeft Van Driel in De som van niemendallen een keuze uit Van Breens al decennia niet meer herdrukte poëzie ondergebracht bij fake-uitgeverij Erven Eikenhout in Sint Kruis. De oplage bedraagt twintig exemplaren. Wat opvalt is de cynische toon in de latere, ongepubliceerde poëzie, die wijst naar een levenshouding waarin continu rigoureus met iets werd gebroken: ‘Er is geen uitweg, dan het radicale / afrekenen met wat ons dierbaar was.’ Dat lijkt een variant op ‘Yet each man kills the thing he loves’ uit Oscar Wilde’s The Ballad of Reading Goal, door Van Breen in vertaling nog eens gepubliceerd in Opwaartsche wegen, een protestants blad waarin hij rond 1930 ook tamelijk brave eigen verzen plaatste. Onder alle turbulentie braken Van Breen en Krop niet met elkaar: ze liggen na een levenslange vriendschap samen in een graf in Taormina.
Hoogtepunt in het hoogst intrigerende boekje zijn twee brieven van Van Breen aan Gerrit Borgers (1917-1987), directeur van het Letterkundig Museum. Van Breen vat in 1975 zijn onnavolgbare leven samen, waarin hij ook nog eens bouwondernemer in Renesse was. Hij besluit vanuit Taormina: ‘ik ben niet van plan, om nog ooit naar Holland te komen.’ Van Breen bekent vanuit hun palazzo dat hij uitkijkt naar Borgers’ bezoek omdat ‘ons leven hier, ondanks alle denkbare voordelen, toch iets triestigs heeft.’ In een gedicht heeft Van Breen het over ‘verstotenen’ die ‘blijven, die we zijn, die diep berouwen / maar niet in staat zijn om ons zelf te villen.’ Een biografie kan interessant zijn. Van Driel geeft aan dat zo’n project wel gecompliceerd ligt: de inmiddels bejaarde Italiaanse pleegzoon van Van Breen en Krop, die lucht had gekregen van het bestaan van een aspirant-biograaf, gaf hun archief per abuis mee aan een andere Nederlander die in Taormina op vakantie was en er vervolgens kennelijk geen afstand meer van deed. Ondertussen blijven we benieuwd naar Van Breens antiquarisch onvindbare enige roman Vaarwel Budapest (1940), waarvan de Duitsers de oplage verbrandden: ‘een hommage, die ik nog altijd op prijs stel.’

Leo van Breen, De som van niemendallen. Een keuze uit de gedichten met twee brieven aan Gerrit Borgers. Sint Kruis: Erven Eikenhout, 2018. 96 pp. 20 ex. € 17,50 (lovandriel@zeelandnet.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 24 (2019), nr. 1, pp. 70-71.

Joke Linders: Geversstraat 25 (Recensie)


JOKE LINDERS EN DE GEVERSSTRAAT

Joke Linders (1943), auteur van de biografie van Annie M.G. Schmidt en talloze andere publicaties over jeugdliteratuur, keert in Geversstraat 25 terug naar haar Oegstgeester geboortehuis dat inmiddels plaatsmaakte voor een appartementencomplex. Als kind had ze uitzicht op de witte villa van de opa van F.B. Hotz aan de Geversstraat en Jan Wolkers’ geboortehuis in de Deutzstraat: ‘In mijn omgeving gold dat je de familie Wolkers maar beter kon vermijden. Daar was iets mee: teveel kinderen, ander geloof, andere zuil al kenden we dat begrip toen niet, rare mensen en een winkel die niet deugde of niet meer liep.’ Belangrijker was de kastanjeboom op de hoek met de Deutzstraat: de boom van haar jeugd. Dit boek bevat voor een Oegstgeestenaar talloze leuke herkenningspunten, maar de waarde ligt in de beschrijving van het katholieke middenstandsmilieu waarin Joke opgroeide. Spaarzaamheid en gevoel voor gemeenschap overheersen: de familie, de kerk, het kerkkoor, gearrangeerde huwelijken. Er werd over je nagedacht, misschien niet altijd in je voordeel. In deze tijd paste ook een zwijgcultuur: Joke en haar zus hebben jaren last van de handtastelijkheden van caféhouder en buurman Ome Ko (getrouwd met Tante Riet die zo lekkere spiegeleieren bakte) en zeggen er jaren niets over tegen hun ouders. Als ze dat uiteindelijk wel doen, dreigt de vader met de politie en verhuizen de kinderloze buren ‘naar een mij onbekend oord’. De samenleving was verzuild: als katholieken kopen ze kleren alleen bij C&A en Peek & Cloppenburg. Het is allemaal niet onbekend, maar de aardigheid zit in vele andere details, zoals kinderen die op de katholieke school bidden voor de in Hongarije vastzittende kardinaal Mindszenty. Drama is er ook: de ouders die een auto-ongeluk krijgen en maanden in het ziekenhuis liggen. De kinderen staan er alleen voor, maar houden het gezin zelf draaiende. De vader van Joke had een elektrotechnisch bureau en verkocht Philips-producten.  De buurt kijkt door hun etalage naar de Elfstedentocht van 1956. De kinderen waren proefkonijnen om de nieuwste hoogtezon uit te proberen.
Geversstraat 25 biedt een sfeervol en leerzaam relaas over een tijd die niet te idealiseren is, maar veel mensen blijvend verbond. Dat geldt ook voor Joke en haar man Barend die ze als scholiere meenam naar een bal en met wie ze nu in Bloemendaal uitgeverij Schaep 14 bestiert. Het boekje kwam tot stand naar aanleiding van een vraag van zoons van gezinshulp Gré die wilden weten wat hun moeder in Oegstgeest had gedaan. Wolkers’ zwartgallige boek Terug naar Oegstgeest (1966) toont een gereformeerd milieu en een slechtlopende kruidenierswinkel in de jaren dertig en veertig. In Linders’ verslag over de katholieke jaren vijftig en zestig overheersen warmte en dankbaarheid. ‘Ik heb enorm veel respect gekregen voor mijn ouders, die in een moeilijke tijd samen een bloeiend bedrijf opbouwden’, zegt Linders tegen de Oegstgeester Courant (7 november 2018). Een gezinshulp die excelleerde in taalspelletjes en volkswijsheden en een onderwijzeres met taalgevoel spelen  een cruciale rol: ‘Net als Gré heeft juffrouw Mol de liefde voor taal op mij overgebracht. […] Schmidts geraffineerde spelen met taal, klank en ritme sluit geruisloos aan op de taal die Gré van nature bezigt.’ Bewegingsvrijheid blijkt in die jaren vanzelfsprekender dan nu. In zomervakanties rijdt scholiere Joke alleen op de fiets van Oegstgeest naar Wijk bij Duurstede, waar Gré na haar huwelijk is neergestreken. Ze deed dat zonder mobiel met navigatie en zonder WhatsApp waarmee de achterban na elke bocht en regendruppel de route met foto’s en emojis kan volgen. Boeken las ze uren alleen onder een rododendronstruik in een bos, waarin nu geen kind meer alleen mag komen. Toen was geluk heel gewoon.  

Joke Linders, Geversstraat 25. Opgroeien in Oegstgeest. Bloemendaal: Schaep 14, 2018. 148 pp.  € 15 (Schaepmanlaan 14, 2061 LZ Bloemendaal info@schaep14.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 24 (2019), nr. 1, pp. 68-70.