zondag 12 mei 2019

Piet Wackie Eysten: Stefan Zweig en Richard Strauss (Recensie)

STEFAN ZWEIG EN RICHARD STRAUSS
 
Interessant blijven boeken en voorstellingen die tijdens dictaturen er raadselachtig ‘doorglippen’. Het bevreemdt nog altijd: dat in 1935 in nazi-Duitsland de première kon plaatsvinden van de komische opera Die schweigsame Frau van Richard Strauss (1864-1949), waarvoor de Joodse auteur Stefan Zweig (1881-1942), wiens boeken al lang verboden waren, het libretto had geschreven. Oud-advocaat Piet Wackie Eysten (1939), die we reeds tegenkwamen als bezorger van Paul van den Houts vertaling van Kästners Lyrische Huisapotheek (De Parelduiker 2017/4), onderzoekt deze intrigerende affaire in Tragiek van een komedie. De Dresdense première onder dirigent Karl Böhm bleek een eenmalige concessie aan Strauss, een te grote beroemdheid om te negeren. In nazi-Duitsland werd de opera vervolgens nooit meer opgevoerd. Leidraad in dit boekje, waarin ik een literatuuropgave mis, is Strauss’ opvallend grote behoefte aan passende tekst om tot componeren te kunnen komen. Na de plotselinge dood in 1929 van zijn vaste librettist Hugo von Hofmannsthal (Elektra, Der Rosenkavalier) vond hij in Zweig een nieuwe tekstdichter. Strauss’ hardnekkige moeite om de samenwerking ondanks tegenwerking van de nazi’s door te zetten, duidt op zijn behoefte aan Zweigs talent, niet op een verkapte actie tegen antisemitisme. Tegen Goebbels klaagde hij zelfs dat hij gedoemd was tot werkloosheid als Zweig aan de kant werd gezet. Zweig leek minder naïef: hij had al lang door dat verdere samenwerking onmogelijk was en scheepte Strauss op met Joseph Gregor als nieuwe librettist. Strauss reageert gepikeerd: ‘Waarom wilt u mij toch steeds tot iedere prijs aan die geleerde filoloog koppelen? Mijn tekstdichter heet Zweig, die heeft geen medewerkers nodig.’ Een nazi was Strauss niet, maar hij deed concessies, zonder daarvoor een al te hoge prijs te betalen. Ook kon hij zich afwijkend gedrag permitteren: Hitler weigerde hij ‘Führer’ te noemen, het bleef bij ‘Herr Hitler’. Bormann verbood in 1944 alle hoge nazi’s contact met Strauss. Na lezing van dit boekje kunnen we Vier letzte Lieder (1948), op teksten van Eichendorff en Hesse, met redelijk gerust hart blijven beluisteren. Met recht vraagt Wackie Eysten zich af: ‘Heeft tekst als bron van inspiratie toch weer het laatste woord gehad?’ Enige uitlating van Strauss over Zweigs zelfmoord in Brazilië kwam ondertussen nooit boven water.

Piet Wackie Eysten, Tragiek van een komedie. De samenwerking tussen Stefan Zweig en Richard Strauss (1931-1935). Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2018. 66 p.  € 12,50 (Overtoom 387-hs, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker  23 (2018), nr. 3, pp. 71-72. 

Veldwerkers en vrouwen in en om Baskenland (Recensie)

BUITENBEENTJE IN LEIDEN, WERELDBEROEMD IN BILBAO
 
De bundel heet cryptisch Veldwerkers en vrouwen in en om Baskenland. Niet amoureuze perikelen staan centraal, maar Nederlandse onderzoekers van het Baskisch die Baskenland met hun echtgenotes bezochten en allerlei publicaties op hun naam brachten. Het begon in de negentiende eeuw met de bemiddelde jonkheer Willem Jan van Eys (1825-1914), woonachtig in het Amsterdamse pand Herengracht 450, later residerend in San Remo. Als taalkundige was hij autodidact. Hij schreef boeken over het met geen enkele andere taal verwante Baskisch en besloot, volgens de bijdrage van Jan Noordegraaf, zijn leven met schilderen en het eigenhandig bouwen van klokken. De mysterieuze Leidse hoogleraar C.C. Uhlenbeck (1866-1951), die we hier tegenkwamen via veldwerk bij de indianen (De Parelduiker 2016/1), wijdde bijna honderd  publicaties aan het Baskisch. Hij had als student op Baskisch willen promoveren, maar dat mocht niet ‘daar eene Baskische dissertatie toch wel wat curieus zoude zijn voor iemand, die in de Nederl. Letteren promoveerde’. De droom van een Baskische promotie maakte Uhlenbeck als promotor mee met de Schot William Rollo (1894-1960) die in Leiden ging studeren en een Nederlandse trouwde. Hij promoveerde in 1925 op een dialectstudie. Vanaf 1926 werkte hij als classicus in Kaapstad. Uhlenbeck was al uitgeweken naar Lugano, toen zijn oud-leerling Nicolaas Deen (1897-1977), ook classicus, in 1937 in het Latijn in Leiden promoveerde op een Baskisch-IJslandse woordenlijst.  Deen was literair actief: hij publiceerde gedichten en vertaalde Franse romans voor uitgeverij Foreholte uit Voorhout. Op het Rotterdamse Erasmiaans Gymnasium was hij beroemd door te laat komen: ‘hij meende dat de aanvangstijdstippen van de lessen niet voor hem waren bedoeld’.
     De verrassende held van dit boek is Rudolf de Rijk (1937-2003) die in Amsterdam, naast taalkunde, wiskunde studeerde bij L.E.J. Brouwer. In Baskenland geldt hij als de beroemdste buitenlandse baskoloog: een naar hem genoemde zaal van het Baskische Instituut in Bilbao bevat zijn bibliotheek. Een Baskisch eredoctoraat en Festschrift bereikten hem op zijn ziekbed, maar zijn zonder PC geschreven levenswerk verscheen postuum,  zo’n 1400 pagina’s dik: Basque, A Progressive Grammar (2008).  De Rijks portret in dit boek bevat een detail, typerend voor deze onhandige man: ‘De Baskische keuken is vol knoflook, en Rudolf lustte geen knoflook.’ Het universitaire milieu in Leiden, waar hij docent Baskisch was, ervoer de bescheiden, perfectionistische, zich altijd haastende en stotterende De Rijk als asociaal en onvriendelijk: ‘Ook klassenverschil leek een rol te spelen. Rudolf had geen lange familiegeschiedenis of stamboom.’ In zijn geboorteplaats Amsterdam tutoyeerden docenten en studenten elkaar, maar niet in Leiden, ‘waar de meeste taalkundigen zich nogal isoleerden van elkaar.’ Leiden deed alle moeite het buitenbeentje weg te werken, wat uiteindelijk deels lukte, ook door salarisverlaging. Nederland kent nog twee productieve baskologen: Wim Jansen (1948), ruimtevaartdeskundige  en oud-hoogleraar Esperanto in Amsterdam, en Peter Bakker (1959), taalkundige in Aarhus. Zij verdienden ook zelf een artikel, maar schreven ruimschoots mee aan dit boek.
      De rijk geïllustreerde bundel is een privé-initiatief van de auteurs, met Mary Eggermont-Molenaar uit Calgary, eerder drijvende kracht achter een Uhlenbeck-bundel (2009), als gangmaakster. Dit rariteitenkabinet rond een uniek Nederlands specialisme biedt veel meer dan de titel aanduidt: biografieën van vijf baskologen, reisdagboeken van hun vrouwen die naar Baskenland meereisden, vertaalde Baskische poëzie van een priester uit 1545 met erotische passages, alsmede een reisgids voor Baskische plekken waar onze helden verbleven: ‘Leioa (Bizkaia). Hier staat een boom die voor Rudolf de Rijk geplant is in het lokale arboretum. Virginia de Rijk heeft nog wat overgebleven as van haar man bij de boom achtergelaten.’  Het resultaat is een monument voor het Baskisch en zijn Nederlandse beoefenaars en hun vrouwen: het postume levenswerk van De Rijk verscheen dankzij inspanningen van zijn weduwe. Wat dreef deze mannen? Koppige nieuwsgierigheid? Ingebakken eigenwijsheid? De romantiek van het onbekende en onverklaarbare? Uhlenbeck, zelf ex-dichter, bedreef taalkunde als letterkundig genre. Over Van Eys schreef hij dat die ‘een straal licht in het mystieke duister geworpen heeft waarmee de Baskische taal omgeven was’.  Dit boek doet dat op een nog veel breder vlak. Maar een Rudolf de Rijk-leerstoel zal in Leiden nog wel even op zich laten wachten.

 
Peter Bakker, Mary Eggermont-Molenaar, Wim Jansen & Jan Noordegraaf, Veldwerkers en vrouwen in en om Baskenland. Leiden: Gingko, 2018. 440 p. € 30 (Citrusweg 12, 2321 KD Leiden info@uitgeverijginkgo.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 23 (2018), nr. 3, pp. 69-71.

donderdag 9 mei 2019

Schoon & haaks [afl. 24]

SCHOON& HAAKS [AFL. 24]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de vierentwintigste aflevering (2019, nr. 2) staan recensies van de volgende boeken:

·         Guido Lauwaert, Alvorens alles vervaagt. Memoires. Antwerpen: Houtekiet, 2018.

·         Lela Zečković, Een straat met kastanjebomen. Woubrugge: Avalon Pers, 2018.

·         Lela Zečković, Lapis lazuli. Woubrugge: Avalon Pers, 2019.

·         Gerrold van der Stroom, J.M.N. Kapteyn en Leo Polak, en Ludwig Erich Schmitt. Dubbelvoudig verraad en overmoed aan de Rijksuniversiteit Groningen tijdens de Duitse bezetting (1940-1942). Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU, 2018.

·         Nick ter Wal, De schrijfmachine. Portret van Ferdinand Langen. Groningen: Passage, 2018.

·         Grigor Narekatsi, Het boek der weeklaging. Vert. Theo Maarten van Lint. Jerevan: Tigran Mets / Amsterdam: Stichting Grigor Narekatsi, 2018.

| Zie verder: Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 24 (2019), nr. 2, pp. 70-75.

zondag 21 april 2019

Jan Hanlo: Brieven aan Willem K. Coumans (Recensie)

JAN HANLO EN WILLEM K. COUMANS
 
In Van Oorschots tweedelige brievenuitgave (1989) van Jan Hanlo (1912-1969) ontbreken de veelal in Amsterdam geposte brieven aan dagbladjournalist Willem K. Coumans (1930-2006). Eikenhout en zinkviooltjes bundelt deze brieven, vakkundig ingeleid en toegelicht door Wiel Kusters (1947). Hanlo schrijft Coumans vooral in diens rol als redacteur van de Limburgse tijdschriften Galerie Zuid en De Bronk. Heftig spelen redactionele kwesties als het niet sturen van proeven of niet doorvoeren van correcties: ‘Ik ben nu eenmaal microproductief, hecht bijzonder veel aan dergelijke “kleinigheden”’ (23 oktober 1954). De brieven geven een beeld van het Limburgse culturele milieu van de jaren vijftig en zestig, waar meer speelde dan we konden vermoeden, ook in de persoonlijke sfeer. Een constante op de achtergrond is de relatie van Hanlo en Coumans tot kunstenaar René Wong (1920-1974), bekend van portretten van Hanlo en A. Roland Holst, en diens vrouw Harjo die later mevrouw Coumans werd. Een grote vergeefsheid gaat uit van een slepende kwestie: een door Coumans samen te stellen bloemlezing Limburgse dichters die De Beuk aankondigde en uiteindelijk niet verscheen. Twijfel aan de zin van het project speelt mee. Waarom Coumans deze vooral over kleinigheden gaande brieven niet afstond? Kennelijk wilde hij ze stug voor zichzelf houden of ze belangrijker en geheimzinniger maken dan ze waren. Postuum kreeg hij door zijn weigering wel dit monografietje dat er anders niet was gekomen.

Wiel Kusters, Eikenhout en zinkviooltjes. Jan Hanlo’s brieven aan Willem K. Coumans. Heerlen: Leon van Dorp, 2017. 118 pp. € 17,50 (Ovidiusstraat 107 6417 VT Heerlen info@leonvandorp.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 23 (2018), nr. 2, p. 73.

C.O. Jellema: Brieven aan Theo van Woerkom (Recensie)

C.O. JELLEMA OVER VRIENDSCHAP
 
Een meesterlijk gedicht van C.O. Jellema (1936-2003) is  ‘Laatste avond in Pasop’ (1979). De naam verwijst naar een straatnaam in het dorp Midwolde. Het gedicht beschrijft de weemoedige sfeer van een laatste avondmaal met vrienden voor hun verhuizing: ‘Wie gaat verhuizen heeft zijn huis, / nog voor hij gaat, al hier en daar verlaten […] / We waren als meubels nog bijeen, / en op de door gewoonte aangewezen plaatsen. / Ook in wat we bespraken vielen gaten / als in te vaak gewassen keukendoeken.’ Aanleiding was de verhuizing van neuroloog Theo van Woerkom en zijn vrouw uit het Groningse naar Den Haag. Het boekje Er leeft een droom in je bundelt brieven van Jellema aan Van Woerkom en lijkt één lang commentaar op dit gedicht en de ervaring van vriendschap: ‘Vriendschap is voor mij een onzichtbare ruimte van zelfervaring, die er ook is als ik alleen in mijn kamer ben.’ Bezorger Gerben Wynia voegt in zijn nawoord dagboeknotities toe die heel wat minder beschouwelijk zijn en ons Jellema laten zien in de grilligheid van zijn seksuele fantasiewereld rond Theo van Woerkom. Sommige passages gaan behoorlijk ver, terwijl in Jellema’s tobberige en getemperde briefstijl de erotiek juist ontbreekt. Dit boekje heeft met vriendschap een duidelijk thema, waarbij eerdere brievenedities van Jellema, zoals die rond Jan Siebelink en Paul Beers (zie De Parelduiker 2016/5, 2017/2-3), minder samenhangend overkomen. Uiteindelijk verwaterde het contact, maar toch noemt Van Woerkom in zijn begrafenisrede Cor zijn beste vriend. Dat komt niet over als een sentimentele toegeving aan het moment. Ze betekenden wat voor elkaar, als referentiepunten, ook zonder contact. Jellema schrijft het zo: ‘Maar jij bent er voor mij ook altijd, als je er niet bent. Ik bedoel: als ik zo’n stuk schrijf, denk ik regelmatig: wat zou Theo ervan vinden.’ Vriendschap draait hier om iets dat in essentie onuitgesproken blijft, ondanks alle wederzijds beleden oprechtheid. Dicht tot de kern komt Jellema soms wel: ‘Jij inspireert me altijd. Omdat er een droom in je leeft. Misschien hebben dromen hun wortels in seksuele frustraties of anderszins. […] De droom is een bron.’

 C.O. Jellema, Er leeft een droom in je. Brieven aan Theo van Woerkom. Nijmegen: Flanor, 2017. 130 pp. € 19,50. (Beijensstraat 30, 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@gmail.com)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 23 (2018), nr. 2, pp. 71-72.

Stefan & Franciszka Themerson & Gaberbocchus (Recensie)

LAATSTE (?) UITGAVEN VAN HUIS CLOS
 
We beginnen met een correctie. In De Parelduiker (2015/5) schreef ik dat Huis Clos mede was opgericht door Joep Schreurs (1952-1999), bij Amsterdammers bekend als boomlange ober in restaurant Zuid Zeeland. Vormgever Piet Gerards, toen zijn compagnon bij uitgeverij Gerards & Schreurs, en Marc Vleugels, inmiddels francofiel uitgever te Bleiswijk, reageerden los van elkaar bliksemsnel: dat was niet waar! Zij waren de oprichters, samen met Jack van Kronenberg. Waarvan acte. De verschillen tussen beide persen waren voor mij, als medewerker aan beide fondsen, moeilijk uit elkaar te houden. Zo kreeg ik de door mij vertaalde eerste Huis Clos-uitgave in 1986 door Schreurs overhandigd en was Huis Clos in het begin alleen een reeksnaam met uitgeverij Gerards & Schreurs als imprint. Hoe dan ook, wie kon toen bevroeden dat Huis Clos het zo lang zou volhouden: zojuist verschenen deeltjes 68 en 69, naar verluidt de slotuitgaven.
      Gerards & Schreurs, voor Schreurs’ overkomst uit Berlijn uitgeverij Gerards, had een voorloper: uitgeverij AAP. Deze gelegenheidsonderneming gaf een gezeefdrukte vertaling uit van het futuristische dichtwerk Europa (1929) van de Pool Anatol Stern. Het idee voor deze uitgave kwam van het uit Polen afkomstige echtpaar Stefan (1910-1988) en Franciszka (1907-1988) Themerson. In 1962 had hun Gaberbocchus Press, genoemd naar een fabelwezen uit een nonsensgedicht van Lewis Carroll, een Engelse editie uitgegeven, waarnaar de Nederlandse is vertaald. Het is geen toeval dat Huis Clos een biografie van deze Londense uitgeverij uitbrengt. Samensteller Walter van der Star beschrijft alle zestig titels die sinds 1948 verschenen. Uitvoeriger gaat hij in op een aantal gezichtsbepalende titels, zoals Themersons roman Cardinal Pölätüo (1961). Ook wordt uitgebreid stilgestaan bij de Nederlandse connectie van de Gaberbocchus Press. Themerson leek hier veel bekender dan in Engeland, onder meer dankzij de door W.F. Hermans ingeleide vertaling Kardinaal Pölätüo (De Bezige Bij, 1967). Van groot belang was de band van de Themersons met Jaco Groot en uitgeverij De Harmonie, die distributeur en medeuitgever van de pers werd en na de dood van het echtpaar nog enkele postume titels uitgaf. Ook Rudy Kousbroek speelt voortdurend een rol: via zijn contacten kon Themerson in 1981 de Huizinga-lezing Een leerstoel in fatsoen houden en werd Cardinal Pölätüo in het Frans vertaald.
     De verleiding is groot Huis Clos in het licht van de Gaberbocchus Press te bekijken. Huis Clos stort zich vooral op onderwerpen op het grensvlak van verschillende kunsten en is sterk documentair gericht, terwijl Gaberbocchus vooral een uitgeverij voor en van auteurs was, Stefan Themerson in de eerste plaats. Voorzover ik kan zien, komt alleen Kurt Schwitters als auteur in beide fondsen voor. Bij Gaberbocchus-uitgaven is sprake van een ‘telkens unieke combinatie van tekst, illustratie, vormgeving en materiaal’. Dit geldt ook voor de Huis Clos-uitgaven die allemaal door Piet Gerards zijn vormgegeven. Een grillige hang naar non-conformisme in uitvoering en onderwerpskeuze is beide persen eigen. Bij het laatste Huis Clos-deeltje, het essay Langs de Kapellekensbaan van cineast André Schreuders, met notities over diens verfilming van de roman van Louis Paul Boon, is een dvd (96 min.) met de film gevoegd. Ik schrijf verder geen necrologie, want ga er vanuit dat de uitgeverij op een of andere manier doorgaat, desnoods onder nieuwe naam. Misschien gaat Piet Gerards, die toch moeilijk kan gaan stilzitten, wel weer zeefdrukken, zoals in het begin bij AAP.

Walter van der Star, Biografie van een uitgeverij. Biography of a Publishing House. Stefan & Franciszka Themerson & Gaberbocchus. 2017. 159 p. 600 ex. € 22,50; André Schreuders, Langs de Kapellekensbaan 2017. 47 p. (met dvd). 650 ex. € 22,50 (Uitgaven van Huis Clos, p/a Gerard Terborghstraat 16-hs, 1071 TM Amsterdam willemvandeweteringh@)uitgeverijhuisclos.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 23 (2018), nr. 2, pp. 70-71.

F.B. Hotz: Brieven aan Theo Sontrop (verschenen)

F.B. HOTZ: BRIEVEN AAN THEO SONTROP

Op 20 april 2019 verscheen bij de Statenhofpers: F.B. Hotz, Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop.
F.B. Hotz, Geniaal is niet direct het woord.
Brieven aan Theo Sontrop. Bezorgd en van
een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs.
's-Gravenhage: Statenhofpers, 2019.

Deze uitgave bevat 73 brieven van F.B. Hotz aan De Arbeiderspers: 70 aan uitgever Theo Sontrop en 3 aan corrector Ton Koster. De brieven zijn geschreven in de jaren 1975-1995 en documenteren uitvoerig de uitgave van het werk van Hotz door De Arbeiderspers. Maar bovenal bieden ze inzicht in de verhouding van een schrijver en zijn uitgever.
Het boek is gezet uit de Linotype
De Roos, een digitale revival naar
het ontwerp van Sjoerd de Roos
uit 1947.


| Zie verder: F.B. Hotz, Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop. Bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2019. 107 pp. Oplage: 75 ex. gebonden in heellinnen en 15 ex. in halfoasis.

Schutblad: door Joost Veerkamp
gedigitaliseerd ontwerp van E.A. Seguy.
Voor meer informatie en bestelwijze klik hier.